Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3209

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
201310308/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2013 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Peelvenen-Mariapeel" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/861

Uitspraak

201310308/1/R6.

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

provinciale staten van Limburg,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2013 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Peelvenen-Mariapeel" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

Provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellante sub 2] en provinciale staten hebben hun zienswijzen daarop naar voren gebracht.

Provinciale staten hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2014, waar [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [vennoot A], bijgestaan door mr. N.M.C.H. Crooijmans, advocaat te Helmond, en ing. J. Meinders, werkzaam bij Aveco De Bondt, en provinciale staten, vertegenwoordigd door mr. L.H.M. Vorstermans, ing. M.I. Burger en F.M.W.L. Willems, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het waterschap Peel en Maasvallei (hierna: het waterschap), vertegenwoordigd door M. van der Wagt, als partij gehoord.

Buiten bezwaren van partijen heeft de raad ter zitting een nader stuk in het geding gebracht.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een inpassingsplan hebben provinciale staten beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die zij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de inrichting van het deelgebied Mariapeel/Grauwveen in het gebied Peelvenen ten behoeve van natuur. Dit deelgebied is onderdeel van Natura 2000-gebied "Deurnsche Peel & Mariapeel". Met het plan wordt beoogd om de realisering van een aantal percelen nieuwe natuur (Ecologische Hoofdstructuur) waaraan door de provincie Limburg hoge prioriteit is toegekend, mogelijk te maken. Daarnaast voorziet het plan in de aanpassing van een aantal watergangen.

De beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 3]

3. De beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 3] zijn gericht tegen het plandeel met de bestemming "Water", dat betrekking heeft op de watergang Rengsven. Zij kunnen zich niet verenigen met de beoogde verbreding van deze watergang en het naastgelegen onderhoudspad. [appellante sub 1] en [appellant sub 3] voeren hiertoe onder meer aan dat de naastgelegen watergang Saar ongewijzigd blijft, waardoor zij vrezen dat de watergang Rengsven de extra waterafvoer ondanks de voorziene verbreding niet aan kan. [appellante sub 1] betoogt dat het alternatief dat door [appellant sub 3] in de zienswijzenprocedure is ingebracht ten onrechte niet is meegewogen bij de vaststelling van het plan.

3.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat het alternatief ter vervanging van de oorspronkelijk geplande afwatering via de watergang Rengsven, dat door [appellant sub 3] in zijn zienswijze is voorgesteld, in goed overleg met de diverse betrokkenen is uitgewerkt en akkoord is bevonden. Met dit alternatief vervalt de noodzaak van de verbreding van de watergang Rengsven en daarmee de noodzaak van verwerving van de benodigde gronden en onteigening.

3.2. Nu provinciale staten zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

4. In hetgeen [appellante sub 1] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Water" dat betrekking heeft op de watergang Rengsven en het naastgelegen onderhoudspad is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

5. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Het beroep van [appellante sub 2]

6. [appellante sub 2] is gevestigd aan de [locatie 1] te [plaats] en bezit gronden aan de [locatie 2] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Horst aan de Maas, sectie […], nummers […], […] en […]. Deze gronden liggen net buiten het plangebied en worden gebruikt voor de teelt van gras, maïs en andere akkerbouwproducten. [appellante sub 2] vreest dat haar gronden na de hydrologische maatregelen in het plangebied niet meer geschikt zijn voor akkerbouwactiviteiten. Zij stelt dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan voor haar landbouwgronden, waardoor schade voor haar bedrijf niet kan worden uitgesloten. Dit klemt te meer nu de landbouw rondom de Mariapeel volgens het inrichtingsplan voor de integrale gebiedsuitwerking Peelvenen-Mariapeel van december 2012 (hierna: IGU) een gezonde, toekomstgerichte bedrijfstak is, en het voorkomen van wateroverlast en droogteschade voor de landbouw één van de centrale doelstellingen uit de IGU is. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft [appellante sub 2] een tegenrapport van Aveco De Bondt overgelegd, getiteld "Analyse effecten veranderingen waterhuishouding Peelvenen Mariaveen" van 24 februari 2014 (hierna: het tegenrapport). In het tegenrapport is het onderzoek van Royal Haskoning DHV, getiteld "Uitwerken NLP maatregelen Grauwveen", van 24 augustus 2011, (hierna: het rapport van Royal Haskoning DHV), dat ten behoeve van de IGU is opgesteld, geanalyseerd.

6.1. Provinciale staten stellen dat de gronden van [appellante sub 2] zich op grote afstand van het Grauwveen bevinden en bovendien aanzienlijk hoger liggen, waardoor geen nadelige invloed verwacht wordt. De wijziging van de waterpeilen heeft weliswaar invloed op de grondwaterstanden, maar deze wijziging heeft geen effect op de gebruiksmogelijkheden van het perceel van [appellante sub 2], die haar percelen niet gedraineerd heeft. De gehanteerde aanpak om in het plangebied tot een nieuwe inrichting van het watersysteem te komen getuigt volgens provinciale staten van een zorgvuldige werkwijze waar het gaat om het in beeld brengen van de hydrologische effecten en de eventuele wateroverlast. Op kritische punten in het landbouwgebied worden meetpunten ingericht om eventueel optredende natschade in beeld te brengen. Dit meetnet zal ruim voor de start van de uitvoering van de maatregelen zijn ingericht. Voor de totale Peelvenen zal een monitoringsplan worden opgesteld. Volgens provinciale staten rechtvaardigen deze aanpak, in combinatie met de mogelijkheid tot compenserende maatregelen, indien de inrichtingsmaatregelen leiden tot voorzienbare wateroverlast en/of waterschade aan landbouwpercelen en bebouwing, en een nadeelcompensatie-/natschaderegeling in geval van toch nog onvoorziene schade, de conclusie dat de belangen van agrariërs zorgvuldig bij de vaststelling van het plan zijn betrokken.

6.2. In het deskundigenbericht staat dat, om gevolg te geven aan het doel uit de IGU om nieuwe natuur in te richten en het hydrologisch peil te herstellen, het watersysteem in het plangebied wordt ingericht op basis van het beleid dat is beschreven in het rapport Nieuw Limburgs Peil (hierna: NLP). Dit rapport is op 6 oktober 2010 vastgesteld door het algemeen bestuur van het waterschap. Het NLP beschrijft onder meer het watersysteem van het gebied en de wensen aan het watersysteem. Ook zijn hierin modelberekeningen gemaakt en maatregelen beschreven die nodig zijn om de doelstelling van de IGU te bereiken. De realisatie van het NLP is noodzakelijk om de gebiedsdoelstellingen voor de Mariapeel in het kader van Natura 2000 en de Kaderrichtlijn water te behalen.

De algemene doelstelling voor het deelgebied Grauwveen is om de waterhuishouding zodanig aan te passen dat een hydrologische bufferzone voor Mariapeel wordt gecreëerd. Uit de IGU volgt voor Grauwveen een lijst met maatregelen. Dit betreft het sterk verondiepen van een deel van de watergang Grauwveen en de aanleg van een regelbare stuw, de aanleg van een ondergronds scherm, een bovengrondse kade en een watergang, de aanleg van een regelbare stuw aan de zuidzijde van de spoorlijn en het dempen/verondiepen van watergangen.

6.3. In het deskundigenbericht zijn het rapport van Royal Haskoning DHV en het tegenrapport beoordeeld. Hierin staat dat aan de hand van wensen, kansen en knelpunten scenario’s voor het gebied zijn opgesteld, die door het waterschap met het hydrologisch instrument IBRAHYM zijn doorgerekend. Tevens is de actuele geohydrologische situatie doorgerekend. Voor de doelrealisatie van landbouwgewassen in het NLP is het instrumentarium Waternood gebruikt. Volgens het deskundigenbericht ligt het niet voor de hand dat door een peilverhoging vernatting van de gronden van [appellante sub 2] zal plaatsvinden bij een inrichting overeenkomstig de IGU.

6.4. In opdracht van [appellante sub 2] heeft Aveco De Bondt op het deskundigenbericht gereageerd. De conclusie van deze reactie, gedateerd op 7 april 2014, is dat uit de praktijk bekend is dat het gebied gevoelig is voor natschade, omdat nu al gestuurd wordt op de stuwpeilen om vernatting te voorkomen. Deze praktijkervaring had volgens Aveco De Bondt moeten leiden tot een voorzichtige beschouwing van de theoretisch doorgerekende vernattingsvarianten. In plaats daarvan is in de planfase zonder meer uitgegaan van de berekeningsuitkomsten, waardoor geen ruimte meer bestaat voor een bredere afweging van de kans op natschade.

6.5. Over de betogen van [appellante sub 2] die zien op de gehanteerde modellen, overweegt de Afdeling als volgt.

6.5.1. [appellante sub 2] heeft betoogd dat het gebruikte model Waternood onvoldoende is om de waterhuishoudelijke inrichting goed inzichtelijk te maken en dat het hydrologisch model IBRAHYM niet als grondslag kan dienen voor het in kaart brengen van de gevolgen van de beoogde maatregelen, omdat met de berekeningen volgens dit model de gevolgen niet exact in beeld worden gebracht.

6.5.2. Deze betogen kunnen niet slagen. [appellante sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de berekende uitkomsten die voortkomen uit het gebruik van deze modellen geen representatieve situatie weergeven. Ook heeft zij ook in dit geval niet aannemelijk gemaakt dat wanneer een ander model of andere methodiek zou zijn gebruikt, dit tot wezenlijk andere resultaten zou hebben geleid. Het betoog faalt.

6.6. Over het betoog van [appellante sub 2] dat de samenhang tussen de peilen in de watergang en het grondwaterpeil in het rapport van Royal Haskoning DHV niet is onderzocht, overweegt de Afdeling als volgt.

6.6.1. [appellante sub 2] heeft onder verwijzing naar het tegenrapport aangevoerd dat ten onrechte alleen is gerekend met de veranderingen in het oppervlaktewatersysteem als gevolg van de inrichtingsmaatregelen, terwijl het oppervlaktewater en het grondwater tezamen één systeem vormen. Dat deze verhouding niet of slechts beperkt is bezien blijkt volgens haar ook uit het gebruik van de impliciete methodiek Waternood. Volgens Aveco De Bondt gebruiken andere waterschappen een grondwatermodel waarin de wijzigingen van het oppervlaktewater voor inrichting en beheer zijn meegenomen. Uit de stukken blijkt niet dat een dergelijk model hier is gebruikt.

6.6.2. Blijkens het deskundigenbericht is aannemelijk dat de te wijzigen waterpeilen effect zullen hebben op de grondwaterstand, die bepalend is voor het al dan niet kunnen gebruiken van de grond als akkerbouwland. In het plan en in het rapport van Royal Haskoning DHV is niet expliciet ingegaan op het effect op grondwaterstanden. Het deskundigenbericht vermeldt dat ook uit de tekst van het NLP niet blijkt dat op de invloed van de waterpeilen op het grondwater is ingegaan. Uit de berekeningen blijkt echter wel dat hier naar is gekeken, aldus het deskundigenbericht. Deze berekeningen en de bijbehorende kaarten in het NLP zijn in overeenstemming met de kaarten waarop de berekende peilen zijn weergegeven. Hieruit volgt dat vrijwel geen wijziging zou optreden als gevolg van de gewijzigde waterpeilen. Deze kaarten kunnen vanwege de schaal en het grote gebied echter slechts ter indicatie dienen, aldus het deskundigenbericht.

De kaarten in het NLP waarop de drooglegging is weergegeven, te weten het effect van de waterpeilen in de watergangen op de grondwaterstanden, laten eveneens een minimaal effect zien. In het betoog van [appellante sub 2] dat de kartografische weergave van de drooglegging volgens haar niet correct is, wat hiervan ook zij, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de analyse in het rapport van Royal Haskoning DHV op dit punt geen representatief beeld geeft. Het beeld dat wordt gecreëerd met de kaarten waarop de berekende peilen zijn aangegeven en de kaarten waarop de drooglegging te zien is, is volgens het deskundigenbericht dat het water dat in het gebied zal worden vastgehouden ten behoeve van de nieuwe natuur, voor de gronden van [appellante sub 2] geen negatieve gevolgen zal hebben.

6.6.3. Gelet op het voorgaande kan het betoog van [appellante sub 2] dat de relatie tussen grondwater en oppervlaktewater niet is bezien, niet slagen. Naar het oordeel van de Afdeling hoeft de enkele omstandigheid dat een tekstuele weergave daarvan ontbreekt, niet te betekenen dat dergelijk onderzoek in het geheel niet is uitgevoerd. Blijkens het deskundigenbericht is aannemelijk dat deze relatie wel is bezien. Het tegendeel is door [appellante sub 2] niet aannemelijk gemaakt. Het betoog faalt.

6.7. Over het betoog van [appellante sub 2] over de gevolgen van een peilverhoging bij de stuw, overweegt de Afdeling als volgt.

6.7.1. [appellante sub 2] heeft onder verwijzing naar het tegenrapport gewezen op de volgens haar opmerkelijke effecten in het oppervlaktewatersysteem ter hoogte van haar perceel 266. Volgens de kaarten zou een peilverhoging van 64 cm nabij de stuw in de meest voorkomende afvoersituatie van 20% Maatgevende Afvoer (hierna: MA) geen effect hebben. [appellante sub 2] stelt echter dat volgens het tegenrapport de grondwaterstanden op een groot deel van dit perceel zo hoog zijn dat verdere vernatting kritisch ligt. Een verdere stijging betekent dat de grondwaterstanden gedurende meerdere weken per jaar te dicht op het maaiveld komen, waardoor niet zonder meer gesteld kan worden dat geen vernattingsschade te verwachten is, aldus het tegenrapport.

6.7.2. Het deskundigenbericht vermeldt dat bij een inrichting overeenkomstig de IGU de stijging van de waterpeilen in Grauwveen oost beperkt blijft tot ongeveer 10 cm. Dit is mogelijk omdat er een stuw geplaatst wordt tussen de [locatie 2] west en de [locatie 2] oost. Het ligt volgens het deskundigenbericht niet voor de hand dat door peilverhoging in het natuurgebied ter hoogte van de gronden van [appellante sub 2] in Grauwveen west vernatting plaatsvindt. Voorts vermeldt het deskundigenbericht dat in het tegenrapport is uitgegaan van 20% MA, omdat dit volgens het tegenrapport de meest voorkomende situatie is en derhalve het belangrijkst zou zijn. Volgens het deskundigenbericht is voor akkerbouw echter juist van belang om te weten dat de grond niet onacceptabel vernat in de extreme situaties. Normaliter zou het peil bij 20% MA lager liggen dan bij 50% MA of 100% MA, zodat wanneer bij 100% MA geen vernatting plaatsvindt, volgens het deskundigenbericht mag worden verwacht dat dit bij 20% MA ook niet gebeurt.

6.7.3. Ter zitting hebben provinciale staten desgevraagd bevestigd dat het plan overeenkomstig de IGU zal worden uitgevoerd en hebben zij te kennen gegeven dat hiertoe met de betrokken partijen een uitvoeringsovereenkomst is vastgesteld. [appellante sub 2] heeft erkend dat, gelet op deze overeenkomst, dat een uitvoering overeenkomstig de IGU in de rede ligt. Voorts is niet in geschil dat de ligging van de percelen van [appellante sub 2] zodanig is dat het grondwater van haar percelen wegstroomt. Gelet op het voorgaande en gelet op de conclusie van het deskundigenbericht, die door [appellante sub 2] niet is betwist, acht de Afdeling het niet aannemelijk dat een peilverhoging nabij de stuw zal leiden tot onaanvaardbare vernatting van de gronden van [appellante sub 2]. Daarbij betrekt de Afdeling dat in haar reactie op het deskundigenbericht staat dat bij 100% MA geen vernatting zal optreden. Het betoog faalt.

6.8. Over het betoog van [appellante sub 2] dat ziet op ontbrekende invoergegevens, waardoor hierover geen beoordeling heeft kunnen plaatsvinden, overweegt de Afdeling dat provinciale staten te kennen hebben gegeven dat het plan moet worden gelezen in samenhang met de IGU en het NLP. [appellante sub 2] heeft dit niet betwist.

6.9. Gelet op het voorgaande overweegt de Afdeling dat in hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd niet aannemelijk is geworden dat het rapport van Royal Haskoning DHV, dat aan het plan ten grondslag ligt, zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat provinciale staten zich niet in redelijkheid hierop hebben kunnen baseren. Provinciale staten hebben zich op basis van de beschikbare gegevens, waaronder dit rapport en het NLP, derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet zal leiden tot een onaanvaardbare vernatting van de percelen van [appellante sub 2]. Dientengevolge hebben zij geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te doen naar de gevolgen voor de gronden van [appellante sub 2] buiten het plangebied. Daarbij acht de Afdeling van belang dat uit het NLP blijkt dat de stroomrichting van het water zodanig is dat dit geen invloed heeft op de gronden van [appellante sub 2] buiten het plangebied. [appellante sub 2] heeft dit niet betwist. Het betoog faalt.

7. [appellante sub 2] betoogt dat het plan ten onrechte uitgaat van gewenste waterpeilen van grond- en oppervlaktewater uit het NLP, waardoor de gevolgen onvoldoende in kaart kunnen worden gebracht. Zij voert hiertoe aan dat de waterstanden worden bepaald aan de hand van het beheerplan voor het Natura 2000-gebied, dat ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet was opgesteld.

7.1. De Afdeling begrijpt het betoog aldus dat de waterpeilen volgens [appellante sub 2] in het plan hadden moeten worden vastgelegd. De Afdeling overweegt dat een inpassingsplan in beginsel niet het instrument is om waterpeilen in vast te leggen. In dit geval bestaat geen aanleiding om een uitzondering hierop te maken. Daarbij wordt van belang geacht dat provinciale staten ter zitting hebben toegelicht dat het plan in samenhang met het NLP dient te worden gelezen, en dat in het NLP waterstanden zijn vastgelegd. Tegen de te nemen peilbesluiten kunnen rechtsmiddelen worden aangewend. Het betoog faalt.

8. Voorts voert [appellante sub 2] aan dat uit het deskundigenbericht blijkt dat ten onrechte geen watertoets is gedaan. Hierdoor ontbreekt volgens haar een verplicht onderdeel van de voorbereiding van het plan.

8.1. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en sub b, van het Bro gaan een bestemmingsplan, alsmede een ontwerp hiervoor, vergezeld van een toelichting, waarin is neergelegd een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding.

Ingevolge artikel 1.1.1, tweede lid, van het Bro, wordt in dit besluit en de hierop berustende bepalingen onder een bestemmingsplan mede begrepen een inpassingsplan als bedoeld in afdeling 3.5 van de wet.

8.2. In paragraaf 5.6 van de plantoelichting zijn de voor het plan van toepassing zijnde wateraspecten beschreven. Ook staat hier dat het plan voor de watertoets ter beoordeling is voorgelegd aan het waterschap en dat deze reactie is meegenomen bij het verwerken van het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 van het Bro. In paragraaf 8.1 van de plantoelichting is ingegaan op dit vooroverleg. Hier staat dat de vooroverlegreactie van het waterschap niet leidt tot aanpassing van het plan.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat niet aan het bepaalde in artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef sub b, van het Bro is voldaan. Het betoog faalt.

9. Voorts betoogt [appellante sub 2] dat ten onrechte vooraf geen technische maatregelen zijn getroffen om schade tegen te gaan. In dit kader voert zij aan dat niet blijkt hoe de plaatsing van een ondergronds scherm zich verhoudt tot de ondergrondse waterstromen, aangezien deze niet inzichtelijk en controleerbaar zijn. Uit de omstandigheid dat thans nog niet duidelijk is of er een ondergronds scherm zal komen, hetgeen in het deskundigenbericht is geconstateerd, blijkt volgens haar bovendien dat niet op tijd gestart is met het in kaart brengen van de gegevens, waarmee haar stelling dat aan het plan onvoldoende onderzoek ten grondslag ligt bevestigd wordt.

9.1. Uit het deskundigenbericht blijkt dat deze maatregel uit de IGU uiteindelijk niet in het plan is opgenomen, maar dat het plaatsen van een scherm slechts een mogelijke maatregel is die genomen kan worden indien blijkt dat de doelstellingen anders niet bereikt kunnen worden. Volgens het deskundigenbericht zal uit de berekeningen van het waterschap vermoedelijk blijken of een scherm al dan niet nodig zal zijn.

9.2. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent het onderzoek van Royal Haskoning DHV hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat gezien dit onderzoek geen aanleiding bestond om op voorhand maatregelen met betrekking tot de percelen van [appellante sub 2] te treffen. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd is niet gebleken van feiten of omstandigheden waardoor hier wel aanleiding toe bestond. Voorts overweegt de Afdeling dat ter zitting is gebleken dat het bedoelde scherm, dat het plan mogelijk maakt, op een afstand van 1,5 km ten oosten van de gronden van [appellante sub 2] zal worden geplaatst. Gelet hierop en gelet op de eerder genoemde stroomrichting van het grondwater zal plaatsing van dit scherm niet leiden tot nadelige effecten op haar gronden. Het betoog faalt.

10. [appellante sub 2] voert voorts een aantal bezwaren aan omtrent monitoring. In de eerste plaats betoogt zij dat de aanname in het rapport van Royal Haskoning DHV, dat daar waar de modellen en analyses op basis van geografische informatiesystemen geen schade voorspellen, ook geen schade te verwachten is en geen monitoring behoeft plaats te vinden, volgens het tegenrapport nogal beperkt is. Het zou meer zekerheid bieden om het toekomstige monitoringsnetwerk te baseren op de modeluitkomsten en gebiedservaring van grondeigenaren en gebruikers, aldus het tegenrapport.

Voorts voert zij aan dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan een nulmeting had moeten worden verricht en dat inzichtelijk dient te worden gemaakt wanneer deze nulmeting wel zal plaatsvinden.

10.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat uit kaartuitsnedes van het NLP, waarin onder meer inzicht wordt gegeven in de huidige en toekomstige laagste en hoogste gemiddelde grondwaterstanden, blijkt dat voor de gronden van [appellante sub 2] geen natschade te verwachten is. Haar percelen behoren niet tot de kritische locaties zodat het niet in de rede ligt om voor deze percelen een nulmeting te doen.

10.2. Hiervoor is overwogen dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat op basis van het onderzoek van Royal Haskoning DHV geen verwachting bestaat dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare vernatting van de percelen van [appellante sub 2]. Haar percelen behoren niet tot de kritische locaties, zodat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat in beginsel geen aanleiding bestaat om een nulmeting te doen en om te monitoren. Niettemin hebben provinciale staten ter zitting toegezegd dat zij in overleg met [appellante sub 2] een peilbuis op haar perceel zullen plaatsen teneinde toekomstige waterstandsontwikkelingen te kunnen monitoren.

10.3. Wat betreft de betogen van [appellante sub 2] dat niettemin vooraf een nulmeting had moeten plaatsvinden, dat de gehanteerde methode voor het beslissen over monitoring te beperkt is en dat een andere methodiek volgens haar meer zekerheid zou bieden, overweegt de Afdeling als volgt. Deze aspecten, wat daarvan ook zij, hebben geen betrekking hebben op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgronden moet derhalve buiten beschouwing blijven. Dit geldt eveneens voor hetgeen [appellante sub 2] in dit verband heeft aangevoerd over het ontbreken van een referentiemeetnet en voor haar betoog dat voor het monitoren van de effecten de bestaande meetpunten weer met een vaste frequentie zouden moeten worden opgenomen en dat op kwetsbare punten gerichte meetpunten bijgeplaatst moeten worden.

11. Voorts betoogt [appellante sub 2] dat onvoldoende is verzekerd dat bij optredende schade als gevolg van het plan compensatie plaats zal vinden. Ook is niet duidelijk op welke wijze deze eventuele schade verhaald kan worden.

11.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat [appellante sub 2] in beginsel een beroep kan doen op de nadeelcompensatie-/natschaderegeling wanneer zich natschade voordoet.

11.2. In de IGU staat dat compenserende maatregelen zullen worden genomen waar de set aan maatregelen leidt tot voorziene wateroverlast en/of -schade aan landbouwpercelen of bebouwing. Deze maatregelen bestaan uit de aanleg van peilgestuurde drainage, het ophogen van percelen, het verbeteren van de afwatering rondom aanwezige bebouwing of de afkoop van natschade. Indien er onvoorziene natschade optreedt, dan kan een beroep worden gedaan op de nadeelcompensatie-/natschaderegeling. Verder staat in de IGU dat het uitgangspunt van het waterschap is om natschade die optreedt bij uitvoering van de maatregelen zoveel mogelijk vooraf te regelen. In de uitvoeringsovereenkomst wordt voorts vermeld dat alle natschade, tevens de onvoorziene, die wordt veroorzaakt door maatregelen die niet overeenkomstig het NLP zijn uitgevoerd en buiten goedkeuring of vergunning van het bestuur van het waterschap, voor rekening van de veroorzaker komt. Onvoorziene natschade die wordt veroorzaakt door maatregelen al dan niet overeenkomstig het NLP maar met goedkeuring of vergunning van het bestuur wordt deels door de provincie en deels door het waterschap vergoed.

Op kritische locaties worden de grondwaterstanden gemonitord. Tevens wordt de nulsituatie vastgelegd. Provinciale staten hebben te kennen gegeven dat de natschaderegeling weliswaar gekoppeld is aan de IGU, maar dat het plan nadrukkelijk strekt tot uitvoering van de IGU en bedoeld is om de daarvoor benodigde functieverandering te bewerkstelligen.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de Afdeling voldoende verzekerd dat bij optredende schade als gevolg van het plan de mogelijkheid bestaat om deze schade te verhalen. Het betoog faalt.

12. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 2] ongegrond.

Proceskosten

13. Provinciale staten dienen ten aanzien van [appellante sub 1] en [appellant sub 3] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van [appellante sub 2] geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 3] gegrond;

II. vernietigt het besluit van provinciale staten van Limburg van 4 oktober 2013 tot vaststelling van het inpassingsplan

"Peelvenen-Mariapeel", voor zover dit betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Water" voor de watergang Rengsven;

III. verklaart het beroep van [appellante sub 2] ongegrond;

IV. draagt provinciale staten van Limburg op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het onder punt II. vernietigde plandeel worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

V. veroordeelt provinciale staten van Limburg tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten aan:

a. [appellante sub 1] tot een bedrag van € 474,00 (zegge: vierhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. [appellant sub 3] tot een bedrag van € 474,00 (zegge: vierhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat provinciale staten van Limburg het voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de [appellante sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 3].

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Melenhorst

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014

533-667.