Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3206

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
201309474/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:6753, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 februari 2012 heeft het college zijn beslissing van 12 december 2011 tot onmiddellijke ontmanteling van een hennepkwekerij in het pand op het perceel [locatie] te Barendrecht op schrift gesteld en aan [appellant] medegedeeld dat de kosten van de ontmanteling op hem worden verhaald.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/856

Uitspraak

201309474/1/A1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Barendrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 september 2013 in zaak nr. 12/5103 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2012 heeft het college zijn beslissing van 12 december 2011 tot onmiddellijke ontmanteling van een hennepkwekerij in het pand op het perceel [locatie] te Barendrecht op schrift gesteld en aan [appellant] medegedeeld dat de kosten van de ontmanteling op hem worden verhaald.

Bij besluit van 21 februari 2012 heeft het college de kosten van de toepassing van bestuursdwang vastgesteld op € 4.417,89 en bij [appellant] in rekening gebracht.

Bij besluit van 16 oktober 2012 heeft het college het door [appellant] tegen die besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een aanvullend stuk daarop ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juli 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Wijling, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.L. Scheppink, A.J. Verhoecks en G. van Gastelen, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college geen opdracht tot bestuursdwang heeft gegeven. Dat de feitelijke ontmanteling van de hennepkwekerij is uitgevoerd door ambtenaren van de gemeente Rotterdam, belast met toezicht en handhaving, betekent niet dat het college de beslissing om tot handhavend optreden over te gaan, dat later op schrift is gesteld, niet heeft genomen.

2. Voor zover [appellant] ter zitting van de Afdeling heeft gesteld dat niet duidelijk is of het pand - niet zijnde een woning - met een machtiging is betreden, wordt overwogen dat het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom dat niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en hij dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, zodat dit buiten beschouwing dient te blijven.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank de behandeling van zijn betoog over de in het besluit van 6 februari 2012 vermelde overtredingen ten onrechte heeft beperkt tot artikel 2.52 van het Bouwbesluit 2003. Daartoe voert hij aan dat de verhouding tussen de in het besluit van 6 februari 2012 vermelde overtredingen niet duidelijk is. [appellant] bestrijdt dat het pand geen veilige voorziening voor elektriciteit had.

3.1. Volgens de verklaring van een fraudespecialist van Stedin Netbeheer B.V. van 13 december 2011 met bijlagen waaronder het bijbehorende verslag van waarnemingen, alsmede de "checklist ontmanteling hennepkwekerijen" van 12 december 2011, was er in het pand gevaarzetting doordat de elektriciteitsvoorziening op een gevaarlijke en onprofessionele wijze was aangelegd, trafo's en lampen op hout waren bevestigd, open aansluitingen aanwezig waren en de installatie in de meterkast was gemanipuleerd om illegaal aftappen van stroom mogelijk te maken. Gelet hierop, heeft de rechtbank terecht overwogen dat artikel 2.52 van het Bouwbesluit is overtreden en dat het college derhalve bevoegd was tot handhavend optreden over te gaan. Geen grond is aanwezig voor het oordeel dat de rechtbank de bespreking van het betoog van [appellant] niet heeft mogen beperken tot de in het besluit van 6 februari 2012 door het college vooropgestelde overtreding van artikel 1b, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woningwet.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Daartoe voert hij aan dat hij een deel van het pand heeft onderverhuurd en dat zijn huurder zonder zijn medeweten een hennepkwekerij heeft opgericht. [appellant] stelt dat hij voldoende toezicht heeft gehouden en voldoende maatregelen heeft genomen om misbruik te voorkomen, in welk verband hij wijst op een beveiligingscontract met Trigion Beveiliging B.V.

4.1. [appellant] stelt terecht dat de omstandigheid dat hij huurder is van het pand, niet reeds tot de conclusie leidt dat hij kan worden aangemerkt als overtreder. Voor de vraag of [appellant] als overtreder kan worden aangemerkt is van belang of hij wist, dan wel redelijkerwijs had kunnen weten, dat het pand als hennepkwekerij werd gebruikt.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat [appellant], gelet op de volgende omstandigheden, wist, dan wel redelijkerwijs had kunnen weten, dat het pand als hennepkwekerij werd gebruikt en dat hij als overtreder kan worden aangemerkt. Daartoe heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat niet aannemelijk is gemaakt dat [appellant] het deel van het pand waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, heeft onderverhuurd, nu [appellant] geen schriftelijke huurovereenkomst met betrekking tot de onderhuur en geen bewijs van huurbetalingen van een onderhuurder heeft overgelegd en er evenmin enig objectief en verifieerbaar gegeven over de identiteit van de onderhuurder is. Ook indien voor zover het bestaan van onderhuur wel aangenomen zou worden, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat [appellant] redelijkerwijs niet had kunnen weten dat het pand als hennepkwekerij werd gebruikt. Daarbij heeft zij terecht betrokken dat ook in het deel van de ruimte dat [appellant] naar zijn zeggen niet onderverhuurd had, aanwijzingen waren voor de aanwezigheid van de hennepkwekerij, waaronder een optisch waarneembaar gemanipuleerde meterkast. Gelet hierop en de omvang van de hennepkwekerij - onder meer 720 planten - in aanmerking genomen, wordt niet aannemelijk geacht dat de hennepkwekerij bij de door [appellant] gestelde regelmatige controles van het pand door, dan wel namens hem, niet zouden worden ontdekt.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de kosten voor het toepassen van bestuursdwang onvoldoende heeft gespecificeerd en dat de doorberekening daarvan aan hem tot een te hoog bedrag heeft plaatsgevonden.

5.1. Geen grond is aanwezig voor het oordeel dat de rechtbank niet heef onderkend dat het college de kosten voor de toepassing van bestuursdwang onvoldoende heeft gespecificeerd. In dat verband wordt overwogen dat het college in de "calculatie ontruiming hennepplantage" van 12 december 2011 en in het rapport van bevindingen over de ontmanteling van de hennepkwekerij van die datum de uren van vier betrokken medewerkers inzichtelijk heeft gemaakt, alsmede de kosten van het vervoer van en naar de afvalverwerking, de afvalverwerking, de verslaglegging over de ontmanteling en de materiaalkosten. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de in rekening gebrachte kosten onredelijk hoog zijn. De stelling van [appellant] dat het college de kosten van de bestuursdwang had kunnen beperken door de ontmanteling door ambtenaren van de gemeente Barendrecht te laten uitvoeren en niet, zoals het heeft gedaan, de Roteb in te schakelen, biedt daarvoor onvoldoende grond. Voorts heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de in rekening gebrachte kosten niet redelijk zijn.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

w.g. Van Kreveld w.g. Wijgerde

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014

672.