Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3199

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
201308843/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Katwijkerbuurt" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308843/1/R4.

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], allen wonend te [woonplaats], gemeente Pijnacker-Nootdorp,

2. [appellanten sub 2], gevestigd te [plaats], gemeente Pijnacker-Nootdorp,

en

de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Katwijkerbuurt" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende], handelend onder de naam [belanghebbende], heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2014, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door drs. B. de Klerk, [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door haar vennoten [vennoot a en b], bijgestaan door A.J. Kranenburg, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Dorrepaal en drs. A. Wamsteeker, zijn verschenen.

Overwegingen

Het plan

1. Het plan biedt een actueel juridisch-planologisch kader voor de percelen grenzend aan de Katwijkerlaan, de Keulseweg en een deel van de Molenlaan te Pijnacker, tezamen aangeduid als de Katwijkerbuurt. Het plan is conserverend van aard, maar voorziet op enkele locaties aan de Katwijkerlaan en Keulseweg in de mogelijkheid tot herontwikkeling in het kader van de Ruimte-voor-Ruimte regeling. Het plan voorziet ook in de verplaatsing van de kas van [belanghebbende] op het perceel [locatie a].

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een plan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 2]

3. [appellanten sub 2] kan zich niet verenigen met het plan voor zover hierin niet wordt voorzien in een uitbreiding van 10% voor haar caravanstalling aan de [locatie] te [plaats]. Volgens haar stelt de raad ten onrechte dat caravanstallingen niet in een concurrentiemarkt functioneren en het daarom niet noodzakelijk is daarvoor groeimogelijkheden te bieden. [appellanten sub 2] betoogt dat overeenkomstig het gemeentelijk beleid op dit punt aan haar bedrijf, net als aan andere bedrijven, een uitbreidingsmogelijkheid dient te worden gegeven en dat uitbreiding bovendien kan bijdragen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

3.1. De raad stelt dat het plan ten opzichte van het vorige bestemmingsplan "Groenzone Berkel-Pijnacker" een substantiële verruiming biedt van zowel de gebruiks- als de bouwmogelijkheden voor het perceel [locatie b].

3.2. Het perceel [locatie b] heeft de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 10".

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 10" bestemd voor een caravanstalling en mag de maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen 5.545 m² bedragen.

3.3. In de plantoelichting staat dat bestaande bedrijven in het plangebied specifiek per bedrijf zijn bestemd. In de regels is daartoe in de bestemmingsomschrijving een tabel opgenomen waarin per bedrijf de toegestane oppervlakte aan bedrijfsgebouwen is vastgelegd. De in dit plan toegestane oppervlakte is iets (10%) groter dan de bestaande oppervlakte, indien althans de bestaande oppervlakte nog niet was ‘opgevuld’ tot de in het vorige bestemmingsplan toegestane oppervlakte, aldus de plantoelichting.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat met de vaststelling van het vorige bestemmingsplan "Groenzone Berkel-Pijnacker" in 2006 de toegestane bebouwingsoppervlakte van de caravanstalling van [appellanten sub 2] is uitgebreid van 1.510 m² naar 5.110 m². Voorts blijkt dat de thans op het perceel [locatie b] aanwezige bedrijfsbebouwing ten behoeve van de caravanstalling in het plan als zodanig is bestemd met een oppervlakte van 5.545 m². Gelet hierop is in het plan voor dit perceel de maximale oppervlakte aan toegestane bedrijfsbebouwing ten opzichte van het vorige bestemmingsplan verruimd met 435 m², wat neerkomt op een uitbreiding van ongeveer 8,5%. Verder is met het plan het bestemmingsvlak met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van het perceel [locatie b] met bijna 3.000 m² verruimd en is een ruimere maximale goot- en bouwhoogte opgenomen.

3.4. Gelet op het voorgaande biedt het plan gezien de feitelijke situatie op het perceel [locatie b] geen uitbreiding van de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen. De raad heeft ter zitting toegelicht een verdere uitbreiding van de caravanstalling niet wenselijk te achten gezien de ligging van het perceel aan het zogeheten Groenzonelint, waar door het saneren van de bestaande bedrijvigheid en het ontwikkelen van een recreatie- en natuurgebied wordt getracht de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren.

In hetgeen [appellanten sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het gemeentelijke beleid ten aanzien van de uitbreiding van bestaande bedrijven met 10% onvoldoende heeft betrokken bij de vaststelling van het plan. De Afdeling neemt hiertoe in aanmerking dat de in het plan toegestane maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen met bijna 10% is verruimd ten opzichte van het vorige bestemmingsplan, terwijl, gezien de hiervoor geciteerde passage van de plantoelichting, de bestaande oppervlakte reeds was ‘opgevuld’ tot de in het vorige bestemmingsplan toegestane oppervlakte aan bedrijfsbebouwing en deze zelfs overschreed. Voorts heeft de raad in redelijkheid gewicht kunnen toekennen aan de ligging van voornoemd perceel aan het Groenzonelint. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het desbetreffende gebied dan aan het belang van [appellanten sub 2] bij een verdere uitbreiding van haar caravanstalling.

3.5. Over de door [appellanten sub 2] gemaakte vergelijking met de in het plan toegestane uitbreidingsmogelijkheid voor het transportbedrijf op het perceel [locatie c] wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat dit perceel grotendeels grenst aan het naastgelegen bedrijventerrein en daarmee niet gelegen is aan het Groenzonelint. In hetgeen [appellanten sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door haar genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

4. Het beroep van [appellanten sub 2] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 1]

5. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

6. [belanghebbende] stelt dat [appellanten sub 1] niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt vanwege de afstand van hun woningen tot de voorziene kas. De raad stelt dat [twee van appellanten sub 1] niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt.

6.1. In de uitspraak van 7 januari 2014 in zaak nr. 201308843/2/R4 op het verzoek om voorlopige voorziening van [appellanten sub 1] heeft de voorzitter het aannemelijk geacht dat vanuit de woningen van [appellanten sub 1], gelegen op een afstand van 100 dan wel 150 m, enig zicht op de voorziene kas zal ontstaan. Gelet hierop en op de aard en omvang van de voorziene ontwikkeling was de voorzitter van oordeel dat [appellanten sub 1] belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

De Afdeling ziet in de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding om tot een ander oordeel dan dat van de voorzitter te komen.

7. [appellanten sub 1] kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover hierin wordt voorzien in de verplaatsing van een kas op het perceel [locatie a] te Pijnacker door middel van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - kas 1". Zij betogen dat hen onvoldoende inspraak is geboden en dat de raad onvoldoende is ingegaan op de door hen naar voren gebrachte zienswijzen. [appellanten sub 1] voeren aan dat de verplaatsing van de kas in strijd is met het provinciale en gemeentelijk beleid dat een open weide- en waterlandschap, de zogeheten Groenzone, voorstaat. Voorts heeft de raad volgens hen het vertrouwensbeginsel geschonden gezien de verwachtingen die zijn gewekt dat ter plaatse geen kassenbouw wordt toegestaan. [appellanten sub 1] betwisten daarbij, gezien de ter plaatse gevestigde kwekerij, het hobbymatige gebruik van de kas.

[appellanten sub 1] vrezen dat de in het plan voorziene verplaatsing van de kas, mede gezien de toegestane grootte van de kas en de uitbreidingsmogelijkheid van 10% die het plan biedt, leidt tot een verslechtering van hun woon- en leefklimaat en ten koste gaat van de landschappelijke waarden van het open weidegebied. Zij voeren in dit verband aan dat hun uitzicht zal worden belemmerd en dat moet worden gevreesd voor lichthinder en aantasting van de privacy. Volgens [appellanten sub 1] is het plan hierom, en vanwege de te verwachten waardedaling van hun woningen, in strijd met artikel 1 van het Eerste protocol van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), alsmede met artikel 8 van het EVRM. Zij betogen tot slot dat het plan zich niet verdraagt met de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw), nu onvoldoende onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van beschermde diersoorten in het plangebied.

7.1. De raad stelt dat de verplaatsing van de kas leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en daarmee overeenkomstig het provinciale en gemeentelijk beleid bijdraagt aan de realisatie van de Groenzone. De raad wijst op de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden die het vorige bestemmingsplan "Groenzone Berkel-Pijnacker" uit 2006 ten behoeve van glastuinbouw bood. Gelet hierop leidt het plan niet tot een onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat van [appellanten sub 1], aldus de raad.

7.2. Het perceel [locatie a] heeft, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch - Weide" met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - kas 1".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Weide" aangewezen gronden bestemd voor weide en hobbymatig, niet-bedrijfsmatig grondgebonden agrarisch gebruik.

Ingevolge lid 5.2, aanhef en onder c, mag op gronden als bedoeld in lid 5.1 uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - kas 1" een kas worden gebouwd waarvan de oppervlakte niet meer dan 2420 m² en de goothoogte niet meer dan 6 m mag bedragen.

7.3. In de plantoelichting staat dat thans naast de monumentale boerderij op het perceel [locatie a] een kas direct aan de Molenlaan is gelegen. In het kader van het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, het versterken van de entree van de Groenzone en het afronden van de bomenlaan langs deze weg, zal deze kas worden verplaatst. De huidige locatie van de kas krijgt de bestemming "Agrarisch - Weide" en de kas komt terug achter de boerderij op het perceel [locatie a]. De gronden waarop de kas wordt terug gebouwd maken deel uit van een groter perceel waarop thans de bestemming "Glastuinbouw" rust. Deze bestemming wordt in het plan omgezet naar de bestemming "Agrarisch - Weide" met een bijzondere aanduiding die een kas van een beperkte omvang mogelijk maakt. Doordat de nieuwe locatie achter de woonboerderij ligt, wordt het doorzicht vanaf de Katwijkerlaan niet belemmerd. Met de bestemmingswijziging neemt bovendien het oppervlak aan glastuinbouw af en neemt de afstand tot bestaande (burger)woningen toe, aldus de plantoelichting.

7.4. De Afdeling is van oordeel dat de betogen van [appellanten sub 1] ten aanzien van de procedurele bezwaren, de waardevermindering van hun woningen, de strijdigheid van het plan met het EVRM, en dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat, falen en verwijst voor de motivering van dit oordeel naar de overwegingen 6 en 7, 11.1 en 13.1, van de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 7 januari 2014 in zaak nr. 201308843/2/R4. De Afdeling ziet in de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding om tot een ander oordeel dan dat van de voorzitter te komen.

7.5. Ten aanzien van het betoog van [appellanten sub 1] dat de verplaatsing van de kas in strijd is met het provinciaal en gemeentelijk beleid en zij in dit verband wijzen op de Gebiedsvisie Katwijkerbuurt 2009, het Masterplan Oostland/Groenzone Berkel-Pijnacker uit 2009, de Nota Ruimtelijke Ordeningsbeleid 2012 en de brief van 8 mei 2007 van toenmalig wethouder Van der Kraan, overweegt de Afdeling als volgt.

In de plantoelichting staat dat de Gebiedsvisie Katwijkerbuurt als uitgangspunt is gehanteerd bij de vaststelling van het plan. Deze Gebiedsvisie strekt tot het versterken van de openheid van de bebouwingslinten en het creëren van doorzichten naar de groengebieden. In het Masterplan wordt voor het gebied Katwijkerlaan als uitgangspunt gehanteerd om een recreatieve en ecologische verbinding tussen de Groenzone en De Balij te realiseren.

De raad heeft uiteengezet dat ten zuiden van het plangebied de - op provinciale plannen gebaseerde - Groenzone Berkel-Pijnacker tot ontwikkeling wordt gebracht en ten noorden van het plangebied inmiddels het groengebied Balijbos is gerealiseerd. De bedoeling is om het Balijbos en de Groenzone via de Katwijkerlaan en de Molenlaan op elkaar aan te laten sluiten, waarbij de Molenlaan volgens de raad in de toekomst de entree vormt van het achterliggende groengebied en tegelijkertijd een belangrijke schakel vormt in de verbinding van beide groengebieden. Handhaving van de bestaande kas van [belanghebbende] op de hoek van de Molenlaan en de Katwijkerlaan acht de raad met het oog op de gewenste ruimtelijke kwaliteit van een entree- en verbindingsfunctie dan ook niet wenselijk.

In het licht van het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het provinciale beleid ten aanzien van het ontwikkelen van de Groenzone onvoldoende heeft betrokken bij de vaststelling van het plan. De door [appellanten sub 1] genoemde brief van 8 mei 2007 maakt dit niet anders, reeds omdat deze niet ziet op de thans aan de orde zijnde verplaatsing van de kas op het perceel [locatie a].

De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de in het plan voorziene verplaatsing van de kas zich niet verdraagt met de hiervoor weergegeven uitgangspunten van de Gebiedsvisie Katwijkerbuurt en het Masterplan Oostland/Groenzone Berkel-Pijnacker. Tot slot treft de verwijzing van [appellanten sub 1] naar de Nota Ruimtelijke Ordeningsbeleid 2012 geen doel, nu deze Nota geen betrekking heeft op specifieke bestemmingen, maar op de procedures met betrekking tot het tot stand komen van bestemmingsplannen.

Het betoog faalt in zoverre.

7.6. Voor zover [appellanten sub 1] betogen dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat daadwerkelijk door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat voor de gronden waarop de verplaatsing van de kas is voorzien geen bouwmogelijkheden in het plan zouden worden opgenomen. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de door [appellanten sub 1] in dit verband genoemde motie van de raad van 23 februari 2006 niet ziet op voornoemde gronden. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit punt in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld.

7.7. Voor zover [appellanten sub 1] het hobbymatige karakter van het gebruik van de voorziene kas betwisten en gezien de omvang van de in het plan toegestane kas vrezen voor een verslechtering van hun woon- en leefklimaat, overweegt de Afdeling als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de thans op het perceel aanwezige kas kleiner is dan de in het plan voorziene kas. De raad heeft ter zitting uiteengezet dat met de term hobbymatig in artikel 5, lid 5.1, onder b, van de planregels is bedoeld dat ter plaatse geen volwaardig agrarisch bedrijf is toegestaan en dat bovendien de omvang van de toegestane kas zich niet leent voor het exploiteren van een volwaardig bedrijf. Een bedrijfsmatig gebruik van de in het plan toegestane kas kan volgens de raad gezien de omvang hiervan slechts beperkte hinder met zich brengen. De raad heeft voorts ter zitting toegelicht dat hij wat betreft de goothoogte en de omvang van de kas heeft aangesloten bij de mogelijkheden binnen de bestemming "Glastuinbouw". De raad acht dit aanvaardbaar nu de desbetreffende gronden onder het vorige bestemmingsplan een glastuinbouwbestemming hadden.

Hiermee gaat de raad voorbij aan de beoordeling die hij dient te maken ten aanzien van de planologische aanvaardbaarheid van een beoogde ontwikkeling, waarbij naast de mogelijkheden van het vorige plan, tevens rekening dient te worden gehouden met de bestaande situatie en de belangen van omwonenden. De raad heeft de toegestane vergroting van de kas niet gemotiveerd. Het betoog van de raad dat met het aansluiten bij de bebouwingsmogelijkheden binnen de bestemming "Glastuinbouw" een gelijk aanzicht van de kassen in het desbetreffende gebied wordt beoogd, kan niet worden gevolgd, daar de raad een hobbymatig gebruik van de kas voor ogen staat en ter plaatse gelet op het realiseren van de Groenzone geen glastuinbouw wenst toe te staan. De raad heeft dan ook niet inzichtelijk gemaakt hoe hij de planologische aanvaardbaarheid ten aanzien van de omvang van de in het plan voorziene kas heeft beoordeeld en hoe daarbij de gevolgen hiervan voor het woon- en leefklimaat van [appellanten sub 1] zijn betrokken.

Gelet op het voorgaande heeft de raad onvoldoende gemotiveerd dat de in het plan opgenomen goothoogte en omvang voor de voorziene kas ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Het besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het betoog slaagt.

8. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van rechtsoverweging 7.7 toereikend te motiveren dat de in het plan opgenomen goothoogte en omvang van de voorziene kas ruimtelijk aanvaardbaar zijn, dan wel een andere planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Weide" en de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - kas 1".

De raad dient de Afdeling de uitkomst van voormelde opdracht mede te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast.

De Afdeling ziet aanleiding om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:80b, derde lid, van de Awb te treffen, om onomkeerbare ontwikkelingen te voorkomen.

Proceskosten

9. Ten aanzien van [appellanten sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Ten aanzien van [appellanten sub 1] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de [appellanten sub 2] ongegrond;

II. draagt de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp naar aanleiding van het beroep van [appellanten sub 1] op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van rechtsoverwegingen 7.7 en 8 het daar omschreven gebrek te herstellen; en

- de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventuele wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

III. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp van 13 juni 2013, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Weide" en de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - kas 1".

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Verhoeven, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Verhoeven

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014

690.