Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3191

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
201308008/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Berkelland 2012" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/863
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6398

Uitspraak

201308008/1/R2.

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Berkelland,

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats], gemeente Berkelland

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], gemeente Berkelland,

4. [appellant sub 4 A] en [appellante sub 4 B], beiden wonend te [woonplaats], gemeente Berkelland (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 4]),

5. [appellante sub 5], gevestigd te [plaats], gemeente Berkelland, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beide wonend te [woonplaats], gemeente Berkelland, en [vennoot C], wonend te [woonplaats], gemeente Berkelland (hierna: [appellante sub 5]),

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Beltim Bouwprojecten B.V. en [appellant sub 6], gevestigd te Eibergen onderscheidenlijk wonend te [woonplaats], (hierna tezamen en in enkelvoud: Beltim Bouwprojecten),

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

9. [appellante sub 9], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], gevestigd te [plaats], gemeente Berkelland,

10. [appellant sub 10], wonend te [plaats], gemeente Berkelland,

11. [appellant sub 11 A] en [appellante sub 11 B], beiden wonend te [woonplaats], gemeente Berkelland (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 11]),

12. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats], gemeente Berkelland,

13. [appellant sub 13 A], wonend te [woonplaats], en [appellant sub 13 B], wonend te [woonplaats] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 13]),

14. [appellant sub 14] en anderen, allen wonend te [woonplaats], gemeente Berkelland,

en

de raad van de gemeente Berkelland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Berkelland 2012" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellante sub 5], Beltim Bouwprojecten, [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellante sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13] en [appellant sub 14] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 5], [appellant sub 7] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2014, waar [appellant sub 14] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 14] en bijgestaan door mr. F.B.M. van Aanhold, advocaat te Zutphen, [appellant sub 1], [appellanten sub 2], bijgestaan door mr. F.B.M. van Aanhold, advocaat te Zutphen, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door [appellant sub 1], [appellant sub 4], bijgestaan door [appellant sub 1], [appellante sub 5], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door J.P.E. Baakman, Beltim Bouwprojecten, vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, [appellant sub 7], [appellante sub 9], vertegenwoordigd door [maat A] en [maat B] en bijgestaan door mr. H.P.J.G. Berkers, [appellant sub 10], [appellant sub 11], bijgestaan door ir. L.E. Brouwer, [appellant sub 12], bijgestaan door ing. M.H. Middelkamp en de raad, vertegenwoordigd door drs. G.J. Hans, E.J.E.M. Spanjaard en J. Seinen, allen werkzaam bij de gemeente, en ing. M. Daalwijk, adviseur, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigden], ter zitting als partij gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Berkelland.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 1]. De raad stelt dat [appellant sub 1] geen rechtstreeks belang heeft bij het bestreden besluit gelet op de afstand tussen zijn woning aan de [locatie 1] te [plaats] en het perceel [locatie 2] te [plaats] waaraan in het plan de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 35" is toegekend.

3.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.2. Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 1] dat is beoogd beroep in te stellen namens [bedrijf]., welke rechtspersoon volgens hem een concurrentiebelang heeft bij het bestreden plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 35" betreffende [locatie 2], overweegt de Afdeling dat in het ingediende beroepschrift daarvoor geen aanknopingspunten te vinden zijn. Nu voorts niet op andere wijze binnen de beroepstermijn is gebleken dat het beroep is ingediend namens de rechtspersoon, moet het beroep worden opgevat als ingediend door [appellant sub 1].

[appellant sub 1] woont op een afstand van meer dan twee kilometer van het bestreden plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 35" betreffende [locatie 2]. Vanuit zijn woning heeft hij geen zicht op het betrokken perceel. Deze afstand is naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 1] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. De door [appellant sub 1] genoemde omstandigheid dat in het raadsvoorstel is vermeld dat een ieder die een zienswijze naar voren heeft gebracht beroep kan instellen tegen het besluit, maakt niet dat hij daarom als belanghebbende zou moeten worden aangemerkt. Uit de publicatie van het vastgestelde plan volgt dat alleen belanghebbenden tegen het vastgestelde bestemmingsplan beroep kunnen instellen.

De conclusie is dat [appellant sub 1] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. Het beroep van [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellanten sub 2] ten aanzien van [locatie 2]

4. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van [appellanten sub 2], voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 35" betreffende [locatie 2] te [plaats]. De raad stelt zich op het standpunt dat zij in zoverre geen rechtstreeks belang hebben bij het bestreden besluit gelet op de afstand tussen het bestreden plandeel en hun woning aan de [locatie 3] en hun percelen aan de Koeweidendijk en Kempersdijk. De omstandigheid dat zij deels dezelfde werkzaamheden uitvoeren als het op [locatie 2] gevestigde bedrijf, maakt volgens de raad niet dat sprake is van een rechtstreeks belang.

4.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

4.2. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2007, in zaak nr. 200606317/1), is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende. Dit is bij bestemmingsplannen slechts het geval indien de onderneming in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment werkzaam is als de in het plan voorziene bedrijvigheid.

Het plan maakt op het perceel [locatie 2] een loon- en grondverzetbedrijf en een land- en tuinbouwmechanisatiebedrijf mogelijk. Op het perceel van [appellanten sub 2] is het bestaande loonbedrijf met inpandige stalling, onderhoud en reparatie van het machinepark toegestaan. De afstand tussen het bedrijf van [appellanten sub 2] en het bedrijf op het perceel [locatie 2] bedraagt ongeveer 3 km. Nu niet in geschil is dat het bedrijf van [appellanten sub 2] deels dezelfde werkzaamheden verricht als het op [locatie 2] gevestigde bedrijf en gelet op de afstand tussen de twee bedrijven, acht de Afdeling aannemelijk dat zij zich in zoverre richten op hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied als het op dat perceel toegestane loonbedrijf, zodat niet is uitgesloten dat het plan de omzet van hun bedrijf negatief beïnvloedt. De Afdeling is dan ook van oordeel dat het belang van [appellanten sub 2] rechtstreeks is betrokken bij het door de raad genomen besluit.

5. [appellanten sub 2] hebben bezwaar tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 35" betreffende [locatie 2]. Zij betogen dat hiermee ten onrechte op een korte afstand van hun bedrijf een soortgelijk bedrijf van milieucategorie 4.2 mogelijk is gemaakt. Vanuit concurrentieoverwegingen en gelet op de ligging van het perceel is volgens [appellanten sub 2] ter plaatse slechts een bedrijf van milieucategorie 3.2 aanvaardbaar.

5.1. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven zoals opgenomen in de ‘Tabel Bedrijven’ bij dit artikel.

Uit de Tabel Bedrijven volgt dat ter plaatse van [locatie 2] een loon- en grondverzetbedrijf en land- en tuinbouwmechanisatiebedrijf van milieucategorie 2 tot en met 4.2 is toegestaan.

5.2. De raad heeft toegelicht dat met de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 35" aan de gronden betreffende [locatie 2] de bestaande legale activiteiten van het bedrijf zijn bestemd. [appellanten sub 2] hebben dit niet bestreden. Voor zover [appellanten sub 2] wijzen op een mogelijke aantasting van hun concurrentiepositie, overweegt de Afdeling dat de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) er niet toe strekt bedrijven tegen de vestiging van concurrerende bedrijven in hun verzorgingsgebied te beschermen. Concurrentieverhoudingen vormen bij een planologische belangenafweging in beginsel geen in aanmerking te nemen belang, tenzij zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenpatroon zal voordoen die niet door dwingende redenen wordt gerechtvaardigd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 18 september 2013 in zaak nr. 201208105/1/R2, is voor de beoordeling van de vraag of gevreesd moet worden voor een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau doorslaggevend of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften. Nu het op het perceel toegestane bedrijf naar zijn aard niet bijdraagt aan de mogelijkheid te voorzien in de eerste levensbehoeften, bestaat reeds daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het plan tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal leiden, zodat de raad daarin geen aanleiding heeft hoeven zien de bedrijfsactiviteiten van milieucategorie 4.2 niet toe te staan. Voorts hebben [appellanten sub 2] niet onderbouwd waarom de toegestane bedrijfsactiviteiten ter plaatse niet ruimtelijk aanvaardbaar zijn. In hetgeen zij hebben aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 35" aan de gronden betreffende [locatie 2] heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

5.3. Het beroep van [appellanten sub 2], voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 35" betreffende [locatie 2], is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3] ten aanzien van [locatie 4]

6. [appellant sub 3] heeft bezwaar tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Groen - Landschapselement" betreffende [locatie 4]. Hij betoogt dat hiermee ten onrechte zijn recreatiewoning niet is bestemd. De door de raad gestelde voorwaarden dat de recreatiewoning nog moet kunnen worden gebruikt en nog in gebruik is, zijn naar zijn mening niet opgenomen in het aan het plan ten grondslag gelegde uitgangspunt ten aanzien van solitaire recreatiewoningen. Volgens [appellant sub 3] kan de omstandigheid dat de recreatiewoning niet meer in gebruik is bovendien niet aan hem worden tegengeworpen, aangezien het gebruik is beëindigd in verband met op het naastgelegen perceel door het gemeentebestuur gedoogde illegale activiteiten. Voorts wijst hij erop dat de recreatiewoning bij een inventarisatie begin jaren ‘80 door de voormalige gemeente Neede is erkend als recreatiewoning.

6.1. De raad stelt dat weliswaar begin jaren ‘80 door de voormalige gemeente Neede is geconstateerd dat ter plaatse een recreatiewoning aanwezig is, maar dat dit er niet zondermeer toe leidt dat de recreatiewoning had moeten worden bestemd. Gelet op de slechte staat van de recreatiewoning en de omstandigheid dat de recreatiewoning niet meer in gebruik is, acht de raad het niet wenselijk om de recreatiewoning als zodanig te bestemmen.

6.2. [appellant sub 3] is eigenaar van een solitaire recreatiewoning op het perceel [locatie 4]. Aan deze gronden is de bestemming "Groen - Landschapselement" toegekend. Uit artikel 10, lid 10.1, van de planregels volgt dat de voor deze gronden aangewezen bestemming geen recreatiewoning toelaat. In het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied" waren de gronden bestemd voor "Agrarisch gebied". Uit artikel 6 van de planvoorschriften van dat plan volgt dat de recreatiewoning op grond van dat plan evenmin was toegestaan.

6.3. In de plantoelichting staat dat de meeste solitaire recreatiewoningen in de voorgaande bestemmingsplannen al als zodanig zijn bestemd. Ten aanzien van solitaire recreatiewoningen in het buitengebied van de voormalige gemeente Neede is voorts vermeld dat begin jaren ’80 een inventarisatie is uitgevoerd naar recreatieverblijven in het buitengebied die onder de werking van het overgangsrecht vielen. Deze inventarisatie heeft de raad thans betrokken bij het toekennen van de bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" in het gedeelte van het plangebied dat voorheen tot de gemeente Neede behoorde. Daar waar bij de totstandkoming van dit bestemmingsplan nog altijd een recreatiewoning aanwezig was, is thans deze bestemming toegekend, aldus de plantoelichting.

6.4. Vaststaat dat bij de inventarisatie begin jaren ’80 is geconstateerd dat op het perceel van [appellant sub 3] een recreatiewoning aanwezig was. De raad heeft te kennen gegeven dat in dit geval evenwel geen aanleiding bestaat om de recreatiewoning als zodanig te bestemmen. Daarbij wijst de raad op het in de plantoelichting opgenomen uitgangspunt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat volgens de raad het in de plantoelichting opgenomen uitgangspunt aldus moet worden uitgelegd dat alleen recreatiewoningen waarvan het gebruik op grond van het voorgaande bestemmingsplan was toegestaan, in het plan zijn opgenomen. De Afdeling ziet geen aanleiding deze uitleg onredelijk te achten. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de recreatiewoning van [appellant sub 3] zonder bouwvergunning is opgericht en ten tijde van de vaststelling van het plan niet meer in gebruik was. Hieruit volgt dat de recreatiewoning niet op grond van het overgangsrecht van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Neede, herziening 1987" was toegestaan. Voor zover [appellant sub 3] in dit kader betoogt dat de omstandigheid dat de recreatiewoning niet meer in gebruik is niet aan hem kan worden tegengeworpen, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik gestaakt is als gevolg van, zoals hij stelt, illegale bedrijfsactiviteiten op het naastgelegen perceel. Bovendien is niet gebleken dat [appellant sub 3] enig onderhoud aan de recreatiewoning heeft gepleegd, zodat de raad er niet van uit hoefde te gaan dat hij de intentie had het gebruik te hervatten. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de recreatiewoning niet voldoet aan het aan het plan ten grondslag gelegde uitgangspunt voor het toekennen van de bestemming "Recreatie - Recreatiewoning". Voorts heeft [appellant sub 3] niet gemotiveerd op grond waarvan de raad aanleiding had moeten zien om van zijn aan het plan ten grondslag gelegde uitgangspunt af te wijken. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van het toekennen van de bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" aan gronden betreffende [locatie 4]. Het betoog faalt.

6.5. Het beroep van [appellant sub 3], zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Groen - Landschapselement" betreffende [locatie 4], is ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 3] en [appellanten sub 2] voor het overige

7. Het beroep van [appellanten sub 2] is verder gericht tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - 06" betreffende [locatie 3]. Zij betogen dat de raad ten onrechte het gebruik van het hele perceel voor bedrijfsdoeleinden met daaraan ondergeschikt agrarisch gebruik niet mogelijk heeft gemaakt.

[appellanten sub 2] voeren aan dat het college van burgemeester en wethouders bij brief van 24 december 2010 heeft toegezegd dat aan het hele perceel een bedrijfsbestemming zou worden toegekend. Voorts betogen zij dat de door hen gewenste bestemming wel aan de gronden betreffende het perceel Flipsweg 13a in Rietmolen en het perceel Vredensebaan 1a in Rekken is toegekend, zodat het plan naar hun mening in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld.

[appellanten sub 2] wijzen er verder op dat sinds lange tijd bedrijfsactiviteiten plaatsvinden op het perceel. Met de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - 06" heeft de raad volgens hen dit gebruik ten onrechte beperkt. Zij stellen in dit kader dat het gebruik van het terrein voor de stalling van voertuigen niet is toegestaan en dat door de beperkte omvang van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - 06" de schuur niet bereikbaar is, aangezien de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden", zoals toegekend aan de omringende gronden, het gebruik als toegangsweg niet toestaat. Het plan biedt volgens [appellanten sub 2] daarnaast ten onrechte geen uitbreidingsruimte voor hun loonbedrijf. Bovendien is geen ruimte geboden voor een eventuele uitbreiding van de bedrijfsbebouwing in de toekomst, aldus [appellanten sub 2]. Daarnaast betogen [appellanten sub 2] dat de raad ten onrechte niet milieucategorie 4.2 aan hun gronden heeft toegekend.

Voor zover de raad stelt dat een agrarische bestemming in plaats van een bedrijfsbestemming aan de gronden is toegekend gelet op de door hen overgelegde plannen, betogen [appellanten sub 2] dat deze plannen slechts zien op een deel van het perceel.

Daarnaast biedt het plan volgens [appellanten sub 2] ten onrechte geen ruimte voor de bouw van een windmolen.

8. Het beroep van [appellant sub 3] is eveneens gericht tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" met de aanduiding "bouwvlak" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - 06" betreffende [locatie 3].

Ten aanzien van het op het perceel toegestane loonbedrijf voert [appellant sub 3] aan dat niet gebleken is dat op het perceel dergelijke activiteiten plaatsvinden en verder dat uit de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2012 in zaak nr. 201103277/1/A4 volgt dat het bestaande gebruik niet is toegestaan op grond van het overgangsrecht van het voorgaande bestemmingsplan, zodat de raad niet gehouden is dit gebruik als zodanig te bestemmen.

Voorts betoogt [appellant sub 3] dat ten onrechte een agrarisch bedrijf op het perceel mogelijk is gemaakt. Daartoe voert hij aan dat het bedrijf kleiner is dan 10 Nederlandse grootte-eenheden (hierna: Nge) en dat niet is gebleken dat op het perceel agrarische bedrijfsactiviteiten plaatsvinden dan wel dat een vergunning is verleend voor het uitvoeren van agrarische activiteiten, zodat de raad volgens [appellant sub 3] ten onrechte is afgeweken van de aan het plan ten grondslag gelegde uitgangspunten voor het toekennen van een agrarisch bouwvlak. Voorts wijst hij erop dat bij andere percelen de in de plantoelichting genoemde voorwaarden voor het toekennen van een agrarisch bouwvlak wel strikt zijn toegepast.

Verder betoogt [appellant sub 3] dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de ruimtelijke gevolgen van een agrarisch bedrijf op het perceel. De raad heeft naar zijn mening ten onrechte niet gemotiveerd op grond waarvan in dit geval kon worden afgeweken van de in de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" van 2009 (hierna: VNG-brochure) aanbevolen richtafstanden tussen agrarische bedrijven en een zorginstelling, aldus [appellant sub 3]. Daarnaast voert hij aan dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht of het bedrijf in een Landbouwontwikkelingsgebied (hierna: LOG) gevestigd kan worden.

8.1. De raad stelt dat aan de gronden van [appellanten sub 2] een agrarische bestemming is toegekend aangezien zij bij de voorbereiding van het plan te kennen hebben gegeven dat zij plannen hebben om het agrarische gebruik van de gronden voort te zetten en uit te breiden. Daartoe hebben zij volgens de raad een schetsplan overgelegd voor een agrarisch bedrijfsgebouw. Daarnaast wijst de raad erop dat in het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Neede, herziening 1987" ook een agrarische bestemming aan de gronden was toegekend. Voorts stelt de raad dat in het plan alleen de niet-agrarische bedrijfsactiviteiten zoals vergund in 1985 zijn toegestaan gelet op het aan het plan ten grondslag gelegde uitgangspunt dat slechts beperkte uitbreidingsmogelijkheden worden geboden aan niet-agrarische bedrijven.

8.2. Aan de gronden betreffende [locatie 3] is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de aanduiding "bouwvlak" toekend. Verder is aan een deel van het plandeel de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - 06" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met Waarden - Landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarische doeleinden, waaronder mede wordt verstaan agrarisch natuurbeheer, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen;

b. grondgebonden agrarische bedrijven;

c. niet-grondgebonden agrarische bedrijven;

[..]

k. de uitoefening van niet-agrarische bedrijfsfunctie, zoals opgenomen in navolgende tabel, ondergeschikt aan het agrarisch bedrijf;

Uit de tabel volgt dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - 06" een loonbedrijf (inpandige stalling, onderhoud en reparatie van het machinepark) is toegestaan.

l. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapswaarden in het algemeen;

[..]

8.3. In het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Neede, herziening 1987" was aan de gronden de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend, waarmee de gronden bestemd waren voor een agrarisch bedrijf.

8.4. Het plan staat op een deel van het perceel een loonbedrijf (inpandige stalling, onderhoud en reparatie van het machinepark) toe. Het westelijke en het noordoostelijke deel van het perceel zijn enkel bestemd voor agrarische doeleinden, zodat het plan niet voorziet in het door [appellanten sub 2] gewenste gebruik van het hele perceel voor bedrijfsdoeleinden. Niet in geschil is dat het westelijke en het noordoostelijke deel van het perceel ten tijde van de vaststelling van het plan niet in gebruik waren voor niet-agrarische bedrijfsactiviteiten.

8.5. Voor zover [appellanten sub 2], onder verwijzing naar een brief van 24 december 2010 van het college van burgemeester en wethouders, betogen dat een bedrijfsbestemming aan het hele perceel had moeten worden toegekend gelet op het vertrouwensbeginsel, wordt overwogen dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij het college, maar bij de raad. Bovendien is in de door [appellanten sub 2] bedoelde brief van 24 december 2010 weliswaar vermeld dat het college voornemens is om een bedrijfsbestemming aan hun gronden toe te kennen, maar voorts is vermeld dat de precieze invulling nog nader zal worden bekeken. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Het betoog faalt.

8.6. Over de door [appellanten sub 2] gemaakte vergelijking met Flipsweg 13a te Rietmolen en Vredensebaan 1a te Rekken wordt het volgende overwogen. Aan Flipsweg 13a is de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 2" toegekend, waarmee naast de bestaande bedrijfsactiviteiten tevens opslag ten behoeve van akkerbouw is toegestaan. Aan Vredensebaan 1a is de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 118" toegekend, waarmee naast de bestaande bedrijfsactiviteiten tevens het houden van vee is toegestaan. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat op het perceel Flipsweg 13a, anders dan op het perceel van [appellanten sub 2], het grootste deel van de bestaande activiteiten niet-agrarische activiteiten betreft zodat een bedrijfsbestemming in dat geval de meest passende bestemming is. Ten aanzien van Vredensebaan 1a stelt de raad dat een bedrijfsbestemming in plaats van een agrarische bestemming aan de gronden is toegekend omdat aan die gronden in het voorgaande bestemmingsplan, anders dan de gronden van [appellanten sub 2], reeds een niet-agrarische bestemming was toegekend, zodat ter plaatse rekening moet worden gehouden met bestaande rechten en voorts dat het toekennen van een bedrijfsbestemming in die situatie in overeenstemming is met het uitgangspunt om geen ruimere planologische mogelijkheden te bieden dan het vorige planologische regime. In hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door hen genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

8.7. In de plantoelichting staat dat een toename van niet-agrarische functies en niet functioneel aan het buitengebied gebonden functies in beginsel niet wordt toegestaan. De in het plan opgenomen bouw- en bestemmingsvlakken voor niet-agrarische bedrijven zijn daarom gebaseerd op het huidige gebruik volgens de laatst beschikbare luchtfoto’s, aldus de plantoelichting.

Voor de vraag wat het huidige niet-agrarische gebruik op het perceel van [appellanten sub 2] omvat, heeft de raad in dit geval tevens aansluiting gezocht bij in 1985 verleende bouw- en Hinderwetvergunningen voor het oprichten van een werktuigstalling/werkplaats en voor het uitoefenen van een loonwerkbedrijf. Ter zitting heeft de raad gesteld dat gebleken is dat de in 1985 met vergunning opgerichte schuur nog steeds aanwezig is en dat tegen het gebruik dat niet in 1985 is vergund, handhavend is opgetreden, zodat het bestaande gebruik alleen het in 1985 toegestane gebruik omvat. [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] hebben dit niet gemotiveerd bestreden. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - 06", het huidige gebruik, overeenkomstig zijn aan het plan ten grondslag gelegde uitgangspunt, als zodanig is bestemd.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten afwijken van zijn aan het plan ten grondslag gelegde uitgangspunt dat een uitbreiding van niet-agrarische functies in beginsel niet wordt toegestaan. Daartoe wordt overwogen dat [appellanten sub 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat met de toegekende omvang van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - 06" hun bestaande bedrijfsactiviteiten niet kunnen worden voortgezet. Ter zitting heeft de raad in dit kader te kennen gegeven dat het stallen van de door [appellanten sub 2] bedoelde voertuigen is toegestaan op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden", welke gronden op grond van artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder t, van de planregels tevens bestemd zijn voor bij de bestemming behorende voorzieningen zoals erfverhardingen en parkeervoorzieningen.

Voor zover [appellanten sub 2] aanvoeren dat hun bedrijf door de omvang van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - 06" wordt beperkt nu weliswaar de bestaande schuur die voor hun loonbedrijf wordt gebruikt, is bestemd, maar deze niet bereikbaar is nu aan de omliggende gronden de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" is toegekend, is van belang dat ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder r, van de planregels de voor die bestemming aangewezen gronden tevens bestemd zijn voor (onverharde) paden en wegen, zodat met het plan is voorzien in een adequate ontsluiting van het in de bedrijfsbebouwing toegestane loonbedrijf. Daarnaast is niet gebleken dat [appellanten sub 2] ten tijde van de vaststelling van het plan concrete plannen hadden om de bedrijfsactiviteiten en bedrijfsbebouwing van hun loonbedrijf uit te breiden. Temeer nu niet in geschil is dat zij plannen hebben om een deel van de gronden voor agrarische doeleinden in gebruik te houden. Voorts hebben [appellanten sub 2] niet gemotiveerd op grond waarvan de raad loonbedrijfsactiviteiten van milieucategorie 4.2, voor zover daarmee meer activiteiten zouden zijn toegestaan dan het plan thans op het perceel toestaat, had moeten toestaan.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid een groter gewicht mogen toekennen aan het aan het plan ten grondslag gelegde uitgangspunt dan aan de belangen van [appellanten sub 2] bij het toestaan van bedrijfsactiviteiten op het hele perceel. Het betoog faalt.

8.8. Nu [appellant sub 3] niet heeft aangevoerd dat en in welk opzicht ruimtelijke bezwaren bestaan tegen de toegestane niet-agrarische bedrijfsactiviteiten, biedt hetgeen hij heeft aangevoerd, daargelaten of uit de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2012 in zaak nr. 201103277/1/A4 volgt of het thans bestemde gebruik op grond van het overgangsrecht van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Neede, herziening 1987" was toegestaan, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - 06" aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" betreffende [locatie 3] heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

8.9. Ten aanzien van de toekenning van de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de aanduiding "bouwvlak" aan de gronden betreffende [locatie 3], wordt het volgende overwogen. In de plantoelichting is ten aanzien van de toekenning van agrarische bouwvlakken vermeld dat elk agrarisch bedrijf dat bedrijfsmatig een agrarische activiteit uitoefent een bouwvlak krijgt dat wordt toegekend op basis van een afweging tussen de agrarische belangen en de omgevingswaarden. Blijkens de plantoelichting acht de raad agrarische activiteiten bedrijfsmatig indien sprake is van een bedrijf met een omvang van 10 Nge.

8.10. Met betrekking tot de door [appellant sub 3] gestelde aantasting van het woon- en leefklimaat in de aan de overkant van de Koeweidendijk gelegen maatschappelijke instelling, wordt overwogen dat ingevolge artikel 8:69a van Awb de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. De in zoverre naar voren gebrachte bezwaren hebben geen betrekking op een eigen belang van [appellant sub 3], maar zien uitsluitend op de maatschappelijke instelling. Het belang van een goed woon- en leefklimaat in de maatschappelijke instelling strekt daarom niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 3], zodat zijn betoog, wat daar verder ook van zij, ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet tot vernietiging van het besluit kan leiden.

8.11. Over het betoog van [appellant sub 3] dat de raad bij andere percelen, anders dan ten aanzien van het perceel [locatie 3], geen aanleiding heeft gezien af te wijken van het in de plantoelichting opgenomen uitgangspunt voor het toekennen van een agrarisch bouwvlak, wordt het volgende overwogen. Over de door [appellant sub 3] gemaakte vergelijking met Bussinkdijk 3 wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat voor dat perceel weliswaar ook geen omgevingsvergunning voor het gewenste gebruik was verleend, maar dat op dat perceel een functiewijziging van agrarisch naar maatschappelijk gewenst was, terwijl in de onderhavige situatie in het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Neede, herziening 1987" reeds een agrarische bestemming aan de gronden was toegekend. Voorts heeft de raad zich ten aanzien van de door [appellant sub 3] gemaakte vergelijking met Borculoseweg 55, Kaapdijk 9 en Esweg 1 op het standpunt gesteld dat die situaties eveneens verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat in die gevallen weliswaar eveneens geen sprake was van een agrarisch bedrijf met een omvang van 10 Nge, maar dat in die situaties voorts niet gebleken was van plannen om de agrarische activiteiten voort te zetten dan wel te intensiveren. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door hem genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld. Het betoog faalt.

8.12. Niet in geschil is dat ten tijde van de vaststelling van het plan op het perceel van [appellanten sub 2] geen agrarisch bedrijf met een omvang van ten minste 10 Nge aanwezig was. Uit de stukken volgt dat de raad in afwijking van het aan het plan ten grondslag gelegde uitgangspunt de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aan de gronden heeft toegekend, aangezien [appellanten sub 2] te kennen hebben gegeven dat zij de gronden in gebruik willen gaan nemen voor kwekerijactiviteiten en het houden van vleesvee, waarvoor zij eveneens een loods willen bouwen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan een inventarisatie heeft plaatsgevonden waarbij [appellanten sub 2] eveneens hebben aangegeven dat zij een loods zouden willen bouwen. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze stelling te twijfelen. Bovendien is niet gebleken dat de raad, zoals [appellant sub 3] stelt, als uitgangspunt aan het plan ten grondslag heeft gelegd dat bij de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf onderzocht moet worden of dit in het LOG mogelijk is, zodat dit betoog reeds daarom niet kan slagen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid in afwijking van zijn uitgangspunt de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aan de gronden betreffende [locatie 3] heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

8.13. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - 06" aan de gronden betreffende [locatie 3] kunnen toekennen.

9. [appellanten sub 2] hebben voorts bezwaar tegen de toekenning van de bestemming "Agrarisch met Waarden - Landschapswaarden" aan de gronden rondom hun perceel. Zij voeren aan dat hun loonbedrijf door de toekenning van deze bestemming onnodig wordt beperkt.

9.1. Nu [appellanten sub 2] in hun betoog dat de toekenning van de bestemming "Agrarisch met Waarden - Landschapswaarden" aan de omliggende gronden tot een beperking van hun bedrijf leidt, niet concreet hebben aangegeven om welke gronden het gaat, kan dit betoog reeds daarom niet slagen. Het betoog faalt.

10. De beroepen van [appellant sub 3] en [appellanten sub 2], voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - 06" betreffende [locatie 3], zijn ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

11. [appellant sub 4] kan zich niet verenigen met de planregeling met betrekking tot de bestemming "Wonen" die is vastgesteld voor zijn perceel [locatie 5] te [plaats]. Hij betoogt dat op het perceel ten onrechte slechts één woning is toegestaan. Volgens [appellant sub 4] zijn op het perceel twee zelfstandige woningen aanwezig, welke bovendien beide als zodanig met een bouwvergunning zijn opgericht. Anders dan de raad stelt, is volgens [appellant sub 4] van een inwoonsituatie nooit sprake geweest. Hij wijst erop dat een en ander ook uit de aanvraag om bouwvergunning voor de tweede woning volgt. Dat niet uit het bouwdossier blijkt of ten behoeve van de tweede woning een vrijstellingsprocedure is gevoerd, kan hem niet worden tegengeworpen, zo voert [appellant sub 4] aan.

11.1. De raad stelt dat het bouwvergunningendossier bepalend is voor het toegestane aantal woningen op het perceel. Op 29 augustus 1973 heeft het college van burgemeester en wethouders een bouwvergunning verleend voor het vergroten van de [woning]. De aanvraag had volgens de raad geen betrekking op een tweede woning en op de bouwtekeningen was een onderlinge bereikbaarheid tussen de gebouwen zichtbaar. Gelet hierop kan [appellant sub 4] aan het bouwvergunningendossier geen recht ontlenen op een tweede woning op het perceel, zo betoogt de raad.

11.2. Ingevolge artikel 22, lid 22.2.1, van de planregels geldt voor gronden die zijn aangewezen voor de bestemming "Wonen" dat het aantal woningen per bestemmingsvlak niet meer mag bedragen dan het bestaande aantal.

Ingevolge artikel 1, lid 1.21, voor zover hier van belang, wordt indien het gaat om bouwwerken onder "bestaand" verstaan: de legaal aanwezige bebouwing die op het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan bestaat, wordt gebouwd of mag worden gebouwd krachtens een daartoe verleende omgevingsvergunning.

11.3. Uit de aanvraag behorend bij de bouwvergunning van 29 augustus 1973 blijkt dat de aanvraag is gedaan ten behoeve van het vergroten van een woonhuis. Uit het advies van de afdeling Algemene Zaken van de gemeente van 19 juli 1973 volgt dat de aanvraag dient te worden afgewezen, omdat de aanvraag betrekking had op de bouw van een woning in plaats van vergroting van een woning. Vanwege de geringe aard van het toenmalige agrarische bedrijf, zou een procedure op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geen kans van slagen hebben, zo volgt uit het advies. De directeur van de technische dienst van de gemeente heeft de aanvraag naar de vergadering van het college van burgemeester en wethouders doorgeleid, met de vermelding dat de aanvraag betrekking heeft op "samenwoning, zij het dat de vergroting erg fors uitvalt". Het college van burgemeester en wethouders heeft vervolgens in zijn vergadering van 29 augustus 1973 besloten tot het verlenen van de bouwvergunning voor de vergroting van de woning op het perceel.

Anders dan [appellant sub 4] betoogt, volgt uit het bouwdossier niet dat een bouwvergunning is verleend voor een tweede woning op het perceel. De uitbreiding van de bestaande woning van 330 m³ met nog eens 308 m³ is weliswaar aanzienlijk. Echter, nu de uitbreiding was verbonden aan de bestaande woning en nu bovendien de aanvraag en de bijbehorende bouwtekening betrekking hadden op het vergroten van de bestaande woning, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de legaal aanwezige bebouwing die op het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan bestond slechts één woning betrof. Dat niet uit het bouwdossier blijkt of een vrijstellingsprocedure is gevoerd, doet hieraan niet af. Een dergelijke procedure had gezien de stukken uit het bouwdossier immers slechts betrekking op de uitbreiding van de bestaande woning, nu de aanvraag hierop was gericht.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat voor het perceel [locatie 5] niet behoefde te worden voorzien in een planregeling die twee woningen toestaat. Het betoog faalt.

11.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 4] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 5]

12. [appellante sub 5] heeft bezwaar tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" betreffende de gronden aan de [locatie 6] te [plaats]. [appellante sub 5] betoogt dat de raad de door haar naar voren gebrachte zienswijze ten onrechte niet bij de vaststelling van het plan heeft betrokken en dat niet alle stukken ten behoeve van de vaststelling van het plan aan de raad zijn voorgelegd. Bovendien is haar zienswijze volgens [appellante sub 5] in de nota van zienswijzen niet volledig weergegeven.

12.1. De Afdeling stelt vast dat de raad in de nota van zienswijzen op de bij brieven van 11 januari 2013 en 24 januari 2013 door [appellante sub 5] naar voren gebrachte zienswijze is ingegaan. Daarnaast heeft [appellante sub 5] niet aannemelijk gemaakt dat de raad geen kennis heeft kunnen nemen van alle relevante feiten, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het plan onzorgvuldig is vastgesteld.

Voorts verzet artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, biedt op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Het betoog faalt.

13. [appellante sub 5] betoogt dat de raad ten onrechte geen bedrijfsbestemming aan haar gronden heeft toegekend. Het plan voorziet hierdoor ten onrechte niet in de mogelijkheid om ter plaatse een autosleepbedrijf met aanverwante diensten zoals de verkoop van auto’s uit te oefenen. Zij wijst er daarbij op dat zij een planvoorstel heeft laten opstellen en dat het college in het verleden een gedoogbeschikking heeft verleend voor dat gebruik. Verder betoogt [appellante sub 5] dat het gemeentebestuur van de voormalige gemeente Neede een toezegging heeft gedaan om de gewenste bedrijfsactiviteiten ter plaatse toe te staan, dat in aangrenzende gemeenten wel bedrijven in het buitengebied mogelijk worden gemaakt en dat een verplaatsing van het bedrijf naar een industrieterrein om financiële redenen niet haalbaar is. Volgens [appellante sub 5] is haar perceel geschikt voor de genoemde functies aangezien het voornemen bestaat om in de nabijheid een op- en afrit naar de nieuwe N18 te realiseren. [appellante sub 5] bestrijdt verder het standpunt van de raad dat het toekennen van een bedrijfsbestemming in strijd is met het gemeentelijk beleid. Daarbij wijst zij erop dat de raad reeds bekende plannen voor de percelen Velddijk 3, Ringweg 26 en 27a te Beltrum en een hobby-garage in Haarlo, wel mogelijk heeft gemaakt. Voorts stelt [appellante sub 5] dat het merendeel van de percelen in de omgeving voor bedrijfsmatige activiteiten wordt gebruikt. Verder betoogt [appellante sub 5] dat de raad ten onrechte verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2011, in zaaknr. 201110313/1/H1 en 201110313/2/H1 ten aanzien van een eerder genomen handhavingsbesluit, nu in die uitspraak het voorgaande bestemmingsplan aan de orde was.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de aan de gronden toegekende woonbestemming past bij het bestaande gebruik op het perceel. Voorts stelt de raad dat de door [appellante sub 5] gewenste bedrijfsmatige activiteiten niet passen binnen het aan het plan ten grondslag gelegde ruimtelijke beleid. Daarbij wijst de raad erop dat weliswaar in het verleden een gedoogbeschikking voor dat gebruik is verleend, maar dat na afloop van de gedoogtermijn handhavend is opgetreden tegen het gebruik aangezien het niet mogelijk was het gebruik te legaliseren nu het gebruik in strijd was met gemeentelijk beleid. Volgens de raad is het gemeentelijk beleid in zoverre niet gewijzigd, zodat thans evenmin aanleiding bestaat om het gewenste gebruik met het plan toe te staan.

13.2. Aan de gronden betreffende [locatie 6] is de bestemming "Wonen" toegekend. Ingevolge artikel 22, lid 22.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen, zodat het plan de door [appellante sub 5] gewenste bedrijfsmatige activiteiten niet toestaat.

13.3. Voor zover [appellante sub 5] erop wijst dat de door haar gewenste bedrijfsactiviteiten in het verleden met een gedoogbeschikking zijn gedoogd, volgt daaruit niet dat door of namens de raad de verwachting is gewekt dat het plan in een bedrijfsbestemming zou voorzien. Temeer nu het college van burgemeester en wethouders na afloop van de gedoogtermijn handhavend heeft opgetreden tegen het gebruik. Voorts heeft [appellante sub 5] haar betoog dat in het verleden door het gemeentebestuur een toezegging is gedaan niet onderbouwd. Gelet op het voorgaande biedt hetgeen zij heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan op dit punt in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft vastgesteld. Het betoog faalt.

13.4. Over de door [appellante sub 5] gemaakte vergelijking met een aantal percelen wordt het volgende overwogen. Volgens de raad verschillen de situaties op de percelen Ringweg 26 en 27a, waar op grond van het plan bedrijfsmatig gebruik is toegestaan, van de aan de orde zijnde situatie omdat die percelen op grond van het voorgaande plan ook al voor niet-agrarische bedrijfsactiviteiten mochten worden gebruikt, terwijl het voorgaande bestemmingsplan "2e partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied, burgerwoning" op de gronden van [appellante sub 5] slechts het gebruik voor wonen toestond. Ten aanzien van Velddijk 3, waaraan in het plan een bedrijfsbestemming is toegekend, stelt de raad dat die situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie aangezien de bedrijfsmatige activiteiten op dat perceel plaatsvinden in bestaande bebouwing, terwijl voor het mogelijk maken van de door [appellante sub 5] gewenste bedrijfsmatige activiteiten blijkens haar planvoorstel nieuwe bebouwing nodig is, aldus de raad. [appellante sub 5] heeft dit niet bestreden. In hetgeen [appellante sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door haar genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Uit de enkele stelling van [appellante sub 5] dat het merendeel van de percelen in de omgeving voor bedrijfsmatige activiteiten wordt gebruikt, volgt evenmin dat sprake is van situaties die overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Daarnaast heeft [appellante sub 5] haar betoog dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel een hobby-garage in Haarlo wel als zodanig is bestemd niet geconcretiseerd. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld. Het betoog faalt.

13.5. In de plantoelichting staat dat een toename van niet-agrarische functies en niet functioneel aan het buitengebied gebonden functies in beginsel niet wordt toegestaan. Daarnaast wordt op grond van het gehanteerde functieveranderingsbeleid een wijziging van het gebruik op een perceel naar werken slechts toegestaan in bestaande bebouwing, aldus de plantoelichting. Voorts is in de plantoelichting vermeld dat als uitgangspunt aan het plan ten grondslag is gelegd dat detailhandel in het buitengebied in beginsel niet mogelijk wordt gemaakt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad de bestemming "Wonen" aan het plandeel betreffende [locatie 6], heeft toegekend gelet op het bestaande gebruik op het perceel voor wonen. Voorts heeft de raad te kennen gegeven dat hij een bestemming waarmee de door [appellante sub 5] gewenste bedrijfsmatige activiteiten worden toegestaan, niet wenselijk acht. De raad heeft daarbij de hiervoor genoemde aan het plan ten grondslag gelegde uitgangspunten in aanmerking genomen. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door [appellante sub 5] gewenste ontwikkelingen niet passen binnen de in de plantoelichting opgenomen uitgangspunten. In de omstandigheid dat het voornemen bestaat om in de nabijheid een op- en afrit naar de nieuwe N18 aan te leggen heeft de raad voorts geen aanleiding hoeven zien om thans van de genoemde uitgangspunten af te wijken. Daarbij heeft de raad in aanmerking mogen nemen dat over de exacte ligging van het tracé ten tijde van de vaststelling van het plan nog geen definitieve besluitvorming had plaatsgevonden. Dat in aangrenzende gemeenten wel bedrijven in het buitengebied worden toegestaan, zoals [appellante sub 5] stelt, en dat een verplaatsing naar een industrieterrein niet mogelijk is, leidt evenmin tot het oordeel dat de raad van zijn uitgangspunten had moeten afwijken. Gelet op het vorenstaande heeft de raad in redelijkheid een groter gewicht mogen toekennen aan de met de genoemde uitgangspunten te dienen belangen dan aan het belang van [appellante sub 5] bij het mogelijk maken van de gewenste bedrijfsmatige activiteiten.

Nu voorts niet gebleken is dat ruimtelijke bezwaren bestaan tegen de aan het plandeel toegekende woonbestemming, ziet de Afdeling gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Wonen" aan het plandeel betreffende [locatie 6] heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

13.6. Het beroep van [appellante sub 5] is ongegrond.

Het beroep van Beltim Bouwprojecten

14. Beltim Bouwprojecten heeft bezwaar tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" betreffende Ruurloseweg 202b te Beltrum. Beltim Bouwprojecten stelt dat de raad met het plan onvoldoende mogelijkheden heeft geboden om haar bedrijfsbebouwing uit te kunnen breiden. Volgens Beltim Bouwprojecten is een vergroting van de bouwmogelijkheden in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening en zijn aan vergelijkbare bedrijven in het plangebied wel ruimere bouwmogelijkheden toegekend. Voorts betoogt Beltim Bouwprojecten dat de raad ten onrechte vasthoudt aan zijn ruimtelijk beleid.

14.1. Gelet op de ligging van het bedrijf in het buitengebied, acht de raad een verdere uitbreiding van de bouwmogelijkheden dan mogelijk gemaakt met het plan niet wenselijk. Voorts stelt de raad dat niet is gebleken dat Beltim Bouwprojecten concrete plannen heeft om haar bedrijf uit te breiden.

14.2. Niet in geschil is dat het plan niet voorziet in de door Beltim Bouwprojecten gewenste uitbreidingsmogelijkheid voor haar bedrijfsruimte. Voor zover Beltim Bouwprojecten betoogt dat aan vergelijkbare bedrijven in het plangebied wel ruimere bouwmogelijkheden zijn toegekend, heeft zij haar betoog niet geconcretiseerd, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld.

Uit de plantoelichting volgt dat de raad als uitgangspunt aan het plan ten grondslag heeft gelegd dat terughoudend wordt omgegaan met de toekenning van uitbreidingsmogelijkheden aan niet-agrarische bedrijven in het buitengebied. Ter zitting heeft Beltim Bouwprojecten te kennen gegeven dat de gewenste uitbreidingsmogelijkheden een inschatting betreffen van hetgeen in de toekomst nodig is om ter plaatse haar bedrijf uit te kunnen blijven oefenen. Hieruit volgt dat zij ten tijde van de vaststelling van het plan geen concrete uitbreidingsplannen had waarmee de raad bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden. Voorts heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat met de toegekende bouwmogelijkheden in de toekomst op deze locatie geen reële bedrijfsexploitatie meer mogelijk zal zijn. Hetgeen Beltim Bouwprojecten heeft aangevoerd biedt dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad aanleiding had moeten zien om van zijn uitgangspunt om in beginsel geen uitbreidingsmogelijkheden te bieden aan niet-agrarische bedrijven in het buitengebied, af te wijken. De raad heeft derhalve in redelijkheid het plandeel met de bestemming "Bedrijf" betreffende het perceel Ruurloseweg 202b kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

14.3. Het beroep van Beltim Bouwprojecten is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7]

15. [appellant sub 7] kan zich niet verenigen met de bestemming ter plaatse van zijn recreatiewoning op het perceel [locatie 7] te [plaats]. Hij betoogt dat de raad het betrokken plandeel ten onrechte naar aanleiding van de zienswijze van De Pasruiters heeft gewijzigd van "Recreatie - Recreatiewoning" naar "Recreatie - Dagrecreatie". Hij stelt dat het college van burgemeester en wethouders hem in 1995 heeft medegedeeld dat het gebruik van het perceel en het bouwwerk door de vorige bewoners als zomerverblijf onder de overgangsbepalingen van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1974 viel. Ten onrechte stelt de raad nu dat het pand als dagverblijf/opslagruimte in gebruik was. [appellant sub 7] voert aan dat het gebruik nu voor de tweede keer onder het overgangsrecht wordt gebracht, hetgeen in strijd is met de vaste jurisprudentie van de Afdeling. Gelet hierop, en omdat het verblijfsrecreatieve gebruik niet binnen de planperiode wordt beëindigd, was de raad gehouden de recreatiewoning als zodanig te bestemmen, zo voert [appellant sub 7] aan.

15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming aansluit bij het bestaande gebruik. Volgens de raad was geen sprake van een recreatiewoning, zodat het gebruik van de bebouwing niet onder het overgangsrecht van dit plan is komen te vallen.

15.2. Aan de recreatiewoning is in de verbeelding, voor zover hier van belang, de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" toegekend. De recreatiewoning is daarnaast aangeduid met de functieaanduidingen "specifieke vorm van recreatie - 44" en "bouwvlak".

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, onder a, van de planregels, zijn deze gronden onder meer bestemd voor recreatieve voorzieningen zoals opgenomen in de ‘Tabel Recreatie - Dagrecreatie’ bij dit artikel. Ingevolge de ‘Tabel Recreatie - Dagrecreatie’, in samenhang bezien met de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - 44", is ter plaatse van de recreatiewoning aan [locatie 7] te Neede dagverblijf en opslagruimte tot maximaal milieucategorie 1 toegestaan.

15.3. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Neede (vastgesteld op 2 september 1974, goedgekeurd op 2 februari 1976) waren de desbetreffende gronden bestemd voor "Bosgebied". De gronden waren daarmee bestemd voor het behoud en/of herstel van de landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarden, de houtproducten alsmede de passieve dagrecreatie.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften mogen op gronden met de bestemming "Bosgebied" uitsluitend andere bouwwerken, zoals terreinomheiningen en verwijsborden, worden gebouwd tot een maximale hoogte van 3 m.

Ingevolge het tweede lid kan, voor zover hier van belang, vrijstelling worden verleend van de voorschriften inzake de toegestane bebouwing voor het oprichten van een naar de aard en inrichting niet voor bewoning of recreatie bestemd gebouwtje met een inhoud van ten hoogste 30 m³, zoals een schuurtje ten behoeve van werkzaamheden in dit gebied.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, is het verboden onbebouwde grond en opstallen te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken in strijd met de bestemming. Onder B, sub b, is opgenomen dat onder verboden gebruik in de bestemming "Bosgebied" in ieder geval wordt verstaan: doeleinden van verblijfsrecreatie.

Ingevolge artikel 31 mag een gebruik van onbebouwde grond en/of opstallen dat op het tijdstip van het van kracht worden van het plan bestond of geregeld placht te worden gemaakt, en dat afwijkt van de bestemming en/of de voorschriften, worden voortgezet of gewijzigd, mits het gewijzigde gebruik (meer) in overeenstemming is met het plan.

In het herzieningsplan (vastgesteld op 30 oktober 1990, goedgekeurd op 27 mei 1991) zijn deze bestemming en de bijbehorende bestemmingsvoorschriften niet gewijzigd. In artikel 24, onder B, is een wijziging aangebracht ten aanzien van verboden gebruik in de bestemming "Bosgebied", in die zin dat doeleinden van verblijfsrecreatie daarin niet meer zijn genoemd. Het overgangsrecht in artikel 31 is in het herzieningsplan hetzelfde blijven luiden.

15.4. [appellant sub 7] heeft gesteld dat de vorige eigenaren in de periode van 1968 tot en met 1995 de ter plaatse aanwezige bebouwing hebben gebruikt als zomerhuisje. Hij heeft dit onderbouwd met een verklaring van [voormalig eigenaren] en hun drie dochters, als vorige eigenaren en gebruikers van het perceel, van 12 april 2007. De raad heeft het vorenstaande niet weersproken. Het recreatieve nachtverblijf was in strijd was met de bestemming "Bosgebied" en het gebruiksverbod in artikel 24, eerste lid, onder B, sub b, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1974. Daargelaten of het aanvangen van het recreatieve nachtverblijf in 1968 in overeenstemming was met het vóór het bestemmingsplan "Buitengebied" geldende plan, van belang is dat dit gebruik in 1974 onder de legaliserende werking van het overgangsrecht van artikel 31 van het bestemmingsplan "Buitengebied" is komen te vallen. [appellant sub 7] heeft onweersproken gesteld dat hij het perceel in januari 1996 in eigendom heeft verkregen en het gebruik van de vorige eigenaren heeft voortgezet.

Uit de uitgebreide correspondentie tussen partijen over het ter plaatse aanwezige gebouw en het gebruik ervan komt naar voren dat het gemeentebestuur het gebouw niet wenste aan te merken als recreatiewoning. Zo heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Neede in zijn brief van 10 juli 1996 aan [appellant sub 7] medegedeeld dat in 1981 is geconstateerd dat geen sprake is van een recreatiewoning/zomerhuisje, maar van dagverblijf/opslagruimte. In opvolgende correspondentie heeft de raad hiernaar terugverwezen. Met deze eenmalige constatering in 1981 heeft de raad echter niet aannemelijk gemaakt dat het recreatieve nachtverblijf niet onder het gebruiksovergangsrecht van het vorige plan werd voortgezet. Uit de stukken noch ter zitting is gebleken dat de raad meerdere controles heeft verricht waaruit blijkt dat het recreatief nachtverblijf op het perceel zou zijn gestaakt. De mededelingen van het gemeentebestuur aan [appellant sub 7] dat het gebouw niet dient te worden aangemerkt als recreatiewoning, dan wel dat verblijfsrecreatief gebruik ter plaatse niet is toegelaten, geven er voorts geen blijk van dat de raad rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat het recreatieve nachtverblijf onder het gebruiksovergangsrecht mocht worden voortgezet.

Ter zitting heeft [appellant sub 7] bevestigd dat het gebruik voor recreatief nachtverblijf, zij het in mindere mate vanwege opgroeiende kinderen, tot op heden nog steeds plaatsvindt. Dit is door de raad niet betwist. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het gebruik met het voorliggende plan voor een tweede keer onder het gebruiksovergangsrecht is komen te vallen.

15.5. Zoals de Afdeling onder meer in haar uitspraak van 22 augustus 2012, in zaak nr. 201101467/1/R2, heeft overwogen, kan het opnieuw onder het algemene overgangsrecht brengen van gebruik onder omstandigheden aanvaardbaar zijn.

Hiervoor is in gevallen als de onderhavige in ieder geval vereist dat de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat het bestaande gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Gelet op de omstandigheid dat het gebruik van de gronden onder de werking van het overgangsrecht valt, zal het gemeentebestuur tegen een dergelijk gebruik niet handhavend kunnen optreden. Niet is gebleken dat [appellant sub 7] het gebruik binnen de planperiode zal beëindigen, noch dat het gemeentebestuur voornemens is het perceel te verwerven of te onteigenen om daarmee het gebruik te doen beëindigen. Gelet hierop heeft de raad niet in redelijkheid het gebruik opnieuw onder het overgangsrecht kunnen brengen. Het had op de weg van de raad gelegen om te bezien op welke wijze het bestaande gebruik van het gebouw in het plan had kunnen worden opgenomen. Nu hij dit heeft nagelaten, heeft de raad gehandeld in strijd met de bij een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

15.6. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" op het perceel [locatie 7] te [plaats], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 8]

16. [appellant sub 8] kan zich niet verenigen met de planregeling voor het perceel [locatie 8] te [plaats]. Hij betoogt allereerst dat de bestemming "Bedrijf" te beperkt in de verbeelding is opgenomen. Niet alleen heeft hij aan de oostzijde van het perceel - alwaar wordt gelaad en gelost - onvoldoende ruimte om te kunnen keren met vrachtwagens, maar daarnaast is aan de zuidzijde van de verkoophal de bestemming "Bedrijf" strak langs de gevel gelegd, terwijl in deze gevel overheaddeuren zitten. Daardoor komen de meest oostelijk gelegen overheaddeuren uit op gronden waarop de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" is gelegd.

16.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat om de bestemming "Bedrijf" aan de oostzijde van het perceel verder te verruimen ten koste van de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden". De raad acht het van belang dat de openheid van het gebied ter plaatse wordt beschermd. Bovendien waren op dit deel van het perceel in het vorige plan evenmin bedrijfsmatige doeleinden toegestaan. Dat de overheaddeuren van de verkoophal nu slechts bereikbaar zijn via de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden", is volgens de raad een gevolg van de keuzen die [appellant sub 8] heeft gemaakt bij zijn aanvraag om een verkoophal op te richten.

16.2. Aan het grootste deel van het perceel [locatie 8] is in de verbeelding de bestemming "Bedrijf" toegekend. Op deze gronden rust tevens de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 52". Het oostelijke deel van het perceel is aangewezen voor de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor: agrarische doeleinden, grondgebonden agrarische bedrijven, niet-grondgebonden bedrijven, bestaande intensieve veehouderijbedrijven, ondergeschikte (productiegerichte) paardenhouderijen, wonen in een bedrijfswoning, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" bedrijfswoningen zijn uitgesloten, de uitoefening van nevenactiviteiten, ondergeschikt aan het agrarisch bedrijf, behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapswaarden in het algemeen, kleinschalig kamperen, extensieve recreatie, aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven, (onverharde) paden en wegen, landschapselementen en landschappelijke inpassing door erfbeplanting, bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, erfverhardingen en parkeervoorzieningen.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden onder meer bestemd voor bedrijven zoals opgenomen in de ‘Tabel Bedrijven’ bij dit artikel. In de ‘Tabel Bedrijven’, in samenhang bezien met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 52", zijn de desbetreffende gronden bestemd voor een tuincentrum.

16.3. In het plan "Buitengebied", vastgesteld 2 september 1974, goedgekeurd 2 februari 1976, was aan het perceel [locatie 8] de bestemming "Agrarisch gebied met grote landschappelijke waarde" toegekend. De gronden waren hiermee bestemd voor het agrarische bedrijf, met behoud en/of herstel van de aanwezige landschappelijke elementen.

In het plan "7e wijziging bestemmingsplan Buitengebied", vastgesteld 3 mei 1983, goedgekeurd 24 februari 1984, is aan een deel van het perceel de bestemming "Tuincentrum" toegekend. De gronden waren hiermee bestemd voor de handel in bomen, heesters, planten en overige tuinbenodigdheden. Het plan heeft geen wijziging met zich gebracht voor het oostelijke deel van het perceel [locatie 8].

16.4. Vast staat dat met het voorliggende plan ten opzichte van het voorgaande plan een grotere oppervlakte van het perceel voor bedrijfsdoeleinden is bestemd. Weliswaar is het oostelijke deel van het perceel niet voor "Bedrijf" aangewezen, maar ten opzichte van het vorige plan is het bestemmingsvlak uitgebreid aan de oostelijke, de westelijke en de zuidzijde van de bestemming "Tuincentrum" in het vorige plan.

De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ingevolge het vorige plan op het oostelijke deel van het perceel [locatie 8], anders dan een agrarisch bedrijf, geen bedrijvigheid kon worden uitgeoefend. De Afdeling acht het in beginsel niet onredelijk dat de raad, gelet op de conserverende aard van het plan, voor het vaststellen van een bestemming voor dit deel van het perceel is aangesloten bij het vorige plan. De raad heeft voorts van belang mogen achten dat een verdere uitbreiding van de bedrijfsbestemming van negatieve invloed is op de landschappelijke waarden in de directe omgeving van het perceel. Ten aanzien van het betoog dat het bedrijfsgebouw precies op de grens van het bestemmingsvlak staat, zodat de meest oostelijk gelegen overheaddeuren van het bedrijfsgebouw slechts over de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" kunnen worden bereikt, overweegt de Afdeling als volgt. Voor het oprichten van de verkoophal op het perceel is op 11 september 2008 een bouwvergunning verleend. De Afdeling stelt gelet op de situering op de bouwtekening behorende bij deze vergunning, in samenhang bezien met de verbeelding, vast dat de grens van het bestemmingsvlak niet strak langs de gevel van de verkoophal is gelegd. Naar het oordeel van de Afdeling hoefde de raad in de uitvoering van het bouwplan geen aanleiding te zien om het bestemmingsvlak verder uit te breiden. Niet is gebleken dat de verkoophal in het geheel niet bereikbaar is voor laden en lossen, bijvoorbeeld via de overheaddeur aan de westkant van de voorgevel over gronden met de bestemming "Bedrijf".

Het betoog faalt.

17. [appellant sub 8] betoogt voorts dat het bouwvlak onjuist in de verbeelding is ingetekend. In dit verband voert hij aan dat de raad ten onrechte het bouwvlak door middel van een gewijzigde vaststelling 5 m heeft opgeschoven. Volgens [appellant sub 8] had het bouwvlak met 5 m moeten worden uitgebreid.

17.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de ligging van het bouwvlak is aangesloten bij de bouwvergunning die op 11 september 2008 voor de verkoophal is verleend. Omdat de bouwinspecteur bij de start van de bouw de locatie van de verkoophal verkeerd heeft uitgezet, is de verkoophal 5 m in oostelijke richting gerealiseerd. In de verbeelding heeft de raad het bouwvlak derhalve ook 5 m laten opschuiven. De raad acht een verdere vergroting van het bouwvlak niet wenselijk. Reeds nu bestaat binnen het bouwvlak nog onbebouwde ruimte, omdat het bouwvlak niet strak rondom de verkoophal is gelegd, aldus de raad.

17.2. In de verbeelding is een deel van de gronden aan de noordoostzijde van het perceel aangeduid als "bouwvlak". Het bouwvlak is ongeveer 25 m bij 46 m en heeft derhalve een oppervlakte van ongeveer 1150 m².

17.3. De vergunde verkoophal is blijkens de bij de vergunning behorende bouwtekening 19,25 bij 40 m groot en heeft derhalve een oppervlakte van 770 m². Tussen partijen is niet in geschil dat de bouwinspecteur van de gemeente de verkoophal verkeerd in het veld heeft uitgezet. De verkoophal zou daarmee deels buiten het bouwvlak vallen. Om het bouwvlak weer overeen te laten stemmen met hetgeen is uitgezet, is het bouwvlak bij de vaststelling van het plan 5 m naar het oosten opgeschoven. De raad heeft onweersproken gesteld dat het bouwvlak in de verbeelding hiermee weer in overeenstemming is gekomen met de feitelijke situering van de verkoophal. Zoals uit de maatvoeringen van het bouwvlak en de verkoophal blijkt, bestaat zoals de raad heeft betoogd, binnen het bouwvlak nog ruimte om te bouwen. [appellant sub 8] heeft geen redenen aangedragen waarom in dit geval een verdere vergroting noodzakelijk is. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat kon worden volstaan met de oppervlakte van het bouwvlak zoals dit thans in de verbeelding is vastgelegd.

Het betoog faalt.

18. [appellant sub 8] stelt dat de afwijkingsbevoegdheid ten behoeve van het toestaan van andere gebruiksvormen in milieucategorieën 1 en 2, onvoldoende duidelijk is. Uit artikel 6, lid 6.6.2, van de planregels, blijkt niet duidelijk welke randvoorwaarden er gelden en wat de toetsingskaders zijn, aldus [appellant sub 8].

18.1. De raad betoogt dat op het perceel een tuincentrum is toegestaan, maar dat het via de afwijkingsbevoegdheid ook mogelijk is om andere gebruiksvormen in de milieucategorieën 1 en 2 toe te staan. In de planregels zijn volgens de raad de randvoorwaarden opgenomen voor het toepassen van de afwijkingsbevoegdheid.

18.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.6.2, van de planregels, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 6.1, onder a, voor het toestaan van bedrijven voor zover genoemd in bijlage 5 "Staat van Bedrijfsactiviteiten", dan wel bedrijven die naar aard en milieubelasting of ruimtelijke impact (verkeersaantrekkende werking, ruimtebeslag, aantal arbeidsplaatsen e.d.) vergelijkbaar zijn met de toegestane bedrijven, met dien verstande dat:

a. De afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bestemmingen en functies of van het woon- en/of leefmilieu;

b. Wanneer de gronden met de bestemming 'Bedrijf' zijn gelegen binnen ter plaatse van de aanduiding 'EHS - natuur', 'EHS - verbindingszone' of 'EHS - verweving', dan kan de afwijkingsbevoegdheid alleen worden toegepast indien daarbij overeenkomstig artikel 34 zo nodig wordt voorzien in compenserende maatregelen.

18.3. In artikel 6, lid 6.6.2, van de planregels zijn voorwaarden opgenomen voor de toepassing van de bevoegdheid tot afwijking van het plan. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende duidelijk zou zijn onder welke randvoorwaarden en binnen welke toetsingskaders van de afwijkingsbevoegdheid voor het toestaan van bedrijven van een vergelijkbare milieucategorie als het toegestane bedrijf.

Het betoog faalt.

19. [appellant sub 8] betoogt voorts dat in de verbeelding ter plaatse van het bouwvlak ten onrechte een maximaal toegestane bouwhoogte is opgenomen.

19.1. De raad stelt dat hij voor de maximale bouwhoogte is aangesloten bij het voorheen geldende plan. De raad stelt zich op het standpunt dat het, gelet op de conserverende aard van het plan, alsmede de landschappelijke waarden in de directe omgeving van het perceel, noodzakelijk is om een betrekkelijk lage bouwhoogte toe te staan.

19.2. In de verbeelding is ter plaatse van het bouwvlak de aanduiding "maximum bouwhoogte (m) = 4" opgenomen.

Ingevolge artikel 6, lid 6.2.2, aanhef en onder b, van de planregels geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 12 m, tenzij op de verbeelding anders is aangegeven.

19.3. Ingevolge artikel 8a, aanhef en onder a, van het vorige plan, zoals gewijzigd met het plan "7e wijziging bestemmingsplan Buitengebied", was voor bedrijfsgebouwen, loodsen en magazijnen, uitgezonderd kassen, een maximale hoogte van 4 m opgenomen.

19.4. Uit de bouwtekening die bij de bouwvergunning van 11 september 2008 hoort, volgt dat een verkoophal met een bouwhoogte van 4 m is vergund. Gelet hierop acht de Afdeling het niet onredelijk dat de raad voor ter plaatse van het bouwvlak een bouwhoogte van 4 m heeft vastgesteld. Hij is daarmee niet slechts aangesloten bij het vorige plan, maar tevens heeft de raad bij zijn oordeel mogen betrekken dat een verhoging van de bouwhoogte van negatieve invloed is op de landschappelijke waarden in de directe omgeving van het perceel. Nu [appellant sub 8] voorts geen redenen heeft aangedragen waarom in dit geval niet kan worden volstaan met een maximale bouwhoogte van 4 m, behoefde de raad in redelijkheid geen hogere bouwhoogte ter plaatse van het bouwvlak toe te staan.

Het betoog faalt.

20. [appellant sub 8] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 8] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

21. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 8] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 9] en het beroep van [appellant sub 10]

22. [appellante sub 9] en [appellant sub 10] kunnen zich er niet mee verenigen dat de raad bij de gewijzigde vaststelling van het plan ervoor heeft gekozen het perceel [locatie 9] te [plaats] buiten de begrenzing van het plan te laten.

Het niet opnemen van het perceel levert volgens [appellante sub 9] een onwenselijke situatie op nu hierdoor hun met vrijstelling ter plaatse aanwezige bedrijf nog steeds niet planologisch is ingepast, waardoor zij onnodig kosten moeten maken. Bovendien heeft de raad zijn besluit om hun perceel niet in het plan op te nemen ten onrechte niet met planologische argumenten onderbouwd, zijn andere agrarische bedrijven wel in het plan opgenomen en is hierdoor aan hun bedrijf ten onrechte geen uitbreidingsruimte geboden.

[appellant sub 10] betoogt dat het niet opnemen van het perceel in het plan tot een onwenselijke situatie leidt aangezien hierdoor geen beroep tegen het plandeel mogelijk is. Bovendien worden volgens [appellant sub 10] zijn belangen gefrustreerd, aangezien hierdoor meer tijd aan [appellante sub 9] geboden wordt om een concreet uitbreidingsplan op te stellen. Voorts betoogt [appellant sub 10] dat de raad ten onrechte met het oog op het in de toekomst in het plan opnemen van perceel [locatie 9], in de planregels het aantal dieren dat op een agrarisch bedrijf gehouden mag worden niet heeft beperkt.

22.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er in dit geval voor gekozen is om het perceel niet in het plan op te nemen aangezien het bemiddelingstraject dat de gemeente had opgestart tussen [appellante sub 9] en omwonenden nog niet was afgerond.

22.2. In het ontwerpplan was het perceel [locatie 9] in de verbeelding opgenomen. Het perceel is bij de vaststelling van de verbeelding echter buiten de begrenzing van het plan gelaten. Gelet op de systematiek van de Wro komt de raad in beginsel beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht. In hetgeen [appellante sub 9] en [appellant sub 10] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Niet is gebleken dat tussen het perceel [locatie 9] enerzijds en de omliggende gronden die wel onderdeel uitmaken van het plangebied anderzijds, een zodanige ruimtelijke samenhang bestaat dat het perceel om die reden in het plan opgenomen had moeten worden. Overigens stond ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet vast of het gestarte bemiddelingstraject tot een voor alle partijen aanvaardbare oplossing zou leiden. Nu ruimtelijke samenhang tussen het perceel en de in het plangebied opgenomen gronden ontbreekt, kan het betoog van [appellant sub 10] dat thans in het plan reeds een beperking van het op een agrarisch bedrijf toegestane aantal dieren had moeten worden opgenomen, welk betoog feitelijk gericht is op het mogelijk in de toekomst opnemen van het perceel [locatie 9] in het plan, evenmin aan de orde komen.

In hetgeen [appellante sub 9] en [appellant sub 10] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De betogen falen.

22.3. De beroepen van [appellante sub 9] en [appellant sub 10] zijn ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 11]

23. [appellant sub 11], wonend aan [locatie 10] te [plaats], kan zich er niet mee verenigen dat de raad bij de gewijzigde vaststelling van het plan ervoor heeft gekozen de percelen [locatie 11 en 12] buiten de begrenzing van het plan te laten. De raad durft ten onrechte geen keuze te maken ten aanzien van het feitelijke gebruik van de woning [locatie 10]. Dit levert een rechtsonzekere situatie op, aldus [appellant sub 11].

23.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in dit geval vanwege een mediationtraject ervoor is gekozen om het perceel niet in het plan op te nemen. Het traject was ten tijde van de vaststelling nog niet afgerond en de raad geeft aan dat hij de uitkomst ervan niet wilde doorkruisen. Inmiddels is gebleken dat het mediationtraject niet tot overeenstemming heeft geleid, zodat hij alsnog voor de desbetreffende gronden een bestemmingsplan zal vaststellen, aldus de raad.

23.2. In het ontwerpplan waren de percelen [locatie 11 en 12] in de verbeelding opgenomen. Zij zijn bij de vaststelling van de verbeelding echter buiten de begrenzing van het plan gelaten. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Niet is gebleken van een zodanige samenhang tussen de percelen [locatie 11 en 12] en de in het plan betrokken gronden, dat deze percelen in het plangebied hadden moeten worden opgenomen. De Afdeling neemt voorts in aanmerking dat ten tijde van de planprocedure nog niet vaststond welke uitkomst het mediationtraject tussen de eigenaren van de percelen [locatie 11 en 12] zou hebben. Het was voor de raad derhalve nog niet mogelijk om de uitkomst ruimtelijk te kunnen beoordelen.

Het betoog faalt.

23.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 11] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 12]

24. [appellant sub 12] voert aan dat de planregels onduidelijk zijn. In artikel 3 van de planregels is volgens [appellant sub 12] niet duidelijk wat met de begrippen "bestaande intensieve veehouderij", "bestaande intensieve veehouderijbedrijven", "intensieve veehouderij" en "bouwlaag" wordt bedoeld. Ten aanzien van artikel 39 van de planregels betoogt [appellant sub 12] dat dit artikel te ruim is geformuleerd, nu het daarin opgenomen overgangsrecht illegaal gebruik en illegale bouwwerken legaliseert.

24.1. Het beroep van [appellant sub 12], voor zover gericht tegen de vaststelling van de artikelen 3 en 39 van de planregels, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 12] is in zoverre niet-ontvankelijk.

25. [appellant sub 12] voert als formele beroepsgrond aan dat enkele bodemonderzoeken die zijn verricht ten aanzien van het nabij zijn gronden gelegen bosperceel ten onrechte niet met het ontwerpplan ter inzage zijn gelegd.

25.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de conserverende aard van het plan, geen nieuwe ontwikkelingen worden voorzien waarvoor bodemonderzoek moet worden verricht. Daarom is ten behoeve van het plan ook geen bodemonderzoek op concrete locaties verricht.

25.2. Niet in geschil is dat met het ontwerpbesluit geen bodemonderzoeken ter inzage zijn gelegd. Ter zitting is gebleken dat de bodemonderzoeken waarop [appellant sub 12] doelt, zijn verricht ten behoeve van het vorige plan waarin het betrokken perceel reeds voor "Bos" werd bestemd, te weten het bestemmingsplan "Zwilbroekseweg/Rekkenseweg, Eibergen" dat onherroepelijk is geworden na de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2009, in zaak nr. 200807763/1/R2 . Gelet hierop kunnen de bodemonderzoeken niet worden aangemerkt als een op het ontwerp van het (onderhavige) bestemmingsplan betrekking hebbend stuk, dat redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling van het ontwerp, als bedoeld in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop faalt het betoog van [appellant sub 12] dat de raad ten onrechte niet is overgegaan tot het ter inzage leggen van de bodemonderzoeken bij het ontwerp van het plan.

26. [appellant sub 12] betoogt dat in het plan ten onrechte geen rekening is gehouden met het beoogde tracé voor de autoweg N18 nabij zijn woning aan [locatie 13] te Eibergen. Reeds sinds 2009 is het standpunt van de minister van infrastructuur en milieu bekend ten aanzien van de ligging van de N18 en de bandbreedte van 100 m aan weerszijden van het tracé. Daarnaast had de raad ten tijde van de vaststelling van het plan kunnen voorzien dat op korte termijn het tracébesluit daadwerkelijk zou worden genomen.

26.1. De raad stelt dat hij het tracébesluit voor de N18 niet in het plan heeft opgenomen, omdat dit ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet was genomen. Daarnaast voorziet de Tracéwet erin dat de raad, pas nadat het tracébesluit onherroepelijk is, een bestemmingsplan vaststelt waarin dat tracébesluit wordt verwerkt.

26.2. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Tracéwet, geldt voor het gebied dat is begrepen in een tracébesluit het tracébesluit als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wro. Voor zover het tracébesluit geldt als voorbereidingsbesluit, is artikel 3.7, vijfde en zesde lid, van de Wro niet van toepassing. Het tracébesluit geldt niet meer als voorbereidingsbesluit indien voor het in de eerste volzin bedoelde gebied een bestemmingsplan in overeenstemming met het tracébesluit van kracht is geworden.

Ingevolge het tiende lid, voor zover hier van belang, stelt de raad binnen een jaar nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in de Wro overeenkomstig het tracébesluit vast.

26.3. Nu het tracébesluit op 20 augustus 2013 is vastgesteld, staat vast dat dit besluit ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet was genomen, laat staan onherroepelijk was geworden. Anders dan [appellant sub 12] kennelijk meent, vloeit uit de Wro, noch enige andere wet, een verplichting voort om een beoogd tracé, waarvoor nog geen tracébesluit is genomen, in het bestemmingsplan neer te leggen.

De raad dient in beginsel wel alle feiten en omstandigheden die zich tot aan het nemen van het bestreden besluit hebben voorgedaan in aanmerking te nemen. In dit verband is van belang dat, het ontwerp van het tracébesluit voor de autoweg N18 dateert uit 2011. Zoals de raad ter zitting heeft toegelicht, is het ontwerptracé niet reeds in het plan opgenomen, vanwege planschade die daaruit mogelijk zou voortvloeien, terwijl tegelijkertijd onzeker is of het tracébesluit ongewijzigd ten opzichte van het ontwerp zou worden vastgesteld. Dit acht de Afdeling niet onredelijk. Voorts heeft [appellant sub 12] niet aannemelijk gemaakt dat ter plaatse van de gronden waarop het ontwerp van het tracé betrekking had, ontwikkelingen waren voorzien die tot onomkeerbare situaties konden leiden. Ook kan de raad in zijn standpunt worden gevolgd, dat niet met de vaststelling van het plan kon worden gewacht totdat het tracébesluit onherroepelijk zou zijn, vanwege de verplichting om voor 1 juli 2013 een bestemmingsplan vast te stellen.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling onvoldoende rekening heeft gehouden met het beoogde tracé in het ontwerp-tracébesluit voor de autoweg N18. Het betoog faalt.

27. Voorts kan [appellant sub 12] zich niet verenigen met artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder c, van de planregels. Ingevolge deze regel kunnen ter plaatse van het perceel ten noordoosten en oosten van zijn woning, waarop de bestemming "Bos" rust, een parkeerplaats en wegen worden gerealiseerd. Ter zitting heeft [appellant sub 12] zijn betoog geconcretiseerd, in die zin dat hij stelt dat ten onrechte geen maximalisatie is opgenomen voor de genoemde doeleinden. Hij acht dit van belang om te voorkomen dat het nabij gelegen [bedrijf] de gronden zal gaan gebruiken voor het parkeren ten behoeve van dit bedrijf.

27.1. De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het om een algemene planregel gaat, die voor alle bosbestemmingen in het buitengebied geldt. Daarnaast meent de raad dat de doeleindenomschrijving niet toelaat dat de bestemming "Bos" geheel wordt gebruikt voor parkeervoorzieningen of wegen, omdat dit zich volgens hem niet verdraagt met de andere doelstellingen in het artikel.

27.2. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Bos" aangewezen gronden bestemd voor:

a. behoud, herstel en/of ontwikkeling van het bos en bosgroeiplaats;

b. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden en natuurwaarden;

c. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;

d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

e. extensief recreatief medegebruik.

In artikel 8 zijn geen specifieke gebruiksregels voor de desbetreffende gronden opgenomen.

27.3. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval geen maximalisatie behoefde te worden opgenomen voor de ter plaatse toegestane doeleinden parkeervoorzieningen en wegen. Ter zitting is gebleken dat de gronden van het voorziene bosperceel niet in eigendom zijn van het [bedrijf] en dat aan de oostkant van het bos, langs het bedrijfsperceel, een 1 m-hoge gaasomheining aanwezig is. Gelet hierop is niet aannemelijk dat [bedrijf] het betrokken perceel voor bedrijfsmatig parkeren in gebruik zal gaan nemen. Ook overigens heeft [appellant sub 12] niet aannemelijk gemaakt dat dient te worden gevreesd dat het gehele perceel voor parkeervoorzieningen of wegen zal worden gebruikt.

Het betoog faalt.

28. [appellant sub 12] betoogt voorts dat de raad onderzoek had moeten verrichten naar de bodemgesteldheid van het bosperceel. De raad had daartoe aanleiding moeten zien, nu de bomen ter plaatse nog moeten worden aangeplant en in de directe nabijheid van het perceel twee ernstige gevallen van bodemverontreiniging bekend zijn.

28.1. De raad stelt dat de bestemming "Bos" reeds was opgenomen in het vorige plan "Zwilbroekseweg/Rekkenseweg, Eibergen". In de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2009 heeft de Afdeling deze bestemming, ook wat betreft de bodemgesteldheid, niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. De raad ziet in zoverre opnieuw geen belemmeringen.

28.2. Ten aanzien van de gestelde bodemverontreiniging ter plaatse van het bosperceel geldt dat bij aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die thans niet ter beoordeling staan. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

In de plantoelichting staat dat het aanbeveling verdient om locaties met bodemverontreiniging actief te betrekken bij de toekenning van bestemmingen en aanduidingen, omdat sommige functies niet gewenst zijn op verontreinigde locaties. In de plantoelichting staat voorts dat nu het plan in beginsel geen nieuwe functies toekent aan locaties waar nog geen functies aanwezig waren, afzonderlijk bodemonderzoek voor het toekennen van bestemmingen dan ook niet noodzakelijk is. De Afdeling volgt de raad in zijn standpunt dat hier geen nieuwe functie wordt toegekend, nu de bestemming "Bos" reeds was opgenomen in het vorige plan "Zwilbroekseweg/Rekkenseweg, Eibergen". Voorts heeft [appellant sub 12] niet aannemelijk gemaakt dat de ter plaatse aanwezige bodemverontreiniging in de weg staat aan de verwezenlijking van de bestemming "Bos".

Het betoog faalt.

29. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 12], voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 13]

30. Het beroep van [appellant sub 13] richt zich tegen de planregeling binnen de bestemming "Wonen", voor zover deze er niet in voorziet dat de twee aaneengebouwde woningen op het perceel [locatie 14] te Gelselaar van elkaar kunnen worden gesplitst. [appellant sub 13] voert aan dat hem hierdoor wordt belemmerd dat hij de woning die in 1961 aan de woonboerderij is aangebouwd, niet elders op het perceel kan terugbouwen. Hij stelt dat van verstening van het buitengebied geen sprake hoeft te zijn, nu de raad in het bestemmingsplan maatwerk kan leveren. Volgens [appellant sub 13] heeft de raad vanwege tijdsdruk verzuimd om in dit geval, in strijd met de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2013, in zaak nr. 201210659/1/R1 de belangen individueel af te wegen. Een en ander klemt te meer, nu de raad niet consequent heeft gehandeld en op het perceel Brinkweg 2/4 te Geesteren wel heeft toegestaan dat de ter plaatse gesplitste woningen vrijstaand kunnen worden teruggebouwd.

30.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het toestaan van meerdere vrijstaande woningen, waar deze voorheen aaneengebouwd waren, tot een groter aantal nieuwe erven en meer verstening in het buitengebied leidt. De raad acht dit vanuit landschappelijk oogpunt niet gewenst. De raad stelt dat de situatie niet vergelijkbaar is met de situatie op het perceel Brinkweg 2/4 te Geesteren.

30.2. Ingevolge artikel 22, lid 22.2.1, van de planregels, gelden voor het bouwen van woningen onder meer de volgende voorwaarden:

a. Het aantal woningen per bestemmingsvlak mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal.

b. Nieuwbouw van een woning is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', waarbij het aantal nieuw te bouwen woningen niet meer mag bedragen dan is aangegeven.

Ingevolge lid 22.4.1 kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 22.2.1 voor het herbouwen van de bestaande woning op een andere locatie binnen het bestemmingsvlak of op dezelfde locatie, waarbij onder meer moet worden voldaan aan de voorwaarden dat de herbouw dient plaats te vinden binnen het bestemmingsvlak en volgens de bestaande bouwwijze.

Ingevolge artikel 1, lid 1.35, wordt onder "bouwwijze" verstaan: de wijze van bouwen van een hoofdgebouw van een woning, te weten vrijstaand, twee-aaneen (halfvrijstaand) of aaneengebouwd, waarbij

a. onder "vrijstaand" wordt verstaan dat het hoofdgebouw van een woning niet begrensd is door scheidingsmuren van andere hoofdgebouwen op een aangrenzend perceel;

b. onder "twee-aaneen" wordt verstaan dat het hoofdgebouw van een woning naar één zijde door een scheidsmuur van een naastgelegen hoofdgebouw is begrensd;

c. onder "aaneengebouwd" wordt verstaan dat het hoofdgebouw deel uitmaakt van een blok van meer dan twee hoofdgebouwen, die naar twee zijden door scheidsmuren van naastgelegen hoofdgebouwen zijn begrensd, met uitzondering van de hoofdgebouwen die de aldus gevormde rij beëindigen;

d. onder "gestapeld" wordt verstaan een gebouw, dat uit meerdere naast elkaar en/of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen (appartementen) bestaat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.

30.3. In de plantoelichting staat dat het plan toelaat dat bestaande woningen binnen de bestemming "Wonen" worden vervangen door een nieuwe woning. Daarbij geldt dan wel als voorwaarde dat de bestaande bouwwijze (vrijstaand, aaneengebouwd) moet worden ‘voortgezet’ bij de bouw van de nieuwe woning(en). Zo biedt het bestemmingsplan dus niet de mogelijkheid om twee vrijstaande woningen te bouwen ter vervanging van twee woningen die ooit door een woningsplitsing zijn ontstaan. In die situatie mag het bestaande pand alleen worden vervangen door een nieuw woongebouw als het bestaande aantal woningen ook daarin onder één kap wordt samengebracht. Deze voorwaarde voor het hanteren van de ‘bestaande bouwwijze’ is net als een aantal andere voorwaarden ondergebracht in een afwijkingsregeling die zich richt op het vervangen van bestaande woningen, aldus de plantoelichting.

30.4. Op het perceel staat een woonboerderij uit 1932, waaraan in 1961 aan de voorzijde een tweede woning is aangebouwd. De raad heeft als beleidslijn dat verstening van het buitengebied dient te worden tegengegaan. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat het vrijstaand terugbouwen van aaneengebouwde woningen in het algemeen leidt tot verstening van het buitengebied op zichzelf niet onredelijk. Zoals de raad heeft betoogd, acht de Afdeling in dit concrete geval niet ondenkbaar dat, ook indien de nieuw te bouwen woning eenzelfde oppervlakte heeft als de te verwijderen woning, dit ertoe kan leiden dat afgesplitste erven ontstaan met de daarbij behorende verhardingen en bebouwing. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat in het bestemmingsplan maatwerk kan worden geleverd, niet afdoet aan het feit dat vrijstaande woningen een meer versteend beeld van het buitengebied kunnen opleveren.

Over de door [appellant sub 13] gemaakte vergelijking met de twee woningen op het perceel Brinkweg 2/4 te Geesteren wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat dit perceel binnen de bebouwde kom van Geesteren en in een ander plangebied is gelegen. In landschappelijk opzicht is volgens de raad derhalve sprake van een andere situatie. In hetgeen [appellant sub 13] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 13] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om in artikel 22, lid 22.4.1, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover betrekking hebbend op perceel [locatie 14] te [plaats], als voorwaarde voor het afwijken met een omgevingsvergunning op te nemen dat de herbouw dient plaats te vinden volgens de bestaande bouwwijze. Gelet hierop behoefde de raad geen aanleiding te zien dat de planregeling wat betreft dit perceel in strijd is met de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2013.

Het betoog faalt.

30.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 13] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 14] en anderen

31. [appellant sub 14] en anderen kunnen zich om verschillende redenen niet met de vaststelling van het plan verenigen. Zij betogen dat, gelet op de systematiek in artikel 34, lid 34.11.2, van de planregels, niet duidelijk is of bepaalde algemene artikelen van toepassing zijn voor de als "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" aangeduide gronden. [appellant sub 14] en anderen achten dit rechtsonzeker.

31.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met artikel 34, lid 34.11, van de planregels is beoogd duidelijk te maken dat binnen de reconstructiezones ook de ‘gewone’ enkelbestemmingen gelding hebben. Ter zitting heeft de raad gesteld dat het artikellid wellicht als overbodig is te beschouwen, omdat ook de algemene artikelen - en in voorkomende gevallen dubbelbestemmingen - binnen de verschillende reconstructiezones van toepassing zijn.

31.2. Ingevolge artikel 34, lid 34.11.1, is ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" het bepaalde in de artikelen 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21 en 22 van toepassing.

Ingevolge artikel 34, lid 34.11.2, is ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" het bepaalde in de artikelen 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, en 35 van toepassing.

Ingevolge artikel 34, lid 34.11.3, is ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied" het bepaalde in de artikelen 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21 en 22 van toepassing.

31.3. De Afdeling overweegt dat in artikelen 3 tot en met 22 van de planregels de ‘gewone’ enkelbestemmingen zijn opgenomen. De dubbelbestemmingen zijn opgenomen in artikelen 23 tot en met 30. De artikelen 31 tot en met 38 hebben betrekking op algemene regels, waaronder de antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene wijzigingsregels en algemene procedureregels. Meer specifiek bevat artikel 35 algemene afwijkingsregels, op grond waarvan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan verlenen voor het afwijken van de bestemmingsregels.

De Afdeling volgt de raad niet in zijn redenering dat het opnemen van artikel 34, lid 34.11, van de planregels duidelijkheid biedt. Anders dan de raad stelt, wordt met het artikellid de indruk gewekt dat artikelen 23 tot en met 38, met uitzondering van artikel 35 ter plaatse van de genoemde aanduidingen, juist niet van toepassing zouden zijn. Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat het artikellid rechtsonzeker is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog van [appellant sub 14] en anderen slaagt.

31.4. In hetgeen [appellant sub 14] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 34, lid 34.11, van de planregels, is genomen in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van [appellant sub 14] en anderen is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

32. Voorts voeren [appellant sub 14] en anderen aan dat het niet noodzakelijk is om ter plaatse van bestaande agrarische percelen of woonpercelen in de landbouwontwikkelingsgebieden de mogelijkheden voor functieverandering te beperken. [appellant sub 14] en anderen hebben gronden in het landbouwontwikkelingsgebied Ruurlose Broek, dat in de verbeelding is aangeduid als "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied". Nu het plan binnen de landbouwontwikkelingsgebieden niet meer voorziet in de nieuwvestiging van intensieve veehouderijen, zijn [appellant sub 14] en anderen van mening dat voor hun gronden eenzelfde regime dient te gelden als voor de verwevingsgebieden. Ook is voor [appellant sub 14] en anderen niet duidelijk op welk beleid het plan nu is gestoeld, nu de raad - door niet langer nieuwvestiging van intensieve veehouderijen toe te staan - afwijkt van de Gebiedsvisie 2008.

32.1. De raad stelt dat hij voor de mogelijkheden van functieverandering heeft moeten uitgaan van de provinciale beleidskaders zoals neergelegd in het Reconstructieplan Achterhoek en Liemers uit 2005 (hierna: het Reconstructieplan), het Streekplan Gelderland 2005 en de regionotitie "Functies zoeken plaatsen zoeken functies" uit 2006. Daarbij stelt de raad dat binnen het landbouwontwikkelingsgebied de mogelijkheden voor functieverandering wellicht beperkter zijn, maar niet onmogelijk.

32.2. In artikel 3 van de planregels zijn in lid 3.6.5, onder e, in lid 3.6.6, onder d, in lid 3.8.6, onder f, 3.8.7, onder g, in lid 3.8.8, onder g, en in lid 3.8.9, onder b, beperkingen aangebracht voor het afwijken met een omgevingsvergunning ten behoeve van bepaalde vormen van gebruik en het wijzigen van de bestemming, indien het betrokken perceel is aangeduid als "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied". Dit betreft een omgevingsvergunning voor het afwijken ten behoeve van verblijfsrecreatieve voorzieningen, dagrecreatieve voorzieningen, zorgboerderijen, opslag, ondergeschikte horeca of kleinschalig kamperen, onderscheidenlijk het wijzigen van de bestemming ten behoeve van het vestigen van een niet-agrarisch bedrijf, recreatieve voorzieningen, de bestemming "Maatschappelijk" of de bestemming "Wonen".

In artikel 22 van de planregels is in lid 22.6.2, onder c, wordt een omgevingsvergunning voor het afwijken ten behoeve van kleinschalig kamperen niet verleend indien het betrokken perceel is aangeduid als "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied". Voorts is in lid 22.7.1, onder e, de mogelijkheid tot het wijzigen van de bestemming ten behoeve van het vestigen van een niet-agrarisch bedrijf beperkt, indien het betrokken perceel is aangeduid als "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied".

Voorts wordt ingevolge artikel 35, lid 35.2, onder d, de omgevingsvergunning voor het afwijken van de bestemmingsregels voor een Bed and Breakfast niet verleend ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied".

32.3. [appellant sub 14] en anderen hebben niet betwist dat in het Reconstructieplan, het Streekplan Gelderland 2005 en de regionotitie "Functies zoeken plaatsen zoeken functies" beleid is opgenomen over hoe om te gaan met functieveranderingen binnen landbouwontwikkelingsgebieden. Vast staat dat de raad, mede naar aanleiding van de ingediende zienswijzen, na de terinzagelegging heeft besloten om de nieuwvestiging van intensieve veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden niet langer toe te staan. De raad heeft hierin geen aanleiding gezien de planregels over functieverandering binnen landbouwontwikkelingsgebieden te verruimen ten opzichte van de functieveranderingsregels in het ontwerpplan.

32.4. Een reconstructieplan bevat een beleidsuitspraak over het grondgebruik binnen de reconstructiezones waaruit een onderdeel van een bestemmingsplan in de zin van artikel 29, derde lid, van de Reconstructiewet concentratiegebieden kan voortvloeien, indien deze beleidsuitspraak, blijkens de gekozen formulering, als bindend beoogd is en van de bestemmingsplanwetgever geen nadere afweging meer vereist en voor zover deze niet reeds rechtstreeks uit de Reconstructiewet concentratiegebieden volgt. In het Reconstructieplan is naar het oordeel van de Afdeling wat betreft de landbouwontwikkelingsgebieden de beleidsuitspraak dat nieuwvestiging van woningbouwlocaties, bedrijventerreinen/kantoren en verblijfsrecreatieterreinen e.d. moeten worden uitgesloten, als bindend beoogd. Met de in 32.2 genoemde planregeling zijn de mogelijkheden voor functieveranderingen echter verderstrekkend beperkt dan het Reconstructieplan op dit punt vereist. Niet valt in te zien dat onder meer dagrecreatieve voorzieningen, opslag of ondergeschikte horeca onder de bedoelde beleidsuitspraak zijn te scharen. Voorts is de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan ander provinciaal beleid of regionaal beleid gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. Onduidelijk is gebleven waarom de raad onverkort heeft willen vasthouden aan het overige beleid uit 2005 en 2006, terwijl hij er wel voor heeft willen kiezen om van dit beleid af te wijken door niet langer nieuwvestiging van intensieve veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden toe te staan. Voor zover de raad ter zitting naar voren heeft gebracht dat hij op dit punt in afwachting is van beleid en regels in een nieuwe provinciale omgevingsvisie en -verordening, is de Afdeling van oordeel dat het op de weg van de raad had gelegen over de mogelijkheden van functieverandering een eigen standpunt te vormen. De Afdeling betrekt bij zijn oordeel dat de raad ter zitting heeft gesteld dat het standpunt van het provinciebestuur op dit punt nog niet vaststaat, laat staan dat het provinciebestuur hieromtrent bindende regels heeft vastgesteld.

Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat de raad zijn keuze om de mogelijkheden voor functieverandering in landbouwontwikkelingsgebieden te beperken, onvoldoende heeft gemotiveerd. Het betoog slaagt.

32.5. In hetgeen [appellant sub 14] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 3, lid 3.6.5, onder e, lid 3.6.6, onder d, lid 3.8.6, onder f, 3.8.7, onder g, lid 3.8.8, onder g, lid 3.8.9, onder b, artikel 22, lid 22.6.2, onder c, en lid 22.7.1, onder e, en artikel 35, lid 35.2, onder d, van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 14] en anderen is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

33. [appellant sub 14] en anderen betogen dat het rapport "Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Berkelland 2012" van Croonen Adviseurs van juni 2013 (hierna: het Plan-MER) niet aan het plan ten grondslag mocht worden gelegd. Zij voeren in dit verband aan dat niet duidelijk is of en hoe het Plan-MER naar aanleiding van hun zienswijze is aangepast. Daarnaast betwijfelen zij of tegemoet is gekomen aan de opmerkingen van de Commissie voor de milieueffectrapportage, die essentiële tekortkomingen in het rapport heeft geconstateerd.

33.1. De raad voert aan dat de uitgevoerde milieueffectrapportage voor plannen heeft geresulteerd in twee rapporten: enerzijds het rapport "Plan-MER LOG’s Oost Gelre & Berkelland" van Arcadis van 9 juli 2009 (hierna: het Plan-MER LOG’s) en anderzijds het voornoemde Plan-MER ten behoeve van het bestemmingsplan. De raad stelt dat in het Plan-MER LOG’s geen wijzigingen zijn aangebracht ten aanzien van de zienswijzen, maar dat in het hierop voortbouwende Plan-MER wel is aangegeven hoe met die zienswijzen is omgegaan.

33.2. Ingevolge artikel 7.14, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer wordt in het plan in ieder geval vermeld hetgeen is overwogen omtrent de bij het ontwerp van het plan terzake van het milieueffectrapport naar voren gebrachte zienswijzen.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder d, wordt in of bij het plan in ieder geval vermeld hetgeen is overwogen omtrent het door de commissie overeenkomstig artikel 7.12 uitgebrachte advies.

33.3. Volgens de zienswijzennota is onder meer in het Plan-MER nader ingegaan op de samenhang tussen het Plan-MER en het daaraan voorafgegane Plan-MER LOG’s en zijn de ontwikkelingen ten aanzien van agrarische bedrijven in het buitengebied sinds het Plan-MER LOG’s nader toegelicht in het Plan-MER. Het Plan-MER zal beter worden afgestemd op hetgeen in de plantoelichting is beschreven en de tekst van het Plan-MER wordt naar aanleiding van de zienswijzen aangevuld, aldus de zienswijzennota.

In de definitieve versie van het Plan-MER staat dat naar aanleiding van het conceptadvies van de Commissie voor de milieueffectrapportage er een bijeenkomst is geweest waarbij de aangedragen aandachtspunten zijn besproken. Bepaalde punten zijn uitgelegd en verduidelijkt en voorts zijn enkele misverstanden weggenomen over de wijze waarop de milieueffectrapportage is uitgevoerd. Waar nodig is het Plan-MER daarom aangevuld om de gevolgde werkwijze te verduidelijken en eventueel zaken aan te vullen, zo staat in het Plan-MER verwoord.

Ter zitting heeft de raad aangegeven dat het achteraf bezien wellicht duidelijker ware geweest als de wijzigingen naar aanleiding van de zienswijzen en de opmerkingen van de Commissie voor de milieueffectrapportage in een afzonderlijk document waren neergelegd. Niettemin heeft hij ervoor gekozen om de opmerkingen in de zienswijzen te verwerken in een integrale versie van het Plan-MER. Weliswaar is in het Plan-MER niet goed te herleiden wat de wijzigingen zijn ten opzichte van het ontwerp van het Plan-MER, maar dit leidt in dit geval niet tot het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet heeft kunnen vaststellen. De Afdeling overweegt dat een wettelijke verplichting tot het opstellen van een aanvullend MER-rapport niet bestaat, dan wel dat in de definitieve versie van het Plan-MER de wijzigingen ten opzichte van het ontwerp zijn gemarkeerd. Voor zover [appellant sub 14] en anderen betogen dat ten onrechte niet alle aanbevelingen van de Commissie voor de milieueffectrapportage zijn overgenomen, overweegt de Afdeling dat daartoe geen verplichting bestaat. Wel heeft de raad, in overeenstemming met artikel 7.14, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer, hetgeen hij over het advies heeft overwogen, vermeld in onder meer de toelichting op het plan en de zienswijzennota.

Gelet hierop faalt het betoog van [appellant sub 14] en anderen.

34. [appellant sub 14] en anderen betogen voorts dat het Plan-MER niet aan het plan ten grondslag mocht worden gelegd, omdat daarin geen rekening is gehouden met de maximale mogelijkheden die het plan biedt. Zij stellen dat nieuwvestiging van intensieve veehouderijen weliswaar niet langer mogelijk is, maar dat het plan nog wel uitbreiding toestaat van bestaande intensieve veehouderijen alsmede nieuwvestiging en uitbreiding van grondgebonden agrarische bedrijven. In het plan zijn ten aanzien van de veehouderijen die zich nieuw mogen vestigen of die mogen doorgroeien geen grenzen gesteld, in die zin dat hiervoor een maximaal aantal is bepaald en een maximaal bebouwingspercentage binnen het bouwvlak geldt. Voorts valt volgens hen niet te begrijpen dat in het worst case-scenario in het Plan-MER wordt uitgegaan van een groei van 10%, terwijl in het bestemmingsplan een groeipercentage van 15 wordt genoemd. Gelet hierop had de raad volgens hen dienen aan te geven wat de maximale planologische mogelijkheden zijn, hetgeen zij gesteund zien door de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2012, in zaak nr. 201102668/1/R2 . Nu het Plan-MER niet als uitgangspunt voor het plan kan dienen, vrezen [appellant sub 14] en anderen dat hun woon- en leefklimaat en gezondheid zal worden aangetast. Ten behoeve van de volksgezondheid hebben [appellant sub 14] en anderen de opneming van verschillende voorwaarden in de planregels voorgesteld - zoals het vragen van advies aan de GGD - maar de raad heeft daarop volgens hen niet gereageerd.

34.1. De raad stelt dat ten behoeve van het plan een inventarisatie heeft plaatsgevonden van de agrarische bedrijven in het gebied en hun behoefte aan uitbreiding. Uit deze inventarisatie is het totaalbeeld ontstaan dat voor het overgrote deel van de agrarische bedrijven sprake is van een beperkte groei. In het Plan-MER is rekening gehouden met de mogelijkheden in het plan voor de uitbreiding van bestaande intensieve veehouderijen alsmede de nieuwvestiging en uitbreiding van grondgebonden agrarische bedrijven, zo stelt de raad. Het gegeven dat de agrarische bedrijven met 15% kunnen uitbreiden, maakt volgens de raad nog niet dat het algemene scenario van een groei met 10% buiten beeld raakt. Ter zitting heeft de raad op dit punt toegelicht dat met de 10% groei de groei van het veebestand is bedoeld.

34.2. In de plantoelichting is ten aanzien van de inventarisatie van agrarische bedrijven opgenomen dat bij het bepalen van de omvang en vorm van het bouwvlak is uitgegaan van de huidige gegevens over de bestaande situatie en omvang van het bedrijf en van een luchtfoto uit maart 2012. Op die manier is de vorm van het nieuwe bouwvlak ten opzichte van het geldende bouwvlak waar nodig aangepast aan de feitelijk bestaande situatie en zijn de in het verleden verleende vrijstellingen, ontheffingen, afwijkingen, wijzigingen en eventuele bedrijfsbeëindigingen in het plan vertaald. In de plantoelichting staat verder vermeld dat de gemeente de agrariërs in de gelegenheid heeft gesteld om hun toekomstplannen kenbaar te maken. Aan agrarische bedrijven die zich verder willen ontwikkelen, is een uitbreidingsruimte van ongeveer 15% ten opzichte van het bestaande bouwvlak gehanteerd, tenzij een agrarisch bedrijf heeft kunnen motiveren dat het meer ontwikkelruimte nodig heeft vanwege op stapel staande uitbreidingsplannen, zo staat in de plantoelichting. Op deze wijze is in het plan niet uitgegaan van vaste omvangsmaten voor agrarische bouwvlakken, maar van het zogenoemde ‘bouwvlakken op maat’-principe. Mede gelet op het aantal gestaakte agrarische bedrijven is het totale aantal bouwvlakken en de oppervlakte ten opzichte van het vorige planologische regime flink teruggebracht.

34.3. In artikel 3, lid 3.2.5, aanhef en onder a, maar ook in artikel 4, lid 4.2.6, en artikel 5, lid 5.2.6, van de planregels is het een agrarisch bedrijf bij recht toegestaan om maximaal 1 ha van het bouwvlak te bebouwen voor een bestaande intensieve veehouderij(tak), de hervestiging van of omschakeling naar een intensieve veehouderij(tak).

Voorts zijn in de planregels diverse wijzigingsbevoegdheden en bevoegdheden om af te wijken met een omgevingsvergunning opgenomen. Ingevolge artikel 3, lid 3.6.1, aanhef en onder a, maar ook ingevolge artikel 4, lid 4.6.1 en artikel 5, lid 5.6.1, is ter plaatse van de agrarische bouwvlakken in de LOG’s een afwijkingsbevoegdheid van toepassing voor het gebruik van maximaal 1,5 ha van het bouwvlak ten behoeve van de hervestiging of omschakeling naar een intensieve veehouderij.

In artikel 3, lid 3.8.3, maar ook in artikel 4, lid 4.8.3 en artikel 5, lid 5.8.3, zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor de vergroting van het bouwvlak van agrarische bedrijven en intensieve veehouderijen.

Verder zijn in artikel 3, lid 3.8.4, maar ook in artikel 4, lid 4.8.4 en artikel 5, lid 5.8.4, wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor de nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf.

34.4. In het Plan-MER zijn twee alternatieven onderzocht, te weten: A. het basis-alternatief, en B. het zoneringsalternatief. Het basis-alternatief gaat uit van verspreide ontwikkelingen in het buitengebied, waarbij de ontwikkeling van de (intensieve) veehouderij minimaal 250 meter van voor verzuring gevoelige gebieden moet blijven. Bij het zoneringsalternatief wordt uitgegaan van groei in de LOG’s en op landbouwontwikkellocaties binnen verwevingsgebied, met als gevolg een afwaartse beweging naar de LOG’s. Beide alternatieven kennen twee varianten: de ene variant gaat uit van een nulgroei (variant A1, onderscheidenlijk B1) en de andere van een extra groei van de veestapel van 10% (variant A2, onderscheidenlijk B2). Alternatief B1 is als het meest milieuvriendelijke alternatief beschouwd en alternatief B2 als worst case scenario. Het plan stemt volgens de raad overeen met variant A2 in het Plan-MER, zodat in het plan is uitgegaan van het basis-alternatief met een bescheiden groei voor agrarische bedrijven van 10%.

Uit het Plan-MER volgt dat alternatief B2 een ‘reëel’ worst case scenario betreft. Zoals namelijk in het Plan-MER staat vermeld, heeft de gemeentelijke inventarisatie het beeld opgeleverd dat lang niet elk agrarisch bedrijf plannen heeft om door te groeien en daarbij volledig gebruik te maken van de uitbreidingsmogelijkheden die de afwijkings- en wijzigingsregels bieden. Het is niet waarschijnlijk geacht dat deze mogelijkheden uit het plan maximaal zullen worden ingevuld. Het plan is een belangrijk - maar niet het enige - toetsingskader om een ontwikkeling op een bepaalde locatie mogelijk te maken. De andere toetsingskaders, met name milieuwetgeving, stellen hieraan zoveel eisen dat volledig opvullen niet mogelijk is. Er is geen verdere berekening doorgevoerd van een situatie die niet gaat ontstaan, zo staat in het Plan-MER.

Over het aspect volksgezondheid staat in het Plan-MER dat uit een informatieblad van de GGD’en Brabant en Zeeland volgt dat voor de componenten geur, fijn stof en Q-koorts een effect op het gezondheidsrisico te verwachten is in de woon-, werk- en leefomgeving. Omdat er een groot hiaat aan kennis bestaat over intensieve veehouderijen, bestaan er onzekerheden over dit aspect en is het niet expliciet opgenomen in de beoordeling, aldus het Plan-MER. De onderzochte alternatieven zijn in zoverre dan ook niet onderscheidend. In het Plan-MER staat verder dat het wellicht mogelijk is om voor specifieke ontwikkelingen, zoals de uitbreiding van veehouderijbedrijven via planwijziging, te zijner tijd voorwaardelijk een GGD-advies in te winnen.

34.5. Bij de beoordeling van de mogelijke milieueffecten in een plan-MER dient te worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het plan biedt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2012, zaak nr. 201102668/1/R2 (LOG Azewijn) en de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2013, zaak nr. 201208004/1/R2 (LOG Beemte-Vaassen)). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 oktober 2011, in zaak nr. 200906702/1/R3) dient de raad de aanvaardbaarheid van een bestemmingsplan bij het vaststellen te bezien, mede in relatie tot de op het moment van vaststelling geldende regelgeving.

De raad heeft zich ten aanzien van de toekenning van de agrarische bouwblokken op het standpunt gesteld dat met een uitbreiding van het bouwblok met 15% ten opzichte van het bestaande bouwblok, nog kan worden voldaan aan het scenario in het Plan-MER dat de veestapel met 10% groeit. Wat hiervan ook zij, uit het Plan-MER volgt - en dit heeft de raad ter zitting bevestigd - dat in het Plan-MER niet de maximale mogelijkheden die het plan biedt zijn onderzocht. Gelet hierop is niet uitgesloten dat het plan in zoverre tot gevolg heeft dat de veestapel toch meer dan 10% groeit.

Voorts ziet de Afdeling in het Plan-MER niet terug op welke wijze rekening is gehouden met de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden in het plan zoals genoemd in 34.3. Zoals [appellant sub 14] en anderen terecht naar voren brengen, is in het plan geen maximum opgenomen voor het aantal maal toepassen van de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden. In het Plan-MER is er echter vanuit gegaan dat niet alle agrariërs in het gebied gebruik zullen maken van hun doorgroeimogelijkheden. Ook hier zijn in het Plan-MER derhalve in zoverre niet de maximale mogelijkheden die het plan biedt, onderzocht. De raad heeft niet duidelijk weten te maken waarom geen maximale aantallen voor de toepassing voor de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden in het plan zijn neergelegd, nu in beginsel vanwege de uitgebreide inventarisatie naar voren moet zijn gekomen welke plannen de agrariërs in het gebied voor hun bedrijf voor ogen hebben. Voorts staat in het Plan-MER dat het verder doorrekenen van een maximale invulling van alle planmogelijkheden weinig toevoegt, omdat dat eenzelfde uitkomst ten aanzien van de Natura 2000-gebieden zal geven. De Afdeling volgt deze redenering niet. Zelfs in het geval er eenzelfde uitkomst uit de doorrekening volgt voor de Natura 2000-gebieden, wat daarvan verder ook zij, brengt dit niet automatisch met zich dat de doorrekening ook eenzelfde uitkomst geeft ten aanzien van de andere in een plan-MER te onderzoeken aspecten, zoals het woon- en leefklimaat en de volksgezondheid. Evenmin leidt de stelling van de raad dat bij de beoordeling van een omgevingsvergunning voor de vestiging of uitbreiding van een agrarisch bedrijf een nadere beoordeling van de milieueffecten zal worden verricht, tot een ander oordeel. De raad dient bij de vaststelling van het plan immers te beoordelen of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

34.6. Nu in het Plan-MER niet is uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plan, is het de vraag of de conclusies in het Plan-MER dat de varianten wat betreft het woon- en leefklimaat en de volksgezondheid een neutraal effect hebben nog houdbaar zijn. De Afdeling is derhalve van oordeel dat het Plan-MER niet aan het plan ten grondslag mocht worden gelegd en dat het plan in zoverre niet met de bij het nemen van een besluit vereiste zorgvuldigheid is vastgesteld. Het betoog slaagt.

34.7. In hetgeen [appellant sub 14] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 7.13, sub a, van de Wet milieubeheer en artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond en het bestreden besluit dient geheel te worden vernietigd.

Proceskosten

35. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 7] en [appellant sub 14] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellante sub 5], Beltim Bouwprojecten, [appellant sub 8], [appellante sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12] en [appellant sub 13] bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding.

36. Wat betreft de door [appellant sub 7] gevorderde kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, gelezen in samenhang met de Bijlage bij dat Besluit, slechts een vergoeding wordt toegekend voor verrichte proceshandelingen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2012, in zaak nr. 201110776/1/A2). De kosten van advies bij het opstellen van een op eigen titel ingediend beroepschrift voldoen niet aan dit uitgangspunt. Evenmin heeft de desbetreffende rechtshulpverlener een van de overige proceshandelingen verricht die ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Voor de gemaakte kosten kan derhalve geen vergoeding worden toegekend.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1], geheel, en het beroep van [appellant sub 12], voor zover gericht tegen de vaststelling van de artikelen 3 en 39 van de planregels, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 7] en [appellant sub 14] en anderen gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Berkelland van 26 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Berkelland 2012";

IV. verklaart de beroepen van [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4 A] en [appellante sub 4 B], [appellante sub 5], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Beltim Bouwprojecten B.V. en [appellant sub 6], [appellant sub 8], [appellante sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11 A] en [appellante sub 11 B], en [appellant sub 13 A], geheel, en het beroep van [appellant sub 12], voor het overige, ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Berkelland tot vergoeding van bij partijen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten:

a. ten aanzien van [appellant sub 7] tot een bedrag van € 359,66 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro en zesenzestig cent);

b. ten aanzien van [appellant sub 14] en anderen tot een bedrag van € 1024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten aanzien van de anderen;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Berkelland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

a. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 7];

b. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 14] en anderen, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten aanzien van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Hagen w.g. Konings

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014

612-674.