Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3181

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
201307157/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Loopkant-Liessent" vastgesteld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307157/1/R3.

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de naamloze vennootschap Beter Bed Holding N.V., gevestigd te Uden,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Uden,

3. [appellante sub 3], gevestigd te Uden,

4. [appellanten sub 4], beiden wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te Uden,

6. [appellante sub 6], gevestigd te Uden,

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats], gemeente Uden,

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Euro Support Advanced Materials B.V., gevestigd te Uden,

9. [appellant sub 9], gevestigd te Uden,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Uden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Loopkant-Liessent" vastgesteld

Tegen dit besluit hebben Beter Bed, [appellant sub 2], [appellante sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 5], [appellante sub 6], [appellant sub 7], Euro Support en [appellant sub 9] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 2], [appellant sub 7] en [appellante sub 6] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2014, waar Beter Bed, vertegenwoordigd door mr. F.C.J. Baten, advocaat te Eindhoven, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door ing. B. Hurks, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door ing. J.M.A. Clemens, [appellanten sub 4], bij monde van [appellant sub 4 A], bijgestaan door ing. J.M.A. Clemens, [appellant sub 5], vertegenwoordigd door ing. J.M.A. Clemens, [appellante sub 6], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door ing. J.M.A. Clemens, [appellant sub 7], bijgestaan door ing. B. Hurks, Euro Support, vertegenwoordigd door J.A.M. van Lindert, bijgestaan door ing. B. Reijngoud, [appellant sub 9], vertegenwoordigd door ing. J.M.A. Clemens, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.W.M. Schutte en F.H.L. Vossen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van Beter Bed

2. Beter Bed komt op tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" op het perceel Linie 27 te Uden. Omdat de raad heeft verzuimd de in 1996 en 2001 verleende vrijstellingen van de voorheen geldende agrarische bestemming ten behoeve van haar bedrijfspand te vertalen in opvolgende bestemmingsplannen stelt Beter Bed schade te hebben geleden. Hiertoe voert zij aan dat bij een eerdere bedrijfsbestemming uitbreidingsmogelijkheden voor de bedrijfsbebouwing in het plan hadden kunnen worden opgenomen. Voorts kan als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening planschade voor rekening van Beter Bed komen.

De raad heeft medewerking aan een uitbreidingsplan voor de bedrijfsbebouwing door middel van dit bestemmingsplan volgens Beter Bed ten onrechte afhankelijk gesteld van vergoeding van eventuele planschade, een bijdrage in het zogeheten Fonds Bovenwijkse Voorzieningen en overeenstemming over ruimtelijke randvoorwaarden.

Verder stelt Beter Bed dat de locatie aanvankelijk bewust niet in het bestemmingsplan was meegenomen om te verhullen dat de raad in eerdere bestemmingsplannen in gebreke was gebleven de agrarische bestemming te wijzigen.

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uitbreidingswensen alleen in het plan kunnen worden meegenomen indien tijdig overeenstemming is bereikt over de ruimtelijke randvoorwaarden voor de uitbreiding en over het wettelijk verplichte kostenverhaal dat aan de uitbreidingsplannen is verbonden. Aangezien die overeenstemming ontbrak is in het plan niet voorzien in uitbreidingsruimte.

2.2. De vraag of de raad aan het perceel reeds in eerdere bestemmingsplannen een bedrijfsbestemming had moeten toekennen in samenhang met de door Beter Bed in verband hiermee gestelde schade ligt in deze procedure, waar uitsluitend het voorliggende bestemmingsplan ter beoordeling staat, niet voor. Voorts heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de vertaling van de verleende vrijstellingen voor het bedrijfspand in een eerder bestemmingsplan geen grond oplevert voor verdere uitbreidingsmogelijkheden in dat plan.

2.3. Naar aanleiding van de inspraakreactie van Beter Bed op het voorontwerp van het plan is het perceel alsnog aan het plangebied toegevoegd. Voor de juistheid van de stelling van Beter Bed dat gepoogd zou zijn eerdere gebreken te verhullen bestaat geen grond.

2.4. Volgens het bestreden besluit is de raad niet bereid gronden terug te kopen van Beter Bed voor de aanleg en het onderhoud van de noodzakelijk geachte bufferzone ten behoeve van het aangrenzende buurtschap Lankes. Voorts ontbreekt volgens het bestreden besluit overeenstemming over de reikwijdte van de uitbreiding. Volgens een ter zitting overgelegde brief van het college van burgemeester en wethouders van 25 september 2012 aan Beter Bed is de door haar gewenste bouwhoogte van 15 meter voor de uitbreiding niet verenigbaar met een zorgvuldige overgang naar het buurtschap Lankes. Beter Bed kan dan ook niet worden gevolgd in haar stelling dat de ruimtelijke randvoorwaarden van de uitbreiding niet meer in geschil zijn.

Verder ontbreekt volgens het bestreden besluit overeenstemming over het kostenverhaal, waaronder de vergoeding van eventueel uit te keren planschadecompensatie in verband met de uitbreiding. Uit de gedingstukken, waaronder de brief van het college van burgemeester en wethouders van 25 oktober 2012, volgt dat tussen partijen veelvuldig overleg heeft plaatsgehad over het kostenverhaal en dat hierover ten tijde van het bestreden besluit geen overeenstemming was bereikt. De vraag of dit een partij is aan te rekenen kan in de bestuursrechtelijke procedure niet aan de orde komen. Vast staat evenwel dat zolang overeenstemming over het kostenverhaal ontbreekt de financiële uitvoerbaarheid van de gevraagde uitbreiding niet is verzekerd.

Nu ten tijde van het bestreden besluit geen overeenstemming was over de aanleg en het onderhoud van de bufferzone, de bouwhoogte en het kostenverhaal heeft de raad in redelijkheid kunnen weigeren in het plan te voorzien in de gevraagde uitbreiding.

Het betoog faalt.

2.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van Beter Bed ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

3. [appellant sub 2] komt op tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de functieaanduiding "bedrijfsverzamelgebouw" op het perceel [locatie 1] te [plaats], voor zover daarbij geen detailhandel is toegestaan in de aanwezige bedrijfshal. Volgens [appellant sub 2] heeft de raad op 26 april 1984 besloten vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan voor het bedrijfspand. Onderdeel van deze vrijstelling was een overeenkomst tussen de toenmalige eigenaar en de gemeente, waarin is vastgelegd dat toestemming wordt verleend voor detailhandel op het perceel. De detailhandelsactiviteiten vinden volgens [appellant sub 2] nog altijd plaats. De raad heeft volgens hem nagelaten deze detailhandelsactiviteiten te bestemmen.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het besluit van 26 april 1984 zag op een exploitatieovereenkomst waarbij is aangegeven dat de gemeente medewerking verleent aan de inpassing van het bestaande sloopbedrijf in het bestemmingsplan en dat de bestaande detailhandel in ongeregelde goederen en materialen volgens de exploitatieovereenkomst als overgangsregeling mocht worden voortgezet. Volgens het bestreden besluit is bij de raad niet bekend dat er op het perceel nog detailhandel plaatsvindt. De raad vindt de ruimtelijke gevolgen van detailhandel in een bedrijfsverzamelgebouw, zoals parkeren en de verkeersaantrekkende werking, niet aanvaardbaar.

3.2. Volgens de reactie op het verweerschrift van [appellant sub 2] bij brief van 17 juni 2014 vindt in de bedrijfshal naast opslag ook verkoop van goederen aan particulieren plaats en wel van maandag tot en met vrijdag op afspraak en op zaterdag zonder afspraak. Ter zitting heeft [appellant sub 2] toegelicht dat de bestaande detailhandel die hij bestemd wil zien, bestaat uit de ongeregelde verkoop op voornoemde dagen van goederen als deuren, kozijnen en radiatoren die zijn vrijgekomen bij sloopactiviteiten. De raad heeft ter zitting aangegeven dat deze detailhandel inderdaad plaatsvindt en dat daartegen in zoverre, gelet op het ondergeschikte karakter, geen planologische bezwaren bestaan. Voorts heeft de raad desgevraagd aangegeven dat deze detailhandel onder de bestemming "Bedrijventerrein" en de functieaanduiding "bedrijfsverzamelgebouw" niet is toegestaan en een nadere regeling behoeft.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

3.3. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de functieaanduiding "bedrijfsverzamelgebouw" voor het perceel [locatie 1] te Volkel, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 3]

4. [appellante sub 3] betoogt dat de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - showroom" op het perceel [locatie 2] te Uden niet overeenkomt met de bestaande en vergunde situatie.

4.1. De raad stelt dat [appellante sub 3] zich in de zienswijze niet heeft gericht tegen de wijze waarop de showroom van haar bedrijf is bestemd. Volgens de raad is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.

4.2. De zienswijze van [appellante sub 3] had betrekking op de planregeling voor het gehele perceel, waarbij is verzocht om het te bestemmen volgens de verleende vergunningen. Ook het beroep heeft betrekking op dit perceel. Gelet hierop is het beroep ontvankelijk.

4.3. De raad erkent dat de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - showroom" abusievelijk niet in overeenstemming met de bouwvergunning uit 2008 is overgenomen. Het bestreden besluit is wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt.

5. [appellante sub 3] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" voor het perceel [locatie 2] ten onrechte heeft vastgesteld voor zover daaraan niet tevens de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsverzamelgebouw" is toegekend. Daartoe voert zij aan dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de aanduiding alleen wordt toegekend aan oorspronkelijk als bedrijfsverzamelgebouw vormgegeven bebouwing. Aan de percelen Liessentstraat 9A en 16A is wel de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsverzamelgebouw" toegekend, terwijl de oorspronkelijke bebouwing niet als zodanig is vormgegeven. Volgens [appellante sub 3] voldoet de bebouwing op haar perceel aan de definitiebepaling van bedrijfsverzamelgebouw, omdat er een aantal faciliteiten binnen de bedrijfsbebouwing wordt gedeeld. Voorts is volgens haar, gelet op de verleende omgevingsvergunning voor bouwen in 2008 en het gemeentelijke beleid, evenmin duidelijk waarom het bedrijfsgebouw niet kan worden bestemd als bedrijfsverzamelgebouw.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsverzamelgebouw" wordt toegekend aan oorspronkelijk als zodanig vormgegeven bebouwing waarvoor een omgevingsvergunning is verleend en aan bedrijfsbebouwing die geleidelijk is veranderd naar een bedrijfsverzamelgebouw, waarbij veranderingen in een bepaald deel van het gebouw of functie steeds per onderdeel zijn beoordeeld en zo mogelijk zijn vergund. Ten aanzien van het bedrijf op het perceel [locatie 2] stelt de raad dat een beoordeling als bedrijfsverzamelbedrijf nooit is gevraagd en daarom ook niet is gemaakt. Volgens de raad is het gebouw op het perceel ook feitelijk niet aan te merken als een bedrijfsverzamelgebouw, omdat het in de loop van de tijd ten dele is gevuld met detailhandel, kantoren en dienstverlening. Daarnaast volgt uit het gemeentelijke beleid dat het niet wenselijk is om een te groot percentage bedrijven en bedrijfskavels op de bestaande bedrijventerreinen te herontwikkelen voor de realisatie van bedrijfsverzamelgebouwen. De door [appellante sub 3] genoemde percelen waaraan wel de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsverzamelgebouw" is toegekend, zijn geen gelijke gevallen.

5.2. Aan het perceel [locatie 2] zijn de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduidingen "bedrijf tot en met categorie 3.1" en "kantoor" toegekend. Aan een deel van het perceel is tevens de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - showroom" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.8, van de planregels wordt onder een bedrijfsgebouw verstaan: een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.

Ingevolge lid 1.10 wordt onder bedrijfsverzamelgebouw verstaan: een gebouw dat dient voor de huisvesting van verschillende bedrijven en kantoren, waarbij eventueel faciliteiten, zoals onder meer ict-voorzieningen, parkeervoorzieningen, vergaderruimtes, etc., gedeeld worden of kunnen worden.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijven, zoals opgenomen in de bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten - basis, waarbij geldt dat:

1. ter plaatse van de aanduiding "bedrijven tot en met categorie 2" uitsluitend bedrijven uit de milieucategorieën 1 en 2 zijn toegestaan;

2. ter plaatse van de aanduiding "bedrijven tot en met categorie 3.1" uitsluitend bedrijven uit de milieucategorieën 2 en 3.1 zijn toegestaan;

(…);

i. ter plaatse van de aanduiding "kantoor" tevens een zelfstandig kantoor;

(…);

m. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsverzamelgebouw" tevens een bedrijfsverzamelgebouw, waarin ook bedrijven in milieucategorie 1 van de onder a en b genoemde Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan zijn, en waarin ook horeca categorie 1, met uitzondering van logies, is toegestaan;

(…);

p. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - showroom" tevens een showroom;

(…).

5.3. Vast staat dat op het perceel een groothandel aanwezig is die ter plaatse beschikt over een showroom voor particulieren. Voorts is er een werkplaats aanwezig voor een interieurbouwer. Op de verdieping zijn vier zelfstandige kantoren aanwezig. Niet is gebleken dat de bestaande legale situatie, behoudens de omvang van de aanduiding voor de showroom, niet als zodanig is bestemd. Voor het oordeel dat aan het perceel de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsverzamelgebouw" had moeten worden toegekend, waarbij, naast de bestaande bedrijven ook bedrijven in categorie 1 zijn toegestaan, bestaat geen aanleiding. Daarbij is van belang dat de bebouwing op het perceel niet als bedrijfsverzamelgebouw is vergund. Anders dan [appellante sub 3] stelt, is niet gebleken dat met de bouwvergunning uit 2008 tevens een vergunning is verleend voor een bedrijfsverzamelgebouw. Dat er gezamenlijke functies, zoals ingang, receptie en sanitair, aanwezig zijn in het bedrijfsgebouw, is, gelet op de definitie in de planregels, niet doorslaggevend voor de vraag of aan het perceel de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsverzamelgebouw" moet worden toegekend.

Voorts heeft de raad toegelicht dat hij het niet wenselijk acht dat een te groot percentage bedrijfsgebouwen op de bestaande bedrijventerreinen wordt herontwikkeld als bedrijfsverzamelgebouw. Dit gaat ten koste van de ruimte voor grote bedrijfsgebouwen waarvoor het bedrijventerrein is bedoeld. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk.

Over de door [appellante sub 3] gemaakte vergelijking met het perceel [locatie 1] wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat het aldaar gevestigde bedrijf in het verleden wel een verzoek heeft ingediend voor een bedrijfsverzamelgebouw en dat detailhandel, anders dan in dit geval, ter plaatse is uitgesloten. Over het voormalige fabrieksgebouw op het perceel Liessentstraat 9A heeft de raad toegelicht dat daarvoor een aanvraag voor een grootschalige renovatie ten behoeve van een bedrijfsverzamelgebouw is ingediend met een specifiek concept voor startende ondernemers en een maatschappelijke functie, waarbij rekening is gehouden met bouwkundige eisen, veiligheidsnormen en parkeernormen die van belang zijn om het gebouw als bedrijfsverzamelgebouw te laten functioneren. In hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 3] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog faalt.

5.4. In hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft de vaststelling van het plandeel met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - showroom" voor het perceel [locatie 2] te Uden, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellanten sub 4]

6. [appellanten sub 4] betogen dat de raad het plandeel met de bestemming "Gemengd - Creatief" voor het perceel [locatie 3] te Uden ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover daaraan niet tevens de aanduiding "kantoor" is toegekend. Daartoe voeren zij aan dat op het perceel reeds vanaf 1987 een zelfstandig kantoor aanwezig is dat ook als zodanig is verhuurd aan derden. Ter onderbouwing hiervan verwijzen zij naar huurcontracten, foto's en een bouwtekening. Volgens hen stelt de raad zich ten onrechte op het standpunt dat de kantoorfunctie op het perceel deel uitmaakt van het ter plaatse gevestigde systeembouwbedrijf. [appellanten sub 4] voeren verder aan dat de aanduiding "kantoor" niet in strijd is met de provinciale Verordening ruimte 2012 omdat deze verordening alleen ziet op nieuwe situaties en zij stellen dat andere gebouwen op het perceel wel een aanduiding "kantoor" hebben gekregen.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit de gemeentelijke basisadministratie niet blijkt dat het pand op het perceel in gebruik was als zelfstandig kantoor. Daarnaast stelt de raad dat realisatie van nieuwe zelfstandige kantoren op het bedrijventerrein niet gewenst is en in strijd is met het gemeentelijke en provinciale beleid.

6.2. Niet in geschil is dat het gebouw omstreeks 1988 is gebouwd. Ter zitting is door de raad onweersproken gesteld dat voor de oprichting van het gebouw geen vergunning is verleend. Voorts was het gebouw, zo volgt uit het beroepschrift en de toelichting van de raad ter zitting, ten tijde van de vaststelling van het plan ook niet in gebruik als zelfstandig kantoor. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat bij het bestreden besluit rekening had moeten worden gehouden met het gebruik van het gebouw als zelfstandig kantoor. De verwijzing door [appellanten sub 4] naar huurcontracten, foto's en een bouwtekening doet er niet aan af dat voor dit gebruik nimmer planologische toestemming is verleend.

Volgens paragraaf 4.1 van de plantoelichting is het provinciale beleid er op gericht om nieuwe zelfstandige kantooractiviteiten op bedrijventerreinen als hier aan de orde niet toe te staan. Dat beleid wordt door [appellanten sub 4] niet betwist.

Ingevolge artikel 1.2, derde lid, van de Verordening ruimte 2012 wordt onder een bestaande bebouwing, een bestaande planologische gebruiksactiviteit of een bestaande omvang verstaan:

a. datgene wat het geldende bestemmingsplan, als bedoeld in het eerste lid, per 1 maart 2011 toestaat, met inbegrip van datgene wat nadien wordt toegestaan op grond van:

1. een uitwerking van het geldend bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de wet;

2. een besluit van het gemeentebestuur als direct gevolg van een onherroepelijke uitspraak van een bestuursrechter;

b. datgene waarvan onherroepelijk vaststaat dat handhaving wegens strijdigheid met het geldende bestemmingsplan niet meer mogelijk is.

Hieruit volgt dat in de Verordening ruimte 2012 een situatie als bestaand wordt beschouwd indien deze op grond van het geldende bestemmingsplan of een besluit van het gemeentebestuur is toegestaan, dan wel waarvan onherroepelijk vaststaat dat daartegen niet meer kan worden opgetreden. Nu niet gebleken is dat deze situaties zich hier voordoen, kunnen [appellanten sub 4] niet worden gevolgd in hun betoog dat het gebruik van het gebouw als zelfstandig kantoor moet worden beschouwd als een bestaande situatie waarop het beleid uit de Verordening ruimte 2012 niet van toepassing is.

Over de door [appellanten sub 4] gemaakte vergelijking met het perceel Frontstraat 1c wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat is beoogd om de bestaande functies als zodanig in het plan te bestemmen en het gebouw op dat perceel ten tijde van de vaststelling van het plan in gebruik was als kantoor. In hetgeen [appellanten sub 4] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellanten sub 4] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien om aan het gebouw op het perceel de aanduiding "kantoor" toe te kennen.

Het betoog faalt.

6.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellanten sub 4] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5]

7. Het beroep van [appellant sub 5] is gericht tegen artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder f, van de planregels. [appellant sub 5] betoogt dat deze planregel niet overeenkomt met de bestemming "Gemengd - Creatief" en de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2", die aan de percelen [locaties 4, 5, 6 en 7] te Uden is toekend. Volgens [appellant sub 5] is hierdoor onduidelijk wat ter plaatse precies is toegestaan.

7.1. Aan de betreffende percelen is de bestemming "Gemengd - Creatief" toegekend. Aan een deel van de percelen is tevens de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder f, van de planregels zijn de voor "Gemengd - Creatief" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - milieucategorie 3.2 en 4.1" tevens bestemd voor bedrijven van categorie 3.2 en 4.1 zoals opgenomen in de bijlage Staat van Bedrijfsactiviteiten - basis.

7.2. De aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2", die is toegekend aan het plandeel met de bestemming "Gemengd - Creatief" voor de percelen [locaties 4, 5, 6 en 7] , komt niet overeen met de aanduiding in artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder f, van de planregels. Uit de verbeelding, bezien in samenhang met voornoemde bepaling kan, zo heeft de raad ook ter zitting erkend, niet ondubbelzinnig worden opgemaakt wat ter plaatse van de betreffende percelen is toegestaan. Het bestreden besluit is wat dit onderdeel betreft genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog slaagt.

8. Het beroep van [appellant sub 5] is voorts gericht tegen de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - kinderdagverblijf", die is toegekend aan het plandeel met de bestemming "Gemengd - Creatief" voor de percelen [locaties 5 en 6] . [appellant sub 5] betoogt dat de aanduiding ten onrechte niet is opgenomen in artikel 6 van de planregels. Hierdoor is niet duidelijk wat ter plaatse van de aanduiding is toegestaan. Dat er twee kinderdagverblijven op de percelen aanwezig mogen zijn, is volgens hem ook niet duidelijk. Daarnaast zijn de bijbehorende buitenruimten en parkeerplaatsen niet opgenomen binnen de aanduiding.

8.1. De raad erkent dat in artikel 6 van de planregels abusievelijk geen regeling is opgenomen van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - kinderdagverblijf", die is toegekend aan het plandeel met de bestemming "Gemengd - Creatief". Voorts erkent de raad dat de buitenruimten behorende bij de betreffende kinderdagverblijven en de parkeerplaatsen ook als zodanig hadden moeten worden bestemd. Het bestreden besluit, voor zover daarbij de in geding zijnde aanduiding is opgenomen op de verbeelding en voor zover deze aanduiding niet is opgenomen in artikel 6 van de planregels, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog slaagt.

9. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder f, van de planregels, alsmede voor zover het betreft het plandeel met de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - kinderdagverblijf" voor de percelen [locaties 5 en 6] te Uden en voor zover deze aanduiding niet is opgenomen in artikel 6 van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De Afdeling overweegt ten overvloede dat, anders dan de raad stelt, uit de benaming op de verbeelding niet blijkt dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - kinderdagverblijf" twee kinderdagverblijven zijn toegestaan. De stelling van de raad dat door het opnemen van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - kinderdagverblijf" in de planregels afdoende zal blijken dat ter plaatse twee kinderdagverblijven zijn toegestaan, volgt de Afdeling niet, nu dezelfde aanduiding elders in de planregels wel is opgenomen en daaruit niet blijkt dat er ook meerdere kinderdagverblijven zijn toegestaan.

Het beroep van [appellante sub 6]

10. Ter zitting heeft [appellante sub 6] haar beroep, voor zover dit is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de functieaanduiding "bedrijfswoning" op het perceel [locaties 8] te [plaats], ingetrokken.

11. [appellante sub 6] komt op tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" op een deel van het bedrijfsperceel [locaties 9] te Uden. Naar aanleiding van haar zienswijze is de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf met werkplaats" ter plaatse verwijderd omdat de activiteit reeds bij recht zou zijn toegestaan volgens de bijbehorende "Staat van Bedrijfsactiviteiten - basis". Op de verbeelding van het vastgestelde plan is ter plaatse evenwel niet de daarmee corresponderende en voor het aannemingsbedrijf noodzakelijke aanduiding "bedrijven tot en met categorie 3.1" opgenomen waardoor dit deel van het bedrijf niet als zodanig is bestemd.

11.1. Volgens het verslag inspraak en vooroverleg bij het voorontwep van het plan is er met een onherroepelijk projectbesluit bouwvergunning, thans omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, verleend voor het aannemingsbedrijf van [appellante sub 6] en worden de bedrijfsactiviteiten, die overeenkomen met milieucategorie 3.1, positief bestemd. Gelet op de woonomgeving zal het bedrijf volgens dat verslag met een aanduiding specifiek worden bestemd, waarmee alleen de huidige bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. In de zienswijze op het ontwerp van het plan vraagt [appellante sub 6] deze aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf met werkplaats" te verwijderen, omdat volgens haar aan het gehele bedrijfsperceel al een aanduiding "bedrijven tot en met categorie 3.1" is toegekend. Volgens de zienswijzennota kan de aanduiding inderdaad vervallen omdat de aannemingsactiviteit reeds bij recht zou zijn toegestaan door middel van opname in de "Staat van Bedrijfsactiviteiten - basis".

Uit het voorgaande volgt dat de raad met het bestreden besluit heeft beoogd het aannemingsbedrijf als zodanig te bestemmen. Door echter op de verbeelding van het vastgestelde plan aan een deel van het bedrijfsperceel de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" toe te kennen is dat deel van het aannemingsbedrijf, dat behoort tot milieucategorie 3.1, niet als zodanig bestemd. Dit strookt niet met het standpunt van de raad in de zienswijzennota dat de activiteit bij recht is toegestaan. Ter zitting heeft de raad aangegeven dat het de bedoeling was voor het aannemingsbedrijf een maatbestemming op te nemen en dat dit voor een deel van het bedrijfsperceel abusievelijk niet is geschied. Het besluit is in zoverre onzorgvuldig vastgesteld.

Het betoog slaagt.

11.2. In hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" voor het perceel [locaties 9] te Uden, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 7]

12. Het beroep van [appellant sub 7] is gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de functieaanduiding "bedrijfswoning" op het perceel [locatie10] te [plaats]. De woning maakte deel uit van een agrarisch bedrijf dat inmiddels is afgesplitst en beëindigd. [appellant sub 7] heeft verzocht om met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid uit het voorheen geldende plan de bestemming van de woning te wijzigen in een burgerwoning. Weliswaar staat in de zienswijzennota dat het college van burgemeester en wethouders voornemens is het verzoek af te wijzen, doch bij brief van 31 juli 2013 hebben burgemeester en wethouders verklaard dat de gevraagde omgevingsvergunning sinds 3 november 2012 van rechtswege is verleend. Die vergunning voor een burgerwoning had volgens [appellant sub 7] dan ook moeten worden verwerkt in het plan.

Voorts is volgens [appellant sub 7] onduidelijk met welk gemeentelijk en provinciaal beleid de omzetting naar een burgerwoning in strijd zou zijn.

Verder gaat het standpunt van de raad, dat met de bedrijfsbestemming en de aanduiding voor een bedrijfswoning ook het daar gevestigde grafisch advies-, inkoop- en productieburo zou zijn bestemd, er aan voorbij dat het om een aan huis verbonden beroep dan wel een vorm van zakelijke dienstverlening gaat in een bijgebouw van de woning die dus niet als zodanig zijn bestemd.

[appellant sub 7] betwist voorts de keuze van de raad om de nabijgelegen agrarische percelen bij het bedrijventerrein te betrekken nu daarmee gevoelige objecten binnen het bedrijventerrein worden gebracht.

Volgens [appellant sub 7] blijven de gevolgen voor omliggende bedrijven gelijk, ongeacht de status van bedrijfs- of burgerwoning. Als de woning een belemmering zou zijn voor omliggende bedrijven had de raad de woning volgens [appellant sub 7] moeten verwerven.

12.1. Volgens het verweerschrift is tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het gebruik van de woning als burgerwoning bezwaar gemaakt. De raad heeft voorts gewezen op de beleidsmatige bezwaren tegen een burgerwoning op een bedrijventerrein. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, nu er ten tijde van het bestreden besluit nog geen onherroepelijke omgevingsvergunning was, een woonbestemming niet is aangewezen.

Het gemeentelijk beleid dat geen nieuwe burgerwoningen worden toegestaan op het bedrijventerrein ligt volgens de raad besloten in het voorheen geldende bestemmingsplan "2e herziening Industriepark Loopkant-Liessent". Dat beleid is in het plan voortgezet. Voorts verwijst de raad naar artikel 3.6 van de provinciale Verordening ruimte 2012, waarin staat dat zorgvuldig ruimtegebruik van bedrijventerreinen moet worden bevorderd door onder meer oneigenlijk ruimtegebruik tegen te gaan. Daaronder is in elk geval te rekenen burgerbewoning op een bedrijventerrein. Dat de strijdigheid met het gemeentelijk en provinciaal beleid onvoldoende kenbaar zou zijn onderschrijft de Afdeling dan ook niet.

Met de aanduiding voor een bedrijfswoning is ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder dd, van de planregels ook de uitoefening van beroepsmatige activiteiten bij deze woning tot een oppervlakte van 50 m2 toegestaan. In zoverre is het in het bijgebouw van de woning gevestigde grafisch advies-, inkoop- en productieburo, zoals in het beroepschrift nader omschreven, bestemd. Voor zover [appellant sub 7] in beroep stelt dat het gehele bijgebouw, dat volgens hem groter is dan 50 m2, een kantooraanduiding had moeten krijgen heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat hij uit oogpunt van efficiënt ruimtegebruik en het voorkomen van onnodige uitbreiding van bedrijventerreinen aan de rand van het stedelijk gebied niet bereid is om op deze locatie een zelfstandig kantoor mogelijk te maken. Een kantooraanduiding is volgens de raad een aanzienlijke verbreding van de toegestane activiteiten die hij op grond van zijn beleid inzake zelfstandige kantoren op bedrijventerreinen niet kan toestaan. Dat standpunt is, in aanmerking genomen dat het buro volgens de raad in strijd met het vorige bestemmingsplan ter plaatse was gevestigd, niet onredelijk.

De keuze van de raad om de voormalige agrarische bedrijfswoning bij het plangebied van het bedrijventerrein te betrekken is ingegeven door het feit dat er geen agrarische activiteiten meer plaatsvinden en een functie als bedrijfswoning op het bedrijventerrein passend wordt geacht. Voor verwerving van de illegaal bewoonde woning bestond dan ook geen aanleiding. Voegop kan voorts niet worden gevolgd in zijn stelling dat een burgerwoning wat milieugevoeligheid betreft gelijk te stellen is met een bedrijfswoning. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ongeacht de ligging in het plangebied voor het bedrijventerrein of voor het buitengebied, een bestemming als burgerwoning zich gezien de aan te houden milieuzonering niet verdraagt met de nabijgelegen bedrijfsbestemming.

Het betoog faalt.

13. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 7] ongegrond.

Het beroep van Euro Support

14. Het beroep van Euro Support is gericht tegen de maximaal toegestane bouwhoogte van 10 m voor het plandeel met de bestemming "Gemengd - Creatief" op het perceel Liessentstraat 9F te Uden. Euro Support betoogt dat ten onrechte geen maximaal toegestane bouwhoogte van 15 m bij recht wordt toegestaan. Op het perceel is reeds bebouwing aanwezig die hoger is dan 10 m. Volgens Euro Support wordt zij door de maximaal toegestane bouwhoogte van 10 m beperkt in haar uitbreidingsmogelijkheden. Voorts is het beroep van Euro Support gericht tegen de afwijkingsbevoegdheid in artikel 21 van de planregels. Zij betoogt dat afwijking van het plan ten onrechte niet mogelijk is, omdat in artikel 21 van de planregels een verkeerde verwijzing is opgenomen.

14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor de maximaal toegestane bouwhoogte is aangesloten bij het voorheen geldende plan. Daarnaast is in artikel 19 van de planregels een zogeheten bestaande matenregeling opgenomen. Hiermee is volgens de raad de bestaande legale bebouwing, voor zover hoger dan 10 m, als zodanig bestemd. Het bij recht toestaan van een hogere maximale bouwhoogte dan 10 m op het gehele perceel, acht de raad vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk. De raad stelt verder dat Euro Support geen concrete uitbreidingsplannen had die hij bij de vaststelling van het plan had moeten betrekken.

14.2. Aan het perceel is de bestemming "Gemengd - Creatief" toegekend. Het perceel heeft tevens de aanduidingen "wro-zone - ontheffingsgebied" en "maximum bouwhoogte (m)=10".

Ingevolge artikel 6, lid 6.2.2, aanhef en onder b, van de planregels mag de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen op de voor "Gemengd - Creatief" aangewezen gronden niet meer mag bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximale bouwhoogte (m)".

Ingevolge artikel 19, lid 19.5, onder a, mogen afstanden tot, hoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht indien deze op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer respectievelijk minder bedragen dan ingevolge het in hoofdstuk 2 bepaalde, als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangehouden.

Ingevolge artikel 21, lid 21.3, kan het bevoegd gezag ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - ontheffingsgebied" een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.2.2, onder b, voor het toestaan van een bouwhoogte tot maximaal 15 m, mits de hogere bouwhoogte inpasbaar is vanuit stedenbouwkundig-ruimtelijk oogpunt.

14.3. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid geen rekening hoefde te houden met de wens van Euro Support om bij recht een maximaal toegestane bouwhoogte van 15 m toe te kennen, nu Euro Support ten tijde van de vaststelling van het plan geen concreet bouwplan had voor de uitbreiding van haar bedrijf. Weliswaar heeft Euro Support gewezen op de in 2014 ingediende aanvraag om omgevingsvergunning, maar deze aanvraag is van na het bestreden besluit. De raad heeft bij de vaststelling van het plan in redelijkheid kunnen aansluiten bij de maximaal toegestane hoogte die gold in het voorheen geldende plan. De toelichting van de raad dat ervoor is gekozen om de maximale bouwhoogte aan de rand van het bedrijventerrein, waar tevens het perceel van Euro Support ligt, lager te laten zijn dan in het midden van het bedrijventerrein, teneinde een geleidelijke overgang naar het aangrenzende woongebied mogelijk te maken, is niet onredelijk. Voorts is van belang dat de bestaande legale bebouwing op het perceel, voor zover hoger dan 10 m, op basis van artikel 19, lid 19.5, onder a, van de planregels als zodanig is bestemd. Daarnaast heeft de raad beoogd om door middel van een omgevingsvergunning incidenteel af te wijken van de maximaal toegestane hoogte indien dat ruimtelijk aanvaardbaar is.

Het betoog faalt.

14.4. Over voornoemde afwijkingsbevoegdheid overweegt de Afdeling echter als volgt. De raad heeft erkend dat bij de vaststelling van het plan een verkeerde verwijzing in artikel 21, lid 21.3, van de planregels is opgenomen. Dit had volgens de raad een verwijzing naar artikel 6, lid 6.2.2, aanhef en onder b, moeten zijn. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft dit onderdeel, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

14.5. In hetgeen Euro Support heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft artikel 21, lid 21.3, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 9]

15. [appellant sub 9] betoogt dat de raad aan het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" voor het perceel [locatie11] te Uden ten onrechte de aanduiding "kantoor" heeft toegekend. Volgens hem had de raad daaraan de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijventerrein - bedrijfsverzamelgebouw" en "bedrijven in categorie 1" moeten toekennen. [appellant sub 9] voert aan dat op het perceel ook andere bedrijfsactiviteiten uit milieucategorie 1 dan kantoren plaatsvinden en dat het gebouw op het perceel is aan te merken als een bedrijfsverzamelgebouw. Volgens [appellant sub 9] waren bedrijven in categorie 1 in het voorheen geldende plan wel toegestaan. [appellant sub 9] voert verder aan dat zij door de wijze van bestemmen wordt belemmerd in de gebruiksmogelijkheden van het perceel.

16. De raad stelt zich op het standpunt dat bedrijven in milieucategorie 1 niet goed passen op het bedrijventerrein en daarom in beginsel niet zijn toegestaan. Volgens de raad zijn dergelijke bedrijven, gelet op hun geringe milieubelasting, beter inpasbaar in gebieden met functiemenging of in woongebieden. De raad stelt voorts dat de bestaande bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 9] als zodanig zijn bestemd. De bedrijfsactiviteiten die op dit moment aanwezig zijn, vallen volgens de raad allemaal onder de kantoorfunctie.

17. Aan het perceel [locatie11] is de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend. Het perceel heeft tevens de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1" en "kantoor".

18. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Industriepark Loopkant-Liessent", dat door de raad is vastgesteld op 25 april 1985 en door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant is goedgekeurd op 1 oktober 1985, was aan het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, klasse B, met bijbehorende erven (BB)" toegekend.

Ingevolge artikel 4, aanhef en lid b, van de planvoorschriften zijn de voor "Bedrijfsdoeleinden, klasse B, met bijbehorende erven (BB)" bestemde gronden bestemd voor:

- verzorgende en ambachtelijke bedrijven;

- groothandelsbedrijven;

- kantoren;

- bedrijven, welke genoemd worden in lid A onder categorie 1, 2, 3 of 4 van de in artikel 3 opgenomen Staat van Inrichtingen;

- bedrijven, welke niet genoemd worden in lid A onder categorie 1, 2, 3 of 4 van de in artikel 3 opgenomen Staat van Inrichtingen, doch welke, gehoord de Inspecteur van de Volksgezondheid voor de Hygiëne van het Milieu, naar de aard gelijk te stellen zijn met de in lid A onder categorie 1, 2, 3 of 4 genoemde bedrijven; zulks met uitzondering van detailhandelsbedrijven en bedrijven genoemd in lid B van de in artikel 3 opgenomen Staat van Inrichtingen.

19. Vast staat dat op het perceel [locatie11] verschillende kantoren zijn gevestigd. Niet in geschil is dat deze kantoren als zodanig zijn bestemd. [appellant sub 9] heeft niet aannemelijk gemaakt dat op het perceel andere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden die als zodanig hadden moeten worden bestemd. Zo in het voorheen geldende plan al bedrijven in categorie 1 waren toegestaan die gelijk gesteld kunnen worden met categorie 1 van het nu voorliggende plan, kunnen daaraan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen voor gronden vaststellen. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bedrijven in milieucategorie 1 naar de huidige inzichten niet goed passen op het bedrijventerrein, nu dit met name bedoeld is voor bedrijven in een zwaardere milieucategorie. De raad heeft toegelicht dat hij op het bedrijventerrein ruimte wil bieden aan bedrijven die niet in een woonomgeving passen. Alleen de bestaande legale bedrijven zijn, voor zover deze afwijken van de toegestane categorieën, als zodanig bestemd. Dat standpunt is niet onredelijk. Voor het oordeel dat aan het perceel de aanduiding "bedrijven in categorie 1" had moeten worden toegekend, bestaat derhalve geen aanleiding.

Voor het oordeel dat aan het perceel de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsverzamelgebouw" had moeten worden toegekend, bestaat evenmin aanleiding. Daarbij is in aanmerking genomen dat de enkele aanwezigheid van kantoren in het bedrijfsgebouw die gebruik maken van gezamenlijke faciliteiten niet betekent dat aan het perceel de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsverzamelgebouw" had moeten worden toegekend, nu hiermee, gelet op artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder m, van de planregels zoals aangehaald in overweging 5.2, alle bedrijven in categorie 1 worden mogelijk gemaakt. Voorts is voor het bedrijfsgebouw geen vergunning verleend voor een bedrijfsverzamelgebouw. De raad heeft in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de bestemming van het bedrijventerrein voor zwaardere milieucategorieën dan aan het belang van [appellant sub 9] bij ruimere gebruiksmogelijkheden. De Afdeling heeft hierbij mede in aanmerking genomen, zoals ook is overwogen in 5.3, dat het standpunt van de raad, dat het niet wenselijk is dat een te groot percentage bedrijfsgebouwen op de bestaande bedrijventerreinen wordt herontwikkeld als bedrijfsverzamelgebouw, niet onredelijk is.

Het betoog faalt.

20. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 9] ongegrond.

Opdracht

21. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Proceskosten

22. De raad dient ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 2], [appellante sub 3], [appellant sub 5] en [appellante sub 6] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van het beroep van Euro Support is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

Ten aanzien van de beroepen van Beter Bed, [appellanten sub 4], [appellant sub 7] en [appellant sub 9] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellante sub 3], [appellant sub 5], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 6] B.V en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Euro Support Advanced Materials B.V. gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Uden van 16 mei 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Loopkant-Liessent" voor zover het betreft de vaststelling van:

a. het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de functieaanduiding "bedrijfsverzamelgebouw" voor het perceel [locatie 1] te Volkel;

b. het plandeel met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - showroom" voor het perceel [locatie 2] te Uden;

c. artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder f, van de planregels;

d. het plandeel met de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - kinderdagverblijf" voor de percelen [locaties 5 en 6] te Uden en voor zover deze aanduiding niet is opgenomen in artikel 6 van de planregels;

e. het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" voor het perceel [locaties 9] te Uden;

f. artikel 21, lid 21.3, van de planregels;

III. draagt de raad van de gemeente Uden op om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen in daarin is overwogen een nieuw plan vast te stellen voor zover het betreft de onderdelen II, onder a, b, c, d, e en f, en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart de beroepen van de naamloze vennootschap Beter Bed Holding N.V, [appellanten sub 4], [appellant sub 7] en [appellant sub 9] Juridisch Adviesbureau ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Uden tot vergoeding van:

a. bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 3] B.V in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. bij [appellant sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. bij [appellante sub 6] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1617,54 (zegge: zestienhonderdzeventien euro en vierenvijftig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Uden aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 2];

b. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor [appellante sub 3];

c. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 5];

d. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor [appellante sub 6];

e. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Euro Support Advanced Materials B.V.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Boermans

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014

429-662.