Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:318

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
201304095/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft het dagelijks bestuur, voor zover hier van belang, de Banstraat ter hoogte van de kruising De Lairessestraat, locatie nummer 16-10, te Amsterdam, aangewezen als locatie voor twee ondergrondse afvalcontainers voor huishoudelijk restafval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304095/1/A4.

Datum uitspraak: 5 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Vereniging van Eigenaren van de woningen Banstraat 30 en De Lairessestraat 64-2 en 64-3, gevestigd te Amsterdam, en anderen, allen wonend te Amsterdam,

appellanten,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft het dagelijks bestuur, voor zover hier van belang, de Banstraat ter hoogte van de kruising De Lairessestraat, locatie nummer 16-10, te Amsterdam, aangewezen als locatie voor twee ondergrondse afvalcontainers voor huishoudelijk restafval.

Tegen dit besluit hebben de Vereniging van Eigenaren en anderen beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Vereniging van Eigenaren en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2013, waar de Vereniging van Eigenaren en anderen, vertegenwoordigd door mr. P.J.P. Dietz de Loos, advocaat te Wassenaar, en [gemachtigde], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.P. Peters en G. Westerbos, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 10.23 van de Wet milieubeheer stelt de gemeenteraad in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast.

Ingevolge artikel 4, vierde lid, van de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Amsterdam, kan het college aanwijzen met behulp van welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of met behulp van welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Verordening op de stadsdelen van de gemeente Amsterdam, draagt het college al zijn bevoegdheden over aan het dagelijks bestuur van de stadsdelen.

2. Het dagelijks bestuur hanteert bij het aanwijzen van een locatie voor ondergrondse afvalcontainers het beleid zoals dat is vastgelegd in het Programma van Eisen ondergrondse restafvalinzameling gebied Oud-Zuid van 8 februari 2012 (hierna: het PvE). Hierin staan, voor zover hier van belang, de volgende locatiecriteria vermeld:

• de loopafstand vanaf de woning tot restafvalcontainers bedraagt niet meer dan 75 m en in uitzonderingsgevallen niet meer dan 125 m;

• containers mogen geen gevaar veroorzaken voor de verkeersveiligheid;

• containerlocaties moeten goed bereikbaar zijn voor voetgangers, minder validen en fietsers;

• de afstand tussen de container (rand van de container) en de gevel is minimaal 2 m;

• het opofferen van parkeerplaatsen wordt zoveel mogelijk voorkomen. Indien er geen andere plaatsingsmogelijkheid voorhanden is, wordt de onttrokken parkeerplaats op een andere plek gecompenseerd;

• bomen en groen worden zoveel mogelijk ontzien. Er worden in principe geen (monumentale) bomen gekapt;

• er wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de omgeving/omwonenden;

• bij het bepalen van een locatie moet een zo optimaal mogelijk sluitend locatienetwerk en mogelijke capaciteitsverdeling met betrekking tot het afvalaanbod worden verkregen.

3. De locatie voor de ondergrondse afvalcontainers is deels op de stoep en deels op de parkeerplaats voor de woning Banstraat 30 gelegen.

4. De Vereniging van Eigenaren en anderen kunnen zich niet verenigen met de aanwijzing van de locatie Banstraat ter hoogte van de kruising De Lairessestraat voor het plaatsen van ondergrondse afvalcontainers.

5. De Vereniging van Eigenaren en anderen voeren aan dat het dagelijks bestuur onvoldoende rekening heeft gehouden met de geluid- en geuroverlast en gevaarlijke situaties die kunnen ontstaan ten gevolge van het plaatsen van de ondergrondse afvalcontainers. De Vereniging van Eigenaren en anderen vrezen in dit verband met name voor het bijplaatsen van afval. Daarnaast heeft het dagelijks bestuur volgens hen geen rekening gehouden met de waardedaling van hun woningen. De Vereniging van Eigenaren en anderen hebben ter onderbouwing van hun stelling dat de waarde van hun woningen daalt een taxatierapport overgelegd voor de woning Banstraat 30-hs. In dit rapport is opgemerkt dat het plaatsen van ondergrondse containers een ernstig waardedrukkend effect zal hebben.

5.1. Het dagelijks bestuur stelt zich op het standpunt dat niet valt uit te sluiten dat er enige overlast wordt ondervonden vanwege de ondergrondse afvalcontainers, maar dat deze overlast in voldoende mate wordt beperkt. Volgens het dagelijks bestuur wordt het bijplaatsen van afval zoveel mogelijk voorkomen. In dit verband wijst het dagelijks bestuur erop dat met het aanwijzingsbesluit is voorzien in een sluitend netwerk, waarbij elke locatie is berekend op het aanbod van afval uit de omgeving, zodat de containers niet snel vol zullen raken. Voor zover er toch bijplaatsingen plaatsvinden en het stadsdeel hiervan op de hoogte wordt gebracht, zal dezelfde dag nog actie worden ondernomen, aldus het dagelijks bestuur. Daarnaast merkt het dagelijks bestuur op dat het stadsdeel is gestart met het Impulsproject Schoon Zuid om zwerfafval en ongewenste bijplaatsingen aan te pakken.

Wat betreft een mogelijke waardedaling van de woningen van de Vereniging van Eigenaren en anderen stelt het dagelijks bestuur zich op het standpunt dat, wanneer aan de hiervoor geldende voorwaarden wordt voldaan, op basis van de Algemene verordening nadeelcompensatie een verzoek om nadeelcompensatie bij het stadsdeel kan worden ingediend.

5.2. Het dagelijks bestuur heeft zich gelet op genoemde maatregelen die worden genomen om bijplaatsingen van huis- of grofvuil te voorkomen in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door de Vereniging van Eigenaren en anderen gevreesde overlast beperkt en aanvaardbaar is. Voor zover de Vereniging van Eigenaren en anderen vrezen voor waardedaling van hun woningen, hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat de nadelige gevolgen van de plaatsing van de ondergrondse containers nabij hun woningen zodanig groot zijn voor de waarde van hun woningen, dat het dagelijks bestuur op grond daarvan had moeten afzien van de aanwijzing van die locatie. De vraag of en in hoeverre de woningen van de Vereniging van Eigenaren en anderen in waarde dalen door de plaatsing van de ondergrondse afvalcontainers, staat daarbij in dit geding niet afzonderlijk ter beoordeling. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur deze locatie vanwege de door de Vereniging van Eigenaren en anderen ondervonden overlast en mogelijke waardedaling van hun woningen niet had mogen aanwijzen als een locatie voor ondergrondse afvalcontainers.

De beroepsgrond faalt.

6. De Vereniging van Eigenaren en anderen voeren aan dat de bij het bestreden besluit aangewezen locatie voor de ondergrondse afvalcontainers niet geschikt is. Volgens hen worden de ondergrondse afvalcontainers te dicht bij de toegang tot de woningen aan de Banstraat geplaatst. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen zij onder meer naar een document van de Koninklijke Vereniging voor Afval- en Reinigingsmanagement (hierna: de NVRD) betreffende ondergrondse afvalcontainers waarin is opgemerkt dat een ondergrondse container op voldoende afstand, indien mogelijk minimaal 3 m, van een gevel van een woonhuis geplaatst wordt. Ook de containerplaat bevindt zich te dicht bij de gevel ten gevolge waarvan wanneer het regent door de gladheid van deze plaat gevaarlijke situaties zullen ontstaan, aldus de Vereniging van Eigenaren en anderen. Voorts vrezen de Vereniging van Eigenaren en anderen voor het plaatsen van fietsen tegen de containers waardoor de doorgang voor bewoners wordt beperkt.

6.1. Volgens het dagelijks bestuur bedraagt de afstand tussen de gevel en de afvalcontainers 2,6 m en wordt hiermee voldaan aan het criterium dat de afstand tussen de gevel en een afvalcontainer minimaal 2 m dient te bedragen. Het dagelijks bestuur ziet geen aanleiding om van dit criterium af te wijken. In dit verband wijst het dagelijks bestuur erop dat dit locatiecriterium is ontwikkeld aan de hand van ervaringen die zijn opgedaan binnen het eigen stadsdeel en ervaringen van andere stadsdelen bij het uitrollen van een ondergronds afvalinzamelingsnetwerk. Volgens het dagelijks bestuur is in de praktijk gebleken dat bij een afstand van 2 m tot de gevel van woningen er een vrije doorgang is. Bovendien is vanwege de indeling van de wijk een veel grotere afstand in de meeste gevallen niet mogelijk. Volgens het dagelijks bestuur blijkt uit navraag bij de NVRD dat het document waarnaar de Vereniging van Eigenaren en anderen verwijzen een bijlage bij een onderzoeksrapportage naar het beheer van inzamelmiddelen betreft, waarin locatiecriteria zijn opgenomen die niet meer dan tips zijn voor gemeenten waarmee ze bij de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers rekening kunnen houden. Wat betreft de vrees voor uitglijdende voetgangers merkt het dagelijks bestuur op dat het voor zich spreekt dat de bovenkant van de containerplaat zal moeten bestaan uit antislipmateriaal waarop men niet kan uitglijden. Bij de aanbesteding voor het leveren van de ondergrondse afvalcontainers zal dat één van de te stellen kwaliteitseisen zijn. De vrees voor het plaatsen van fietsen tegen de ondergrondse container is naar de mening van het dagelijks bestuur niet gebaseerd op feiten.

6.2. Hetgeen de Vereniging van Eigenaren en anderen aanvoeren geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat een afstand van 2,6 m tussen de gevel en de afvalcontainers voldoende is. Hiermee wordt voldaan aan het criterium van het PvE dat minimaal een afstand van 2 m is vereist. Hetgeen de Vereniging van Eigenaren en anderen aanvoeren geeft gelet op hetgeen het dagelijks bestuur heeft opgemerkt zoals hiervoor weergegeven, geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dit criterium toe te passen.

De beroepsgrond faalt.

7. De Vereniging van Eigenaren en anderen voeren aan dat het dagelijks bestuur ten onrechte niet heeft gekozen voor één van de volgende door hen genoemde alternatieven:

- aan de overkant van de straat van de locatie Banstraat ter hoogte van de kruising De Lairessestraat;

- op de hoek van de Banstraat en de Johannes Verhulststraat;

- op de hoek van de Banstraat en de J.J. Viottastraat;

- het laten vervallen van de locatie Banstraat ter hoogte van de kruising De Lairessestraat.

De eerst genoemde locatie heeft volgens de Vereniging van Eigenaren en anderen als voordeel dat deze is gesitueerd voor een kantoor en dat er geen parkeerplaats voor hoeft te worden opgeheven. Weliswaar zou op deze locatie een boom verwijderd dienen te worden ten behoeve van de ondergrondse afvalcontainers, maar deze zou verplaatst kunnen worden naar de overkant van de straat, aldus de Vereniging van Eigenaren en anderen. Volgens de Vereniging van Eigenaren en anderen heeft de tweede locatie als voordeel dat daar geen woonhuizen zijn gelegen. Het voordeel van de derde locatie is volgens de Vereniging van Eigenaren en anderen dat hier reeds containers voor glas en papier staan, binnen een straal van 13 m geen woonhuizen zijn gelegen, het aantal meters dat bewoners van de J.J. Viottastraat moeten afleggen naar de dichtstbijzijnde afvalcontainer wordt gereduceerd en er ruimte is voor laden en lossen.

7.1. Wat betreft de eerst genoemde locatie merkt het dagelijks bestuur op dat het criterium ‘het zoveel mogelijk ontzien van bomen’ betekent dat containers niet binnen een afstand van 2 m van het hart van een boom worden geplaatst. Bij de voorgestelde locatie zouden de containers binnen 2 m afstand van een boom worden geplaatst. Dit zou tot verplaatsing of kap van de boom moeten leiden, omdat de kraan van de vrachtauto die de containers komt legen vrij moet kunnen bewegen. Verplaatsing van de boom naar de overkant van de straat is vanwege het aanzicht van de straat niet wenselijk, omdat aan deze kant van de straat geen bomen zijn geplaatst. Daarnaast stelt het dagelijks bestuur dat het kappen van bomen bij omwonenden gevoelig ligt.

Het dagelijks bestuur stelt zich ten aanzien van de tweede genoemde locatie op het standpunt dat door verplaatsing naar de hoek van de Banstraat en de Johannes Verhulststraat de bewoners van De Lairessestraat 52, 54, 56, 58 en 60, 68, 70, 72, 74, 76, 78, 80 en 82 verder dan 75 m naar de ondergrondse afvalcontainer moeten lopen, zodat wat betreft dit alternatief niet aan de aanbevolen loopafstand van 75 m wordt voldaan. De Vereniging van Eigenaren en anderen hebben volgens het dagelijks bestuur geen argumenten aangevoerd die het maken van een uitzondering op de aanbevolen loopafstand van 75 m rechtvaardigen.

Het dagelijks bestuur acht de derde locatie ook niet méér geschikt, nu deze niet voldoet aan de locatiecriteria dat de containerlocaties geen gevaar mogen opleveren voor de verkeersveiligheid en de containerlocaties goed bereikbaar moeten zijn voor voetgangers, minder validen en fietsers, omdat bewoners een hoofdnet voor het openbaar vervoer en auto moeten oversteken om deze locatie te bereiken.

Volgens het dagelijks bestuur is het laten vervallen van de locatie Banstraat ter hoogte van de kruising De Lairessestraat onder meer geen optie, nu ten gevolge hiervan de maximale loopafstand van 125 m zou worden overschreden.

7.2. Het dagelijks bestuur heeft zich gelet op de hiervoor weergegeven motivering in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat genoemde alternatieven niet geschikter zijn dan de locatie Banstraat ter hoogte van de kruising De Lairessestraat.

De beroepsgrond faalt.

8. De Vereniging van Eigenaren en anderen vrezen dat onvoldoende handhavend wordt opgetreden tegen het bijplaatsen van afval bij de ondergrondse afvalcontainers.

Deze beroepsgrond betreft het aspect handhaving en raakt niet de rechtmatigheid van het besluit tot plaatsing van de ondergrondse afvalcontainers.

Deze beroepsgrond faalt.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Schoppers, ambtenaar van staat.

w.g. Michiels w.g. Schoppers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2014

578.