Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3178

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
201300269/2/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:6856, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 februari 2011 heeft de SUWR geweigerd [appellant] een urgentieverklaring te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201300269/2/A3.

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 november 2012 in zaak nr. 11/5214 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond (hierna: de SUWR).

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2011 heeft de SUWR geweigerd [appellant] een urgentieverklaring te verlenen.

Bij besluit van 20 oktober 2011 heeft de SUWR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De SUWR heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. D. Vermaat, advocaat te Barendrecht, en de SUWR, vertegenwoordigd door mr. M. van Andel, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 23 april 2014 in zaak nr. 201300269/1/A3 heeft de Afdeling de SUWR opgedragen om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 20 oktober 2011 alsnog toereikend te motiveren. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 4 juni 2014 heeft de SUWR ter uitvoering van de tussenuitspraak onder meer een advies van de Gemeentelijke Geneeskundige Dienst Rotterdam-Rijnmond (hierna: de GGD) van 22 mei 2014 (hierna: het advies van 22 mei 2014) overgelegd.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [appellant] een zienswijze ingediend.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de tussenuitspraak.

2. Gelet op hetgeen onder 6 in de tussenuitspraak is overwogen, is het hoger beroep van [appellant] gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal het beroep tegen het besluit van 20 oktober 2011 gegrond verklaren. Dat besluit wordt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vernietigd. Er is evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

2.1. [appellant] ervaart klachten doordat in cafés in de buurt waar hij woont en door zijn naaste buren intensief wiet wordt gerookt en hij passief meerookt. In de tussenuitspraak is geoordeeld dat uit de adviezen van de GGD waarop het besluit van 20 oktober 2011 is gebaseerd onvoldoende blijkt dat bij de beoordeling van de medische problematiek van [appellant] ook zijn directe woonomgeving is betrokken. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat het in de rede ligt dat de SUWR de GGD een nieuw advies laat uitbrengen. Indien de hernieuwde beoordeling van de medische problematiek van [appellant] niet leidt tot verlening van een urgentieverklaring, moet de SUWR - met inachtneming van de uitkomsten van de hernieuwde beoordeling - ook opnieuw bezien of aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule, als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de Huisvestingsverordening stadsregio Rotterdam 2006, aldus de Afdeling.

2.2. Uit het advies van 22 mei 2014 blijkt dat [appellant] op 12 mei 2014 is onderzocht door K. Jhagru, als adviserend arts werkzaam bij de GGD (hierna: de arts). Er heeft een anamnese, een gericht lichamelijk onderzoek en een oriënterend psychologisch onderzoek plaatsgevonden. Voorts is de problematiek nader geobjectiveerd door het stellen van gerichte vragen en observatie. De onderzoeksbevindingen zijn dat er geen verstoringen van de functies en anatomische eigenschappen bij [appellant] zijn. Daarbij is door de arts toegelicht dat de klachten die [appellant] ervaart, zoals verminderde alertheid en concentratie-, oriëntatie- en geheugenstoornissen, grotendeels subjectief van aard zijn en deze klachten niet zijn waar te nemen. Voor zover de klachten objectief van aard waren, is behandeling, aldus het advies, voorliggend. Volgens de arts kan [appellant] in medisch ergonomisch opzicht zijn woning adequaat bereiken en verlaten en is de toegankelijkheid van en begaanbaarheid door de woning adequaat te noemen. In medisch ergonomisch opzicht is geen reden om een urgentieverklaring te verlenen, aldus de arts.

2.3. Naar het oordeel van de Afdeling is met het advies van 22 mei 2014 het gebrek in de motivering van het besluit van 20 oktober 2011 opgeheven. De stelling van [appellant] in zijn zienswijze dat de GGD er ten onrechte aan voorbijgaat dat zijn medische klachten het gevolg zijn van het feit dat hij in een buurt woont waar veel wiet wordt gerookt, biedt geen grond voor een ander oordeel, reeds omdat deze stelling niet door hem is gestaafd met een medisch advies. Gelet op het advies van 22 mei 2014 bestond voor de SUWR voorts geen aanleiding om opnieuw te bezien of toepassing moet worden gegeven aan de hardheidsclausule.

3. Het SUWR moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 november 2012 in zaak nr. 11/5214;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de stichting Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond van 20 oktober 2011, kenmerk 13006/201100038/213;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt de stichting Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond tot vergoeding aan [appellant] van bij deze in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2191,50 (zegge: tweeduizend honderdeenennegentig euro vijftig) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de stichting Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Polak w.g. Beerse

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014

382.