Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3176

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
201304565/3/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Waterland 2013" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304565/3/R1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Broek in Waterland, gemeente Waterland,

en

de raad van de gemeente Waterland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Waterland 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. F. Frank, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door J. van Ruler, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

De Afdeling heeft de behandeling van het onderhavige beroep afgesplitst van zaak nr. 201304565/1/R1. De behandeling van de overige beroepen tegen het besluit van 11 april 2013 is onder voormeld zaaknummer voortgezet.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 16 mei 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. F. Frank, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door J. van Ruler, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in een planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Waterland. Het plan maakt enkele ontwikkelingen mogelijk en is voor het overige consoliderend van aard.

Het beroep van [appellant] die woont op het perceel [locatie] te Broek in Waterland, is gericht tegen de in het plan voorziene brandweerpost op het perceel Eilandweg 35.

2. De raad stelt dat het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk is, omdat het beroepschrift geruime tijd na het einde van de beroepstermijn is ingediend.

3. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing.

Ingevolge artikel 6:8, vierde lid, van de Awb vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 6:7 bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4. Uit de stukken blijkt dat het vastgestelde plan is bekendgemaakt door een kennisgeving van het besluit in de Staatscourant. Verder is kennisgeving van het besluit gedaan in een huis-aan-huisblad en in het elektronisch gemeenteblad.

Vast staat dat het vastgestelde plan met ingang van 24 mei 2013 ter inzage heeft gelegen en dat de beroepstermijn, gelet op artikel 6:8, vierde lid, van de Awb aanving op 25 mei 2013 en liep tot en met 5 juli 2013. Het beroepschrift van [appellant] is op 21 februari 2014 per fax en derhalve buiten de beroepstermijn ingediend.

5. [appellant], die geen zienswijze tegen het ontwerpplan heeft ingediend, betoogt dat de vaststelling van het plan gebrekkig is bekendgemaakt.

Daartoe voert hij aan dat de publicatie slechts vermeldt dat het gaat om het bestemmingsplan "Buitengebied Waterland 2013" en dat hij hieruit niet heeft kunnen afleiden en ook niet heeft hoeven afleiden dat het plan mede betrekking heeft op de locatie van de brandweerpost bij Broek in Waterland. Verder stelt hij dat zijn perceel [locatie] niet in het buitengebied ligt en dat er voor hem geen reden was om ervan uit te gaan dat zijn perceel en naastgelegen percelen in het plangebied waren opgenomen.

Voorts betoogt [appellant] dat in het kader van de procedure van het projectbesluit voor de brandweerpost is toegezegd dat hij op de hoogte zou worden gehouden van verdere besluitvorming ten aanzien van de brandweerpost.

6. [appellant] heeft ter zitting gesteld dat hij de kennisgeving heeft gezien maar dat, nu zijn perceel [locatie] niet in het buitengebied ligt, hij vanwege de naam "Buitengebied Waterland 2013" daaruit niet kon afleiden dat zijn perceel en aangrenzende percelen in het plan waren opgenomen. De Afdeling stelt voorop dat de naamgeving van een bestemmingsplan niet bepalend is voor de begrenzing van een bestemmingsplan.

In de kennisgeving van de vaststelling van het plan staat dat de raad op 11 april 2013 het bestemmingsplan "Buitengebied Waterland 2013" gewijzigd heeft vastgesteld, dat de wijzigingen zijn beschreven in het vaststellingsbesluit, dat het vastgestelde plan met ingang van vrijdag 24 mei 2013 gedurende een periode van zes weken ter inzage ligt en dat het bestemmingsplan met de bijbehorende stukken kan worden ingezien op de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl die ook te bereiken is via de gemeentelijke website www.waterland.nl en bij de afdeling Publiekszaken in het gemeentehuis. Niet valt in te zien dat [appellant] gelet op deze kennisgeving ervan heeft kunnen en mogen uitgaan dat zijn perceel en de aangrenzende percelen niet in dit plan zouden zijn opgenomen. Het perceel [locatie] van [appellant] ligt immers op ongeveer 30 m van de bebouwing die de buitenste rand van de bebouwing van Broek in Waterland vormt. Het perceel Eilandweg 35 ligt verder van de buitenste rand van de bebouwing op meer dan 50 m daarvan. Bovendien heeft de raad onweersproken gesteld, dat de locaties [locatie] en Eilandweg 35 ook reeds in het vorige bestemmingsplan voor het buitengebied, te weten het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1999", waren opgenomen. Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld, dat [appellant] rekening had kunnen en moeten houden met de mogelijkheid dat het plan betrekking had op zijn perceel en op nabijgelegen percelen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel, dat de bekendmaking van het vastgestelde plan gebrekkig is geweest.

7. Vaststaat dat [appellant] betrokken is geweest bij de procedure voor het projectbesluit voor een brandweerpost op het perceel Eilandweg 35, welk perceel in die procedure ook is aangeduid als het perceel in de zuidelijke lus van de afslag van de N247 in Broek in Waterland. Verder is onbetwist dat in het kader van die procedure [appellant] en/of zijn advocaat meerdere gesprekken hebben gehad met de burgemeester en de desbetreffende projectleider van de gemeente Waterland. [appellant] heeft zijn stelling dat in die gesprekken is toegezegd dat hij op de hoogte zou worden gehouden van verdere besluitvorming met betrekking tot een brandweerpost op het perceel Eilandweg 35 niet onderbouwd met concrete stukken.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de projectleider van de gemeente Waterland op 27 januari 2014 een email heeft gestuurd waaruit kan worden afgeleid dat de brandweerpost is opgenomen in het inmiddels in werking getreden bp "Buitengebied Waterland 2013". In de desbetreffende door de projectleider aan (de advocaat van) [appellant] verzonden email is vermeld: "Ten aanzien van uw vraag over de provincie, kan ik u melden dat het voorgestelde ontwerp van de te bouwen kazerne past binnen het in werking getreden bestemmingsplan Buitengebied 2013. De gemeente heeft dus geen ontheffing nodig van de provincie." In reactie hierop heeft (de advocaat van) [appellant] op dezelfde dag per email geantwoord dat hij niet rechtstreeks is geïnformeerd over de bestemmingsplanprocedure.

De Afdeling laat buiten beschouwing of [appellant] aan gesprekken in het kader van de procedure voor het projectbesluit de gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen dat [appellant] rechtstreeks en afzonderlijk op de hoogte zou worden gehouden van de in een bestemmingsplanprocedure te nemen besluiten. Zelfs indien daarvan wordt uitgegaan had [appellant] nadat hij van het in mei 2013 bekendgemaakte besluit op de hoogte was geraakt, in beginsel twee weken de gelegenheid om daartegen beroep in te stellen. De wettelijke termijn gaat immers in een situatie als hier aan de orde niet opnieuw lopen. In dit verband verwijst de Afdeling naar de uitspraak van 30 augustus 2006 in zaak nr. 200510167/1. Dat [appellant], nadat hij op 27 januari 2014 alsnog op de hoogte was geraakt van het bestreden besluit, nog enkele procedurele punten wilde nagaan, neemt niet weg dat [appellant] binnen twee weken na 27 januari 2014, zo nodig op nader aan te voeren gronden, beroep had kunnen instellen.

Gezien het vorenstaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant] in verzuim is geweest.

8. Het beroep is niet-ontvankelijk.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Melse

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014

191.