Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3173

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
201300556/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2012:1107, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2010 heeft de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag van [wederpartij] over het jaar 2008 vastgesteld op € 2.901,00 en de te veel betaalde voorschotten van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201300556/1/A2.

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 28 november 2012 in zaak nr. 12/751 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de Belastingdienst.

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2010 heeft de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag van [wederpartij] over het jaar 2008 vastgesteld op € 2.901,00 en de te veel betaalde voorschotten van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 21 juni 2012 heeft de Belastingdienst het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 november 2012 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 juni 2012 vernietigd, de kinderopvangtoeslag over het jaar 2008 vastgesteld op € 3.868,17 en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2014, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de Belastingdienst, en [wederpartij], bijgestaan door mr. M.Th.M. Demmer, advocaat te Hengelo, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c en n, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder gastouderopvang: kinderopvang in een gezinssituatie door een ander dan degene die als ouder op grond van artikel 5, eerste lid, aanspraak kan maken op een kinderopvangtoeslag onderscheidenlijk een tegemoetkoming of diens partner, bestaande in de gelijktijdige opvang van ten hoogste vier kinderen in de woning waar de ouder of de gastouder zijn hoofdverblijf heeft; en onder kinderopvangtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder j, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) in de kosten van kinderopvang.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht;

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1˚. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2˚. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3˚. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Awir wordt een tegemoetkoming op aanvraag toegekend door de Belastingdienst.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2. Op 20 februari 2007 heeft [wederpartij] een aanvraag om kinderopvangtoeslag voor het berekeningsjaar 2007 ingediend. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij gebruik maakt van kinderopvang in kindercentrum Piccolo. Op 4 november 2007 heeft [wederpartij] aan de Belastingdienst doorgegeven dat zij per 1 januari 2008 tevens gebruik maakt van gastouderopvang door bemiddeling van gastouderbureau Darkom te Rotterdam. Op basis van deze aanvraag heeft de Belastingdienst [wederpartij] voorschotten kinderopvangtoeslag over 2008 verleend.

Over de periode van 1 september 2008 tot en met 31 december 2008 heeft [wederpartij] gebruik gemaakt van gastouderopvang door bemiddeling van gastouderbureau Wij kids te Zwijndrecht.

Bij besluit van 24 september 2010, gehandhaafd bij besluit van 12 maart 2012, heeft de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag van [wederpartij] over het jaar 2008 vastgesteld op € 2.901,00. Deze tegemoetkoming is alleen gebaseerd op de kosten van kinderopvang in kindercentrum Piccolo. Aan het besluit van 12 maart 2012 heeft de Belastingdienst ten grondslag gelegd dat [wederpartij] geen recht heeft op kinderopvangtoeslag voor de in 2008 genoten gastouderopvang, omdat zij niet heeft aangetoond dat zij in dat jaar alle kosten voor kinderopvang bij de gastouder heeft betaald.

De rechtbank heeft overwogen dat de Belastingdienst zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van kinderopvangtoeslag voor de kosten van gastouderopvang, nu [wederpartij] heeft aangetoond dat zij bemiddelingskosten aan het gastouderbureau en een bedrag van € 1.225,00 aan de gastouder heeft betaald. De rechtbank heeft vervolgens aanleiding gezien zelf in de zaak te voorzien en de kinderopvangtoeslag van [wederpartij] over het jaar 2008 opnieuw vastgesteld. Bij de bepaling van de hoogte van de kinderopvangtoeslag heeft de rechtbank de hoogte van de toeslag voor de gastouderopvang herberekend aan de hand van de door [wederpartij] betaalde bemiddelingskosten aan het gastouderbureau en de bedragen die zij aan de gastouder heeft overgemaakt in 2008.

3. In geding is de door de Belastingdienst vastgestelde aanspraak van [wederpartij] op kinderopvangtoeslag voor de kosten van opvang bij [gastouder] in 2008, door tussenkomst van Darkom, onderscheidenlijk Wij kids. De aanspraak van [wederpartij] op kinderopvangtoeslag voor de kosten van opvang in kindercentrum Piccolo is niet in geschil. De door de Belastingdienst vastgestelde kinderopvangtoeslag over 2008 van € 2.901,00 is uitsluitend gebaseerd op de kosten van opvang in Piccolo.

4. De Belastingdienst betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvrager van kinderopvangtoeslag de betaling van alle uit de overeenkomst voortvloeiende kosten van gastouderopvang moet aantonen. De rechtbank is er ten onrechte vanuit gegaan dat, indien de betaling van slechts een gedeelte van de kosten is aangetoond, voor dit gedeelte aanspraak op kinderopvangtoeslag kan worden gemaakt, aldus de Belastingdienst.

4.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wko heeft een ouder aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang. Uit de artikelen 1, eerste lid, aanhef en onder n, en 7, eerste lid, van de Wko volgt dat die toeslag een tegemoetkoming van het Rijk in de kosten van kinderopvang is, die afhankelijk van het inkomen van de ouder is. Een deel van de gemaakte kosten van kinderopvang blijft derhalve voor rekening van de ouder.

4.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 november 2013 in zaak nr. 201210719/1/A2), dienen alle verschuldigde kosten voor kinderopvang daadwerkelijk ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna te worden voldaan om voor toepassing van de Wko in aanmerking te kunnen worden genomen. De reden hiervoor is gelegen in het belang van de Belastingdienst om betrekkelijk kort na afloop van het berekeningsjaar - aan de hand van de verstrekte gegevens over de tussen partijen gemaakte afspraken - definitief te kunnen vaststellen of voor dat jaar aanspraak bestaat op kinderopvangtoeslag en wat in dat geval de hoogte van de tegemoetkoming is.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 21 mei 2014 in zaak nr. 201211612/1/A2 overweegt de Afdeling dat de Belastingdienst zich bij de vaststelling van de tegemoetkoming baseert op de tussen partijen gemaakte afspraken, die, gelet op artikel 52 van de Wko, vastgelegd dienen te zijn in een schriftelijke overeenkomst. Daarbij heeft de Belastingdienst evenwel te kennen gegeven dat hij, gelet op het feit dat zich gedurende het toeslagjaar omstandigheden kunnen voordoen waardoor behoefte bestaat om van de in de schriftelijke overeenkomst vastgelegde afspraken af te wijken, bereid is de kinderopvangtoeslag te berekenen aan de hand van de aan hem doorgegeven gewijzigde afspraken.

4.2. [wederpartij] heeft in beroep te kennen gegeven dat zij in het berekeningsjaar 2008 261 uur gastouderopvang door tussenkomst van Darkom tegen een uurtarief van € 5,86 en 153 uur gastouderopvang door tussenkomst van Wij kids tegen een uurtarief van € 6,10 heeft genoten. Gelet hierop heeft [wederpartij] in 2008 in totaal (261 x 5,86=1.529,46) + (153 x 6,10=933,30) = € 2.462,76, inclusief bemiddelingskosten, aan kosten van gastouderopvang gehad.

De rechtbank heeft overwogen dat vaststaat dat [wederpartij] in totaal € 514,08 aan bemiddelingskosten aan beide gastouderbureaus heeft betaald en dat zij in totaal € 1.225,00 aan de gastouder heeft betaald. De rechtbank heeft derhalve als uitgangspunt genomen dat [wederpartij] de betaling van een bedrag ad € 1.739,08 voor gastouderopvang heeft aangetoond.

Uit het voorgaande volgt dat [wederpartij] niet heeft aangetoond dat zij alle kosten van kinderopvang bij de gastouder die zij in 2008 verschuldigd was, heeft betaald.

4.3. Het bedrag dat [wederpartij] in 2008 aan kosten van gastouderopvang heeft opgegeven, komt aldus niet overeen met het bedrag van de aantoonbaar betaalde kosten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de eerdergenoemde uitspraak van 21 mei 2014) moet onder deze omstandigheden, mede gelet op het hiervoor onder 4.1.1 weergegeven belang van de Belastingdienst om betrekkelijk kort na afloop van het berekeningsjaar op basis van de verstrekte gegevens over de gemaakte afspraken te kunnen vaststellen of voor dat jaar aanspraak bestaat op kinderopvangtoeslag, worden aangenomen dat de kinderopvang niet op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52, eerste lid, van de Wko heeft plaatsgevonden. Het gevolg daarvan is dat de Belastingdienst daarom terecht heeft bepaald dat [wederpartij] geen recht heeft op kinderopvangtoeslag voor deze kosten. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dat [wederpartij] kan aantonen dat zij een gedeelte van de kosten van kinderopvang bij de gastouder in 2008 wel heeft voldaan, betekent, anders dan de rechtbank heeft overwogen, dus niet dat zij aanspraak heeft op een evenredig lagere tegemoetkoming.

Het betoog slaagt.

4.4. De conclusie van het voorgaande is dat [wederpartij] over 2008 geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag voor de kosten van gastouderopvang. Gelet hierop is de rechtbank ten onrechte toegekomen aan de beroepsgrond van [wederpartij] die betrekking heeft op de vraag welk gedeelte van de kosten van kinderopvang bij de gastouder - na aftrek van de kinderopvangtoeslag waar de (vraag)ouder recht op heeft uitgaande van de hem in rekening gebrachte kosten van kinderopvang en zijn draagkracht - voor eigen rekening van de ouder blijft.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [wederpartij] tegen het besluit van 21 juni 2012 ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren, nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden falen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 28 november 2012 in zaak nr. 12/751;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Koster

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014

710.