Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3155

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201400481/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:7097, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het aanleggen van een uitweg en parkeerplaatsen op het perceel [locatie] te Deurne (hierna: het perceel), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201400481/1/A1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Deurne,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 december 2013 in zaak nr. 13/3757 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Deurne.

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het aanleggen van een uitweg en parkeerplaatsen op het perceel [locatie] te Deurne (hierna: het perceel), afgewezen.

Bij besluit van 9 juli 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, voor zover het de aanleg van de parkeerplaatsen in strijd met het bestemmingsplan betreft, ongegrond verklaard, het bezwaar, voor zover het de aanleg van een uitweg betreft, gegrond verklaard, het verzoek om tegemoetkoming in de kosten afgewezen en besloten het besluit van 4 februari 2013 in zoverre te herroepen.

Bij afzonderlijk besluit van 9 juli 2013 heeft het college [belanghebbende] onder oplegging van een dwangsom gelast de uitweg op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 29 augustus 2013 heeft het college ter vervanging van het besluit op bezwaar van 9 juli 2013 het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 4 februari 2013, voor zover het de strijdigheid met het bestemmingsplan omtrent de parkeerplaats betreft, ongegrond verklaard, de bezwaren ten aanzien van de aanleg van de uitweg ongegrond verklaard, het verzoek tot een tegemoetkoming in de kosten afgewezen, het besluit van 4 februari 2013 onder aanpassing van de motivering in stand gelaten en de bij besluit van 9 juli 2013 opgelegde last onder dwangsom ingetrokken.

Bij uitspraak van 5 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 29 augustus 2013 ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, dat besluit, voor zover dit ziet op de weigering handhavend op te treden ten aanzien van de uitweg, vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit, voor zover dat is vernietigd, in stand gelaten.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juli 2014, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. S.M.J. Thijssen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e en slot, geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen, een zodanige bepaling als een verbod om een project, voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 2.18 kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Deurne, Zuid en West" rust op een gedeelte van het perceel de bestemming "Sport" en op een gedeelte de bestemming "Verkeer".

Ingevolge artikel 7.1 van de planregels zijn de voor "Sport" aangewezen gronden bestemd voor:

a. sportvelden;

b. sporthallen;

c. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van sport - sport- en recreatiecentrum": tevens voor een sport- en multifunctionele sporthal, een pool- en snookercentrum, een praktijk voor fysiotherapie, een fitness, ondergeschikte horeca en ondergeschikte detailhandel ten dienste van het sport- en recreatiecentrum;

d. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van sport - buitensport": tevens voor buitensport

met daarbij behorende:

e. bouwwerken, zoals clubgebouwen en bergingen:

f. ontsluitingswegen en parkeervoorzieningen;

g. ondergeschikte horecavoorzieningen;

h. waterlopen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Ingevolge artikel 9.1 zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wegen en paden;

b. parkeervoorzieningen;

c. begeleidende groenvoorzieningen;

d. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - geluidwerende voorziening": tevens voor een geluidwerende voorziening;

e. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen, verkeersvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder b, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Deurne 2010 (hierna: APV), zoals dat artikel luidde ten tijde van belang, is het verboden een uitweg naar de weg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen als de uitweg zich op minder dan 2 m van een gemeentelijke boom of groene parel bevindt en/of door gemeentelijke beplanting, niet zijnde gras, binnen de bebouwde kom gaat.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte heeft geweigerd handhavend tegen de in strijd met het bestemmingsplan aanwezige parkeerplaatsen en uitweg op het perceel op te treden. Ingevolge de APV is op het perceel geen uitweg toegestaan, nu deze door gemeentelijke beplanting gaat. Voorts heeft de rechtbank niet onderkend dat door de realisering van de parkeerplaatsen en aanleg van de uitweg inbreuk wordt gemaakt op zijn privacy en de parkeerplaatsen en de uitweg zorgen voor licht- en geluidsoverlast. Ook zorgt de uitweg voor een verkeersonveilige situatie en is op een afstand van 90 m van de huidige uitweg al een uitweg, aldus [appellant]. Hij voert verder aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat [belanghebbende] in strijd met het bestemmingsplan op het perceel is gevestigd.

2.1. Anders dan [appellant] stelt, kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte de parkeerplaatsen en de uitweg in overeenstemming met het bestemmingsplan heeft geacht. De rechtbank heeft terecht overwogen dat op de gronden waar de parkeerplaatsen en de uitweg zijn gerealiseerd zowel de bestemming "Sport" als de bestemming "Verkeer" rust en ingevolge de planregels op beide bestemmingen parkeerplaatsen en een uitweg zijn toegestaan. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat, nu in het bestemmingsplan een vergunningplicht voor het aanleggen van parkeerplaatsen en een uitweg ontbreekt, ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en b, van de Wabo geen omgevingsvergunning voor de parkeerplaatsen en de uitweg is vereist.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat de dichtstbijzijnde gemeentelijke boom op meer dan 2 m van de uitweg staat. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, alvorens de uitweg is aangelegd, privaatrechtelijke toestemming is gegeven de gemeentelijke beplanting, die zich tegen aanleg van de uitweg zou verzetten, te verwijderen. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de gemeentelijke beplanting ook daadwerkelijk is verwijderd alvorens de uitweg is aangelegd. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 2:12, eerste lid, onder b, van de APV, zodat geen omgevingsvergunning is vereist en het college niet bevoegd is handhavend tegen de op het perceel aanwezige uitweg op te treden.

Voor zover [appellant] naar voren heeft gebracht dat door realisering van de parkeerplaatsen en aanleg van een uitweg inbreuk wordt gemaakt op zijn privacy, de parkeerplaatsen en de uitweg zorgen voor licht- en geluidoverlast, door de uitweg een verkeersonveilige situatie is ontstaan, al een andere uitweg op het perceel aanwezig is en het bedrijf [belanghebbende] in strijd met het bestemmingsplan op het perceel is gevestigd, wordt overwogen dat deze omstandigheden niet in het kader van de thans aan de orde zijn procedure inzake de weigering handhavend tegen de parkeerplaatsen en uitweg op te treden, kunnen worden betrokken, reeds omdat het college niet bevoegd is daartegen handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014

531-789.