Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3153

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201311370/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juni 2012 heeft het college het verzoek van [appellante] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) gedeeltelijk afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/357

Uitspraak

201311370/1/A3.

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 8 november 2013 in zaak nr. 13/17 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2012 heeft het college het verzoek van [appellante] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 13 november 2012 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 november 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 14 januari 2014 heeft [appellante] toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H.J.J.M. van der Bruggen, advocaat te Roermond, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.H.J.M. Michels, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

Ingevolge het tweede lid blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…);

b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

(…);

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

3. [appellante] heeft op grond van de Wob verzocht om verstrekking van een tussen [belanghebbende] en de gemeente gesloten overeenkomst over de verkoop van in opdracht van de gemeente door [appellante] ingezameld en opgeslagen oud papier en karton. Het college heeft bij het in bezwaar gehandhaafde besluit de overeenkomst verstrekt, behoudens de hierin opgenomen financiële gegevens, te weten de gegevens over de koopsom en de garantieprijs zoals vermeld in de artikelen 4 en 5.1 en het in artikel 9 en bijlage 7 vermelde bedrag van de bankgarantie. Deze gegevens zijn het resultaat van door de gemeente met [belanghebbende] gevoerde onderhandelingen. Het college heeft het standpunt ingenomen dat de financiële gegevens vertrouwelijke bedrijfsgegevens zijn als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob. Voorts verzetten de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en g, van de Wob genoemde belangen zich tegen openbaarmaking daarvan.

4. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van vertrouwelijke bedrijfsgegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, maar dat het college wel op grond van het tweede lid, aanhef en onder b en g, van die bepaling openbaarmaking van de financiële gegevens heeft mogen weigeren.

5. [appellante] bestrijdt dat de financiële gegevens laten zien hoe partijen zich tijdens de onderhandelingen hebben opgesteld. Deze gegevens zijn het resultaat na afronding van de onderhandelingen. Onder verwijzing naar een e-mailbericht van 21 juli 2011 stelt zij voorts dat in 2011 door [belanghebbende] in een vergelijkbare procedure uitgebrachte biedingen op de verkoop van ingezameld oud papier en karton wel aan haar zijn verstrekt. Het betreft de destijds door [belanghebbende] geboden koopsom en garantieprijs. Voor zover geoordeeld zou worden dat de resultaten van de onderhandelingen inzicht kunnen geven in de onderhandelingspositie van de gemeente dan wel [belanghebbende], is een dergelijk inzicht destijds al verkregen. Met het thans openbaar maken van de financiële gegevens wordt dit inzicht niet vergroot. De papiermarkt is geen stabiele markt en schommelingen in de prijs zijn niet ongebruikelijk. Noch [belanghebbende] noch de gemeente is in de toekomst gehouden vast te houden aan dezelfde prijzen, aldus [appellante].

6. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van de niet-openbaar gemaakte informatie.

7. De overeenkomst waarvan openbaarmaking is verzocht bevat in de artikelen 4, 5.1. en 9 en bijlage 7 financiële gegevens, te weten gegevens over de koopsom en de garantieprijs en het bedrag van de bankgarantie, die het resultaat zijn van door de gemeente met [belanghebbende] gevoerde onderhandelingen. Deze gegevens hebben betrekking op economische en financiële belangen van de gemeente en [belanghebbende] Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat aannemelijk is dat kennisneming van die financiële gegevens, in onderling verband bezien, zodanig inzicht kan verschaffen in de door contractspartijen bij de onderhandelingen ingenomen posities, dat derden in toekomstige gevallen hun positie daarop kunnen afstemmen. Concurrenten van [belanghebbende] kunnen namelijk bij een mogelijke volgende procedure hun onderhandelingstactiek op de thans door [belanghebbende] met de gemeente overeengekomen bedragen afstemmen. De door de gemeente met [belanghebbende] gesloten overeenkomst geldt immers tot 31 december 2015. Naar het college onweersproken heeft gesteld, betreft de verkoop van ingezameld oud papier en karton een activiteit die, zoals het er thans naar uitziet, in ieder geval ook na 2015 nog dient te worden uitgevoerd, waardoor aannemelijk is dat openbaarmaking van de financiële gegevens gevolgen heeft voor de onderhandelingspositie van de gemeente in de toekomst. De Afdeling acht het niet uitgesloten dat de marktomstandigheden op dat moment vergelijkbaar kunnen zijn met de marktomstandigheden die golden in 2012. Openbaarmaking van gegevens over de koopsom en de garantieprijs en het bedrag van de bankgarantie kan de onderhandelings-positie van de gemeente aldus zodanig beïnvloeden, dat haar economische of financiële belangen geschaad worden. Voorts wordt de concurrentiepositie van [belanghebbende] hierdoor aangetast. De stelling van [appellante] dat in 2011 al het bedoelde inzicht is verkregen in de onderhandelingspositie van de gemeente dan wel [belanghebbende], wegens het verstrekken van door [belanghebbende] in een vergelijkbare procedure uitgebrachte biedingen op de verkoop van ingezameld oud papier en karton, wordt door de Afdeling niet gevolgd. Het college heeft in dat kader gemotiveerd uiteengezet dat de in het e-mailbericht van 21 juli 2011 vermelde bedragen, voor zover relevant, tot stand gekomen zijn op basis van een meervoudige onderhandse procedure betreffende de verkoop van het ingezameld oud papier en karton en dat gelet op de aard van deze procedure de bedragen zijn gebaseerd op inschrijvingen. De door [belanghebbende] in die procedure geboden koopsom en garantieprijs zijn aldus niet het resultaat van onderhandelingen tussen de gemeente en [belanghebbende], maar van de biedingen van [belanghebbende] in die procedure op de verkoop van ingezameld oud papier en karton. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college zich bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van openbaarmaking van de koopsom en de garantieprijs en het bedrag van de bankgarantie niet opweegt tegen de belangen waarop het college zich heeft beroepen. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en g, van de Wob openbaarmaking van de volledige overeenkomst heeft mogen weigeren.

Hetgeen [appellante] verder aanvoert kan hieraan niet afdoen.

8. [appellante] heeft in hoger beroep voorts haar in eerdere instantie aangevoerde gronden herhaald en ingelast. In de overwegingen van de aangevallen uitspraak is de rechtbank op die gronden ingegaan. [appellante] heeft in het hogerberoepschrift, noch ter zitting, behoudens hetgeen hiervoor is besproken, redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Gelet hierop kan het aldus aangevoerde niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Nell, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Nell

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014

597.