Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3147

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201310311/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2012 heeft het college het verzoek van [appellant A] en [appellant B] om handhavend op te treden tegen de verhuurder van het pand [locatie] te [plaats] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310311/1/A2.

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellantA] en [appellant B], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 11 september 2013 in zaak nr. 13/3289 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2012 heeft het college het verzoek van [appellant A] en [appellant B] om handhavend op te treden tegen de verhuurder van het pand [locatie] te [plaats] afgewezen.

Bij besluit van 16 april 2013 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2014, waar het college, vertegenwoordigd door D. Bussers-Crielaars en mr. S. Gashi, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 5 april 2012 hebben [appellant A] en [appellant B] het college verzocht handhavend op te treden tegen de verhuurder van hun woning aan de [locatie] te [plaats], omdat zij menen dat de huurwoning wegens achterstallig onderhoud een gevaar voor de gezondheid vormt. Bij besluit van 11 oktober 2012 heeft het college het verzoek afgewezen, omdat er geen acuut gevaar te verwachten is, nu de vloer inmiddels is hersteld en de geschillen over isolatie, lekkages en asbesthoudend zeil privaatrechtelijke geschillen betreffen. Bij besluit van 16 april 2013 heeft het college het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2. Op 5 februari 2013 hebben [appellant A] en [appellant B] met de verhuurder van hun woning een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van een in een civielrechtelijke procedure aanhangig huurgeschil. Partijen zijn daarbij onder meer overeengekomen dat de huurovereenkomst per 5 februari 2013 eindigt, dat de verhuurder aan [appellant A] en [appellant B] een schadevergoeding van € 10.000,00 betaalt en huurachterstanden kwijtscheldt en dat partijen elkaar over en weer volledige kwijting verlenen ter zake van al hun verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst, de beëindiging daarvan en alles wat daaruit direct en/of indirect voortvloeit.

3. Ambtshalve heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant A] en [appellant B] geen procesbelang meer hebben bij de beoordeling van hun beroep tegen het besluit van 16 april 2013, zodat hun beroep niet-ontvankelijk is. Vaststaat dat [appellant A] en [appellant B] niet langer in de woning aan de [locatie] te [plaats] wonen en dat de huurovereenkomst is beëindigd. Voor zover zij hebben aangevoerd dat hun procesbelang ligt in het vergoed krijgen van geleden schade, heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat zij meer schade hebben geleden dan ten aanzien waarvan zij met het sluiten van een vaststellingsovereenkomst een schikking hebben bereikt en die het gevolg kan worden geacht van de besluiten van 11 oktober 2012 en 16 april 2013.

4. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen procesbelang meer bestaat bij de beoordeling van hun beroep. Daartoe voeren zij aan dat partijen in de civiele procedure weliswaar een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, maar dat zij slechts een gedeelte van de schade vergoed hebben gekregen. De rechtbank heeft hen ten onrechte niet in staat gesteld de schade die zij hebben geleden als gevolg van de weigering om te handhaven nader te begroten. Ook heeft de rechtbank miskend dat de gemeente Laarbeek geen partij is geweest bij de vaststellingsovereenkomst en dat de verlening van een finale kwijting jegens de gemeente Laarbeek geen onderdeel vormt van de vaststellingsovereenkomst.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 augustus 2010 in zaak nr. 200909861/1/H1), kan in de stelling dat schade is geleden als gevolg van bestuurlijke besluitvorming op zichzelf belang bij het ingestelde rechtsmiddel worden gevonden, indien de gestelde schade tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt.

4.2. [appellant A] en [appellant B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de weigering om handhavend op te treden andere of meer schade hebben geleden dan de schade waarop de vaststellingsovereenkomst ziet. Voor zover zij betogen dat de rechtbank hen ten onrechte niet in staat heeft gesteld de schade als gevolg van de weigering om handhavend op te treden aannemelijk te maken, is van belang dat zij ook in hoger beroep, hoewel zij daartoe de gelegenheid hadden, dat niet tot op zekere hoogte aannemelijk hebben gemaakt. Niet aannemelijk is dat de gestelde resterende schade ten bedrage van € 15.000,00 is veroorzaakt door de weigering handhavend op te treden, aangezien diezelfde schadepost door [appellant A] en [appellant B] ook reeds was gevorderd in de civiele procedure. Onder die omstandigheden hebben zij geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep gericht tegen het besluit van 16 april 2013.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Polak w.g. Hazen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014

299.