Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3144

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201309050/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309050/1/R1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord

(hierna: LTO Noord), gevestigd te Zwolle,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Haarlemmermeer,

3. [appellante sub 3]., gevestigd te [plaats], gemeente Haarlemmermeer, en anderen,

4. [appellante sub 4], gevestigd te [plaats], gemeente Haarlemmermeer, en anderen,

5. [appellanten sub 5], gevestigd en wonend te [plaats], gemeente Haarlemmermeer,

6. [appellante sub 6], gevestigd te [plaats], gemeente Haarlemmermeer, en anderen,

en

de raad van de gemeente Haarlemmermeer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben LTO Noord, [appellant sub 2], [appellante sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellanten sub 5] en [appellante sub 6] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 3]. en anderen, [appellante sub 4] en anderen, [appellanten sub 5] en [appellante sub 6] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2014, waar LTO Noord, vertegenwoordigd door mr. L.J. van Pelt, werkzaam bij LTO Noord, en mr. [appellant sub 6a], [appellant sub 2], [appellante sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.J.M. van Lint, advocaat te Sassenheim, C.W.P. Kortekaas en J.C. van der Horst, [appellante sub 4] en anderen, in de personen van [gemachtigden] en bijgestaan door mr. A.P. van Delden, advocaat te Den Haag, en J.T.L. Verbeek, [appellanten sub 5], in de persoon van [gemachtigde] en bijgestaan door mr. D.W. Giltay Veth, advocaat te Nieuw-Vennep, [appellante sub 6] en anderen, in de persoon van mr. [appellant sub 6a], en de raad, vertegenwoordigd door H. Grootveld-Teune, mr. H.J.M. Nijman, C.G. Hogenkamp en C.M.M. Blankestijn, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Buiten bezwaar van partijen hebben [appellanten sub 5] ter zitting een nader stuk overgelegd.

Overwegingen

1. De actualisering van de bestemmingsplannen voor vrijwel het gehele buitengebied (of landelijk gebied) van de gemeente Haarlemmermeer is vervat in drie bestemmingsplannen: "Buitengebied Noord", "Buitengebied Midden" en "Buitengebied Zuid". Het onderhavige plan betreft het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid". Het plangebied omvat het in hoofdzaak agrarisch gebied in het zuidelijk deel van de gemeente Haarlemmermeer.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van LTO Noord

3. Het beroep van LTO Noord is gericht tegen de plandelen met de bestemming "Wonen - Voormalig agrarisch bedrijf". Zij betoogt dat het bestemmen van woningen met deze bestemming als burgerwoning een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van de agrarische bedrijven waartoe deze woningen behoorden alsmede voor de omliggende agrarische bedrijven. LTO Noord voert aan dat de raad een onjuiste uitleg geeft aan de Wet Plattelandswoningen waardoor alle voormalige agrarische bedrijfswoningen binnen het plangebied de normale bescherming als burgerwoning genieten ten opzichte van de omliggende agrarische bedrijven. Volgens haar geldt het lichtere beschermingsregime uit artikel 1.1a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) alleen voor bedrijfswoningen die door derden bewoond mogen worden en kan, anders dan de raad stelt, voor woningen die zijn bestemd als burgerwoning geen beroep worden gedaan op dit lichtere beschermingsregime.

3.1. Blijkens de verbeelding is aan verschillende percelen in het plangebied de bestemming "Wonen - Voormalig agrarisch bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 27, lid 27.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Wonen - Voormalig agrarisch bedrijf" bestemd voor onder meer wonen en beroep en praktijk aan huis.

3.2. Ingevolge artikel 1.1a, eerste lid, van de Wabo wordt een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan door een derde bewoond mag worden, met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting, tenzij bij of krachtens de wet anders is bepaald.

3.3. In de plantoelichting staat dat de bestemming

"Wonen - Voormalig agrarisch bedrijf" is toegekend aan voormalige agrarische bouwblokken waar het agrarisch gebruik reeds is gestaakt. Hoewel het inmiddels burgerwoningen zijn geworden, is de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing veelal nog aanwezig. Binnen de bestemming is het mogelijk gemaakt deze gebouwen te gebruiken voor stille opslag. Wat betreft de omvang van de woning is aangesloten bij de mogelijkheden die binnen de bestemming "Agrarisch" gelden voor de agrarische bedrijfswoning.

3.4. Ter zitting heeft de raad verklaard dat op alle percelen in het plangebied waaraan de bestemming "Wonen - Voormalig agrarisch bedrijf" is toegekend thans geen agrarisch bedrijf meer gevestigd is. Nu op deze percelen derhalve geen landbouwinrichtingen als bedoeld in artikel 1.1a, eerste lid, van de Wabo aanwezig zijn en deze ter plaatse ook niet gevestigd mogen worden op grond van artikel 27, lid 27.1, van de planregels, overweegt de Afdeling dat artikel 1.1a, eerste lid, van de Wabo niet van toepassing is op de voormalige bedrijfswoningen waaraan voornoemde bestemming is toegekend. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat met het toekennen van de bestemming "Wonen - Voormalig agrarisch bedrijf" geen sprake kan zijn van een beperking van de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven waartoe deze woningen behoorden.

3.5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft LTO Noord voorts niet aannemelijk gemaakt dat door het toekennen van de bestemming "Wonen - Voormalig agrarisch bedrijf" de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande omliggende agrarische bedrijven ten opzichte van het vorige planologische regime onevenredig worden beperkt. Voor zover zij heeft betoogd dat door het toekennen van deze bestemming strengere geluidsnormen gelden voor omliggende agrarische bedrijven, overweegt de Afdeling dat uit artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer volgt dat in de definitie van het begrip gevoelige gebouwen is aangegeven dat slechts een woning die bij de inrichting hoort geen geluidsgevoelig object is waarvoor de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden. Voor een bedrijfswoning die niet tot de desbetreffende inrichting behoort, gelden derhalve dezelfde normen als voor een woning die is bestemd als burgerwoning. Het toekennen van de bestemming "Wonen - Voormalig agrarisch bedrijf" aan de voormalige bedrijfswoningen heeft wat betreft het geluidaspect dan ook geen verdere beperking voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven tot gevolg.

Voor zover LTO Noord ter zitting heeft betoogd dat door het toekennen van de bestemming "Wonen - Voormalig agrarisch bedrijf" voor omliggende veehouderijen strengere geurnormen gelden, overweegt de Afdeling als volgt. Indien in het voorheen geldende bestemmingsplan een woning, waaraan thans de bestemming "Wonen - Voormalig agrarisch bedrijf" is toegekend, deel uitmaakte van een andere veehouderij, waarvan de milieuvergunning of omgevingsvergunning inmiddels is ingetrokken, dient deze woning te worden aangemerkt als geurgevoelig object dat na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. De voor dergelijke woningen ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderijen (hierna: de Wgv) geldende normen zijn gelijk aan de normen voor de aan te houden afstand tot geurgevoelige objecten die deel uitmaken van een andere veehouderij. Ten opzichte van de situatie waarin de woning dienst deed als bedrijfswoning bij een veehouderij heeft het toekennen van de bestemming "Wonen - Voormalig agrarisch bedrijf" dan ook geen verdere beperking voor de bedrijfsvoering van een naastgelegen veehouderij tot gevolg. Indien de woning dienst deed als bedrijfswoning bij een ander agrarisch bedrijf dan een veehouderij zijn de voor dergelijke woningen ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wgv geldende normen gelijk aan de normen voor de aan te houden afstand tot een burgerwoning, zodat het toekennen van de bestemming "Wonen - Voormalig agrarisch bedrijf" aan de voormalige bedrijfswoningen eveneens geen verdere beperking tot gevolg heeft voor de bedrijfsvoering van een naastgelegen veehouderij.

Het betoog van LTO Noord faalt.

3.6. Het beroep van LTO Noord is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

4. Het beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen de planregeling voor het perceel [locatie a], voor zover de gronden in het oostelijk deel van zijn perceel niet in het bouwvlak zijn opgenomen. Hij betoogt dat hij concrete plannen heeft om het weiland in te richten met kleinvee om de ouderen die zijn dagcentrum bezoeken mede hiermee een daginvulling te geven. Voorts voert [appellant sub 2] aan dat het thans opgenomen bouwvlak kleiner is dan het bouwvlak dat in het ontwerpplan was opgenomen.

4.1. Blijkens de verbeelding is aan het westelijke deel van het perceel [locatie a] waarop de bestaande bebouwing staat de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "bouwvlak" en de functieaanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - dagcentrum" toegekend. Aan het weiland ten oosten van het opgenomen bouwvlak is uitsluitend de bestemming "Agrarisch" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Agrarisch" onder meer bestemd voor:

a. volwaardige agrarische bedrijfsactiviteiten met een in hoofdzaak grondgebonden bedrijfsvoering, met uitzondering van glastuinbouw, bollenteelt, intensieve veehouderij, paardenfokkerij en paardenhouderij;

[..]

n. ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - dagcentrum" voor een zorgvoorziening in de vorm van een dagcentrum toegestaan;

[..]

met daaraan ondergeschikt:

[..]

u. nevenactiviteiten in de vorm van educatie, zorg gerelateerde voorzieningen, verkoop van eigen of streekproducten, bed&breakfast en kinderopvang.

Ingevolge lid 3.2.3 geldt voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van ondergeschikte functies als bedoeld in lid 3.1, onder m. tot en met o. dat:

a. de gebouwen mogen alleen binnen de bestaande agrarische bedrijfsgebouwen en agrarische bedrijfswoning binnen het bouwvlak worden gebouwd;

b. de oppervlakte van gebouwen mag totaal niet meer zijn dan

150 m².

Ingevolge artikel 1 moet onder een agrarisch bedrijf worden verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder begrepen bomen en heesters, en/of het houden van dieren, waarbij opslag van de door het bedrijf ter plaatse voortgebrachte producten en het vergisten van bedrijfseigen mest en co-substraten is toegestaan.

Ingevolge artikel 1 moet onder zorg gerelateerde voorziening worden verstaan dienstverlening die plaats vindt op commerciële basis en niet kan worden aangemerkt als maatschappelijke dienstverlening en niet of niet alle kenmerken heeft van beroep aan huis. Mantelzorg valt niet onder zorg gerelateerde voorziening.

4.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om het weiland ten oosten van het bestaande bouwvlak op het perceel [locatie a] niet in het bouwvlak op te nemen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het weiden van kleinvee ten behoeve van het dagcentrum ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a, en u, van de planregels is toegestaan op gronden met de bestemming "Agrarisch" zonder dat aan deze gronden de aanduiding "bouwvlak" hoeft te worden toegekend en dat [appellant sub 2] ter zitting te kennen heeft gegeven dat hij ter plaatse geen bebouwing wenst te realiseren.

De raad heeft ter zitting verder toegelicht dat bij de vaststelling van het plan de aanwezige burgerwoning op het perceel [locatie b], welke woning en omliggende gronden in het ontwerpplan in het agrarisch bouwvlak van het perceel [locatie a] waren opgenomen, een woonbestemming heeft gekregen. De raad heeft ter zitting onweersproken gesteld dat deze afname van gronden binnen het agrarische bouwvlak ruimschoots is gecompenseerd door gronden aan de zuidoostzijde van het perceel in het bouwvlak op te nemen. Gelet hierop faalt het betoog van [appellant sub 2] dat dat het bouwvlak op het perceel [locatie a] ten opzichte van het ontwerpplan is verkleind.

Het betoog van [appellant sub 2] faalt.

4.3. [appellant sub 2] heeft ter zitting voorts beoogd de omvang van het geschil uit te breiden door na afloop van de hem gegeven termijn voor het aanvullen van de gronden ook nog het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie b] aan te vechten. Binnen de beroepstermijn of, als een nadere termijn voor het aanvullen van de gronden is gegeven, uiterlijk binnen die termijn, dient vast te staan waartegen de beroepsgronden zijn gericht. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partij, kan niet worden aanvaard dat de omvang van het geschil na afloop van die termijn wordt uitgebreid. Hetgeen ter zitting alsnog met betrekking tot het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie b] naar voren is gebracht, moet daarom in deze procedure buiten beschouwing worden gelaten.

4.4. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 3] en anderen

Het perceel [locatie c]

5. Het beroep van [appellante sub 3] en anderen is allereerst gericht tegen de planregeling voor het perceel [locatie c].

Het beroep is mede ingediend namens [appellant sub 3 senior], wonende te [woonplaats] aan de [locatie d]. De woning van [appellant sub 3 senior] bevindt zich op een afstand van meer dan 2,5 km van het perceel [locatie c], zodat [appellant sub 3 senior] geen zicht heeft op dit perceel. Deze afstand is, ook in aanmerking genomen de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op het perceel [locatie c] mogelijk zijn, naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts hebben [appellante sub 3] en anderen geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van [appellant sub 3 senior] rechtstreeks door het bestreden besluit zou worden geraakt.

De conclusie is dat [appellant sub 3 senior] geen belanghebbende is bij de planregeling voor het perceel [locatie c] als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb geen beroep kan instellen. Het beroep [appellante sub 3] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 3 senior] wonende te [woonplaats] aan de [locatie d] en voor zover gericht tegen de planregeling voor het perceel [locatie c], is niet-ontvankelijk.

6. [appellante sub 3] en anderen betogen dat ten onrechte de achterzijde van het perceel niet in het bouwvlak is opgenomen, zodat het perceel niet optimaal kan worden benut. Zij hebben ter zitting toegelicht dat zij niet zo zeer meer bebouwingsmogelijkheden wensen, maar vooral de mogelijkheid om flexibel bebouwing op het perceel [locatie c] te kunnen plaatsen.

6.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie c] de bestemming "Bedrijf - Garage" toegekend met de functieaanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - bergingsbedrijf" en "bedrijf tot en met categorie 3.2". Aan een deel van het perceel zijn eveneens de aanduidingen "bouwvlak" en "maximum bebouwingspercentage terrein 40%" toegekend.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Bedrijf - Garage" onder meer bestemd voor bedrijfsactiviteiten ten behoeve van garagebedrijven die vallen in ten hoogste categorie 2 van de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bergingsbedrijf" een bergingsbedrijf met bijbehorende opslag en stalling van auto’s en bijbehorende taxiservice.

Ingevolge lid 10.2.1, onder a en b, dienen gebouwen binnen een bouwvlak te worden gebouwd en zijn ter plaatse van de aanduiding "maximale goot-, bouwhoogte en maximum bebouwingspercentage" de aangegeven maximale goot- en bouwhoogte en bebouwingspercentage toegestaan.

Ingevolge artikel 1 moet onder garagebedrijf worden verstaan een bedrijf, dat is gericht op het te koop aanbieden van, waaronder uitstalling ten verkoop, verkopen en herstellen van motorvoertuigen.

6.2. Blijkens de plankaart van het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" dat op 24 november 1988 door de raad is vastgesteld en op 11 juli 1989 door het college van gedeputeerde staten is goedgekeurd was aan het perceel [locatie c] de bestemming "Garagebedrijf en bijbehorend terrein" toegekend met de aanduiding "bebouwingspercentage 40%". Tevens was op het perceel een lijn opgenomen waaraan de aanduiding "bebouwingsgrens" is toegekend.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften behorende bij het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" waren de gronden met de bestemming "Garagebedrijf en bijbehorend terrein" bestemd voor een garagebedrijf met de daarbij behorende bouwwerken, waaronder bedrijfswoningen en open terreinen, waaronder opslag-, los-, laad- en parkeerplaatsen.

Ingevolge het tweede lid, onder a, mocht het bebouwde oppervlakte niet meer bedragen dan het op de plankaart aangegeven percentage van de voor bebouwing bestemde terreinoppervlakte.

Ingevolge artikel 1, onder f, moest onder een bebouwingsgrens worden verstaan een op de kaart aangegeven lijn, welke door bebouwing niet mag worden overschreden, tenzij in de voorschriften anders is bepaald.

Ingevolge artikel 1, onder cc, moest onder een garagebedrijf worden verstaan een bedrijf gericht op de verkoop en het herstellen van motorvoertuigen en/of onderdelen hiervan, echter zonder plaatwerkerij en/of uitdeukerij.

6.3. Ter zitting heeft de raad onweersproken gesteld dat het in het plan opgenomen bouwvlak op het perceel [locatie c] overeenkomt met de omvang van het in het voorheen geldende bestemmingsplan ten oosten van de lijn met de aanduiding "bebouwingsgrens" opgenomen bestemmingsvlak "Garagebedrijf en bijbehorend terrein", binnen welk deel van het perceel gebouwd mocht worden. De Afdeling stelt verder vast dat het maximum bebouwingspercentage van 40% eveneens overeenkomt met het in het voorheen geldende bestemmingsplan opgenomen bebouwingspercentage, zodat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bouwmogelijkheden op het perceel [locatie c] niet zijn beperkt ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan.

De raad heeft ter zitting verder toegelicht dat hij de huidige doorzichten naar het omliggende landschap wil behouden en verdichting van het landschap wil voorkomen, zodat de achterzijde van het perceel [locatie c] niet in het bouwvlak is opgenomen. Voorts hebben [appellante sub 3] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat zij voor de vaststelling van het plan bij het gemeentebestuur een concreet plan hadden ingediend met betrekking tot het realiseren van bebouwing aan de achterzijde van het perceel [locatie c] buiten het bouwvlak. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 3] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het behoud van de bestaande doorzichten en het voorkomen van verdichting van het landschap dan aan het belang dat [appellante sub 3] en anderen hebben bij meer flexibele bouwmogelijkheden op het perceel [locatie c]

Het betoog van [appellante sub 3] en anderen faalt.

7. Verder betogen [appellante sub 3] en anderen dat op het perceel [locatie c] detailhandel in skelters en andersoortige niet-gemotoriseerde voertuigen en parkeren ten behoeve van luchthaven Schiphol plaatsvindt, maar dat deze functies ten onrechte niet zijn toegestaan binnen de bestemming "Bedrijf - Garage". Volgens hen heeft de raad bij de beantwoording van de zienswijzen in de procedure van het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" uitdrukkelijk verklaard dat de toenmalige bestemming "Garagebedrijf en bijbehorend terrein" ruim diende te worden geïnterpreteerd.

7.1. De Afdeling is van oordeel dat, anders dan [appellante sub 3] en anderen betogen, detailhandel in skelters en andersoortige niet-gemotoriseerde voertuigen en parkeren ten behoeve van luchthaven Schiphol ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften behorende bij het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" in samenhang bezien met artikel 1, onder cc, van deze planvoorschriften niet was toegestaan op gronden met de bestemming "Garagebedrijf en bijbehorend terrein". Voor zover [appellante sub 3] en anderen hebben aangevoerd dat de raad bij de beantwoording van de zienswijzen in de procedure omtrent het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" uitdrukkelijk heeft verklaard dat de toenmalige bestemming "Garagebedrijf en bijbehorend terrein" ruim diende te worden geïnterpreteerd, overweegt de Afdeling dat in de door hen aangehaalde passages van deze beantwoording detailhandel van skelters en andersoortige niet-gemotoriseerde voertuigen en parkeren ten behoeve van luchthaven Schiphol niet staan genoemd bij de functies die volgens de raad binnen de bestemming "Garagebedrijf en bijbehorend terrein" passen.

Het betoog van [appellante sub 3] en anderen faalt.

7.2. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat op het perceel [locatie c] niet is voorzien in parkeren ten behoeve van luchthaven Schiphol, nu dit in strijd is met de uitgangspunten van de op 20 maart 2012 door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde nota "Parkeerbeleid Passagiersparkeren Schiphol" (hierna: het parkeerbeleid). In het parkeerbeleid staat dat vestiging van Schipholparkeervoorzieningen niet wordt toegestaan in agrarisch gebied, omdat dit een aanmerkelijke verrommeling van de buitenruimte tot gevolg heeft en leidt tot extra verkeersbewegingen, en dat luchthaven Schiphol zelf op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid voor bezoekers en medewerkers dient te voorzien. Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen besluiten parkeren ten behoeve van luchthaven Schiphol niet toe te staan op gronden met de bestemming "Bedrijf - Garage". In zoverre faalt het betoog van [appellante sub 3] en anderen.

7.3. De raad heeft verder verklaard dat detailhandel van skelters en andersoortige niet-gemotoriseerde voertuigen in strijd is met de uitgangspunten van de door de raad op 2 juli 2009 vastgestelde nota "Integraal detailhandelsbeleid 2009" (hierna: het detailhandelsbeleid). In het detailhandelsbeleid staat onder meer dat dit beleid is gericht op het behoud en de versterking van de winkelconcentraties in de bestaande boodschappencentra en recreatieve centra. Uitgangspunt daarbij is dat prioriteit wordt gegeven aan het handhaven en versterken van de bestaande winkelstructuur en versnippering van verkoop/handel en oneerlijke concurrentie wordt beperkt. In landelijk gebied, waar het perceel

[locatie c] deel van uitmaakt, is kleinschalige verkoop/handel uitsluitend onder voorwaarden toegestaan bij agrarische bedrijven en bij tuincentra. Nu op het perceel [locatie c] geen agrarisch bedrijf of tuincentrum gevestigd is, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling eveneens in redelijkheid kunnen besluiten detailhandel in skelters en andersoortige niet-gemotoriseerde voertuigen niet toe te staan op gronden met de bestemming "Bedrijf - Garage". Het betoog van

[appellante sub 3] en anderen faalt.

8. [appellante sub 3] en anderen voeren tevens aan dat aan hun perceel ten onrechte de maatbestemming "Bedrijf - Garage" is toegekend. Deze bestemming is te beperkend en een algemene bedrijfsbestemming had meer in de rede gelegen, aldus [appellante sub 3] en anderen. Verder betogen zij dat het perceel [locatie c] vanwege zijn ligging nabij toeristische fietspaden ten onrechte niet mede is bestemd voor horeca met een recreatieve functie.

8.1. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het karakter van het onderhavige plan conserverend van aard is ter bescherming van het buitengebied en dat nieuwe ontwikkelingen in dit gebied niet wenselijk worden geacht, zodat aan het perceel [locatie c] geen algemene bestemming "Bedrijf" is toegekend. De Afdeling acht deze keuze niet onredelijk, te meer nu [appellante sub 3] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij voor de vaststelling van het plan bij het gemeentebestuur een concreet plan hadden ingediend met betrekking tot het realiseren van andere bedrijfsactiviteiten op hun perceel die vallen onder de bestemming "Bedrijf" als bedoeld in artikel 6 van de planregels.

Het betoog van [appellante sub 3] en anderen faalt.

8.2. Voorts is niet in geschil dat op het perceel [locatie c] ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels geen horeca met een recreatieve functie is toegestaan. In de door de raad op 2 juli 2009 vastgestelde nota "Integrale beleidsnota horeca 2009" (hierna: het horecabeleid) staat dat in het buitengebied uitsluitend (ondersteunende) horecavoorzieningen op specifiek aangewezen locaties met een toeristisch recreatieve functie zijn toegestaan, zoals de Ringdijk, Toolenburgerplas en Park 21.

Niet in geschil is dat het perceel [locatie c] niet is aangewezen als locatie met een toeristisch recreatieve functie als bedoeld in het horecabeleid. Voorts is niet gebleken dat voorafgaand aan de vaststelling van het voorliggende plan een concreet voornemen bestond voor het realiseren van een horeca- en/of recreatieve functie op het perceel

[locatie c] waarmee de raad bij de vaststelling van het plan rekening diende te houden. Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen besluiten geen horeca met een recreatieve functie op het perceel [locatie c] mogelijk te maken.

Het betoog van [appellante sub 3] en anderen faalt.

Het perceel [locatie e] 38

9. Het beroep van [appellante sub 3] en anderen is verder gericht tegen de planregeling voor het perceel [locatie e]. Zij hebben zich in het beroepschrift voor wat betreft de planregeling voor het perceel [locatie e] beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het [appellante sub 3] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog van [appellante sub 3] en anderen faalt derhalve.

Het mestbassin op de hoek Kaagweg/Lisserweg

10. Het beroep van [appellante sub 3] en anderen is ten slotte gericht tegen het toekennen van de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestbassin" aan de gronden gelegen ten zuiden van de kruising Kaagweg en Lisserweg.

11. Het beroep is mede ingediend namens [appellant sub 3 senior], wonende te [plaats] aan [locatie d]. De woning van [appellant sub 3 senior] bevindt zich op een afstand van meer dan 2,5 km van de gronden gelegen ten zuiden van de kruising Kaagweg en Lisserweg waaraan de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestbassin" is toegekend, zodat [appellant sub 3 senior] geen zicht heeft op dit perceel. Deze afstand is, ook in aanmerking genomen de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die ter plaatse van deze gronden mogelijk zijn, naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts hebben [appellante sub 3] en anderen geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van [appellant sub 3 senior] in zoverre rechtstreeks door het bestreden besluit zou worden geraakt.

De conclusie is dat [appellant sub 3 senior] geen belanghebbende is bij het plandeel met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestbassin" voor de gronden gelegen ten zuiden van de kruising Kaagweg en Lisserweg als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb geen beroep kan instellen. Het beroep van [appellante sub 3] en anderen, voor zover ingediend door H. van der Vliet B.V. wonende te [woonplaats] aan [locatie d] en voor zover gericht tegen de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestbassin" aan de gronden gelegen ten zuiden van de kruising Kaagweg en Lisserweg, is tevens niet-ontvankelijk.

12. De raad heeft verder betoogd dat het beroep van [appellante sub 3] en anderen, voor zover ingediend door [twee appellanten] en voor zover gericht tegen het toekennen van de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestbassin" aan de gronden gelegen ten zuiden van de kruising Kaagweg en Lisserweg, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat zij in zoverre geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang hebben. In dit verband heeft de raad erop gewezen dat de woning van [twee appellanten] op een afstand van ongeveer 300 m van het mestbassin staat en dat [twee appellanten] geen zicht hebben op het mestbassin.

12.1. De woning van [twee appellanten] bevindt zich op een afstand van ongeveer 300 m van de gronden gelegen ten zuiden van de kruising Kaagweg en Lisserweg waaraan de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestbassin" is toegekend. Daargelaten of zij zicht hebben op het mestbassin, is de Afdeling van oordeel dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat [twee appellanten] als gevolg van het mestbassin effecten zullen ondervinden in de vorm van geuroverlast. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het belang [twee appellanten] in zoverre rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken, zodat zij als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb kunnen worden aangemerkt. Het beroep van [appellante sub 3] en anderen, voor zover ingediend door

[twee appellanten[ en voor zover gericht tegen de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestbassin" aan de gronden gelegen ten zuiden van de kruising Kaagweg en Lisserweg, is ontvankelijk.

13. Volgens [appellante sub 3] en anderen is de raad er in de Nota van zienswijzen ten onrechte van uitgegaan dat het merendeel van de mest zal worden afgezet op de landbouwgrond van de eigenaar van het mestbassin, terwijl uit de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 augustus 2013, zaak nr. 12/4113, waarbij de door het college van burgemeester en wethouders verleende omgevingsvergunning voor het mestbassin is vernietigd, volgt dat dit uitgangspunt onjuist is. Zij voeren aan dat het gebruik van het mestbassin voor commerciële doeleinden in strijd is met de bestemming "Agrarisch", nu met deze bestemming wordt beoogd dat gronden alleen kunnen worden gebruikt voor volwaardige agrarische bedrijfsactiviteiten. Verder betogen zij dat voor de opslag van dunne mest ten onrechte geen maximum maten zijn opgenomen waardoor een nog veel groter mestbassin zou kunnen worden aangelegd binnen de toegekende aanduiding.

13.1. Blijkens de verbeelding is aan de gronden gelegen ten zuiden van de kruising van de Kaagweg met de Lisserweg de bestemming "Agrarisch" met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestbassin" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a en l, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Agrarisch" bestemd voor volwaardige agrarische bedrijfsactiviteiten met een in hoofdzaak grondgebonden bedrijfsvoering, met uitzondering van glastuinbouw, bollenteelt, intensieve veehouderij, paardenfokkerij en paardenhouderij, en ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestbassin" voor opslag van dunne mest.

Ingevolge lid 3.2.5 geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestbassin" een mestbassin is toegestaan waarvan de hoogte niet meer dan 5 m mag zijn.

13.2. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de locatie van het desbetreffende mestbassin in het agrarisch gebied nabij de kruising van rijks- en polderwegen en railinfrastructuur een goede locatie is voor de opslag van mest, nu de opslag in de oksel van deze infrastructuur landschappelijk inpasbaar is en de ligging directe ontsluiting biedt op het wegennet. De omstandigheid dat, anders dan waar hij bij de beantwoording van de zienswijze van is uitgegaan, niet het merendeel van de mest zal worden afgezet op de landbouwgrond van de eigenaar van het mestbassin maakt volgens de raad niet dat een mestbassin ter plaatse niet meer ruimtelijk aanvaardbaar is. In hetgeen [appellante sub 3] en anderen hebben aangevoerd wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel.

De Afdeling is voorts van oordeel dat, anders dan [appellante sub 3] en anderen betogen, uit de planregels behorende bij de bestemming "Agrarisch" niet volgt dat het mestbassin niet voor commerciële doeleinden mag worden gebruikt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a, van de planregels op gronden met deze bestemming volwaardige agrarische bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan, maar dat afzonderlijk hiervan ingevolge lid 3.1, onder l, ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestbassin" de opslag van dunne mest is toegestaan. De opslag van dunne mest hoeft derhalve niet plaats te vinden ten behoeve van agrarische bedrijfsactiviteiten van de eigenaar van de desbetreffende gronden.

Het betoog van [appellante sub 3] en anderen faalt.

13.3. Ter zitting is gebleken dat het al aanwezige mestbassin ten zuiden van de kruising van de Kaagweg met de Lisserweg niet het gehele aanduidingsvlak met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestbassin" beslaat. Nu in artikel 3 van de planregels, behoudens een maximale hoogtemaat van 5 m, geen maatvoeringseisen voor mestbassins zijn opgenomen, stelt de Afdeling vast dat binnen het gehele aanduidingsvlak een mestbassin met een hoogte van maximaal 5 m gerealiseerd mag worden. De raad heeft ter zitting erkend dat met deze mogelijkheid geen rekening is gehouden. Naar het oordeel van de Afdeling had onderzoek dienen te worden verricht naar de maximaal toelaatbare omvang van het mestbassin om een goede afweging te maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Niet is gebleken van een dergelijk onderzoek ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Het betoog van [appellante sub 3] en anderen slaagt.

Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte geen inzicht geboden in de vraag of ter plaatse van de nabijgelegen woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

14. In hetgeen [appellante sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestbassin" voor de gronden gelegen ten zuiden van de kruising Kaagweg en Lisserweg, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 3] en anderen, voor zover ontvankelijk, is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 4] en anderen

15. Het beroep van [appellante sub 4] en anderen is gericht tegen de planregeling voor het perceel [locatie f]. Zij voeren aan dat, anders dan in het addendum van het raadsvoorstel staat, de raad ten onrechte niet de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch handels- en hulpbedrijf" aan hun perceel heeft toegekend en dat deze aanduiding niet is opgenomen in de planregels. Hierdoor is het bestaande gebruik van de aanwezige loods voor opslag (door derden) en van het omliggende terrein voor buitenopslag van hout niet als zodanig bestemd en onder het overgangsrecht gebracht.

15.1. In het addendum bij het raadsvoorstel staat dat in de bijlage "Aanpassingen bestemmingsplan "Buitengebied Zuid" naar aanleiding van zienswijzen" moet worden toegevoegd dat op de verbeelding op het perceel [locatie f] ter plaatse van de bestaande loods de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch handels- en hulpbedrijf" moet worden opgenomen en dat in de desbetreffende planregels moet worden toegevoegd dat ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch handels- en hulpbedrijf" tevens een agrarisch handels- en hulpbedrijf is toegestaan. De raad heeft ter zitting verklaard dat met deze aanduiding is beoogd stille opslag van agrarische producten door de eigenaar van het perceel en door derden toe te staan. In het bestreden besluit staat onder meer dat de raad instemt met de wijzigingen zoals opgenomen in voornoemde bijlage en dat hij besluit het plan vast te stellen overeenkomstig deze wijzigingen.

15.2. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie f] de bestemming "Wonen - Voormalig agrarisch bedrijf" toegekend. De Afdeling stelt vast dat, anders dan [appellante sub 4] en anderen betogen, aan de bestaande loods op het perceel [locatie f], overeenkomstig hetgeen in het addendum bij het raadsvoorstel staat, de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch handels- en hulpbedrijf" is toegekend.

Voorts stelt de Afdeling vast dat, anders dan in het addendum bij het raadsvoorstel staat, de planregel behorende bij de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch handels- en hulpbedrijf" niet is opgenomen in artikel 27, lid 27.1, van de planregels behorende bij de bestemming " Wonen - Voormalig agrarisch bedrijf". De raad heeft dit erkend en heeft toegelicht dat de planregel behorende bij de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch handels- en hulpbedrijf" per abuis is opgenomen in artikel 3, lid 3.1, van de planregels behorende bij de bestemming "Agrarisch". Naar het oordeel van de Afdeling stemmen de planregels in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. In hetgeen [appellante sub 4] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog van [appellante sub 4] en anderen slaagt.

15.3. Voor zover [appellante sub 4] en anderen hebben aangevoerd dat ten onrechte geen opslag op het buitenterrein van het perceel [locatie f] is toegestaan terwijl dit bestaand gebruik betreft, overweegt de Afdeling als volgt. Blijkens de plankaart behorende bij het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" was aan het perceel [locatie f] de bestemming "Bebouwing voor agrarische doeleinden A" toegekend. Ingevolge artikel 8, derde lid, onder c, van de planvoorschriften behorende bij dat plan werd tot een strijdig gebruik met deze bestemming gerekend het opslaan van goederen, stoffen of materialen, waarvan de aanwezigheid voor de agrarische bedrijfsvoering niet noodzakelijk was. Ter zitting hebben [appellante sub 4] en anderen te kennen gegeven dat op het buitenterrein van het perceel [locatie f] al enige tijd opslag van hout plaatsvindt. Naar het oordeel van de Afdeling hebben

[appellante sub 4] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de aanwezigheid van hout noodzakelijk is voor hun bedrijfsvoering, zodat de buitenopslag van hout op het perceel [locatie f] niet in overeenstemming was met het voorheen geldende bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 27, lid 27.3.2, onder d, van de planregels wordt onder strijdig gebruik van de gronden met de bestemming "Wonen - Voormalig agrarisch bedrijf" in ieder geval begrepen het ten behoeve van beroepsuitoefening aan huis hebben van bedrijfsmatige opslag in de open lucht. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten om buitenopslag op het perceel [locatie f] niet toe te staan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat dit verbod is opgenomen ter voorkoming van verrommeling en aantasting van het buitengebied.

Het betoog van [appellante sub 4] en anderen faalt.

15.4. Het beroep van [appellante sub 4] en anderen is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

15.5. Nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd.

Het beroep van [appellanten sub 5]

16. Het beroep van [appellanten sub 5] is gericht tegen de planregeling voor het perceel [locatie g]. Zij betogen allereerst dat op dit perceel ten onrechte geen hoveniersbedrijf mogelijk wordt gemaakt. De raad is er volgens hen ten onrechte vanuit gegaan dat de bedrijfsactiviteiten ter plaatse in hoofdzaak het telen van bomen en planten betreffen, maar de huidige mogelijkheden van de kwekerij worden juist gebruikt ter aanvulling van het hoveniersbedrijf. Dat op het perceel [locatie g] een hoveniersbedrijf is gevestigd volgt tevens uit de op 29 april 2009 door het college van burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning voor de bouw van een bedrijfspand ten behoeve van een hoveniersbedrijf.

16.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie g] de bestemming "Agrarisch" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Agrarisch" onder meer bestemd voor volwaardige agrarische bedrijfsactiviteiten met een in hoofdzaak grondgebonden bedrijfsvoering, met uitzondering van glastuinbouw, bollenteelt, intensieve veehouderij, paardenfokkerij en paardenhouderij.

Ingevolge artikel 1 van de planregels moet onder een hoveniersbedrijf worden verstaan een bedrijf, dat primair gericht is op ontwerp, aanleg en onderhoud van tuinen en groenvoorzieningen elders, alsmede voor de opslag van de materialen ten behoeve van het bedrijf.

Niet in geschil is dat op het perceel [locatie g] geen hoveniersbedrijf is toegestaan.

16.2. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellanten sub 5] niet aannemelijk gemaakt dat op het perceel [locatie g] thans legaal een hoveniersbedrijf is gevestigd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat dit perceel in het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" was bestemd als "Agrarische doeleinden II" en dat ingevolge artikel 16, eerste lid, in samenhang bezien met artikel 1, onder q, van de planvoorschriften behorend bij dit voorheen geldende bestemmingsplan gronden met deze bestemming waren bestemd voor de uitoefening van bedrijven gericht op oogst-, tuin- of akkerbouw alsmede veehouderijen- en weidebedrijven. Voorts hebben [appellanten sub 5] geen stukken overgelegd waaruit zou blijken dat op dit punt vrijstelling is verleend van het voorheen geldende bestemmingsplan. Voor zover [appellanten sub 5] hebben gewezen op de verleende bouwvergunning van 29 april 2009 voor het bouwen van een bedrijfspand ten behoeve van een hoveniersbedrijf, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting is door de raad toegelicht dat op het perceel [locatie g] legaal een kwekerij is gevestigd welke ten dienste staat van het hoveniersbedrijf [appellante sub.5] welk bedrijf op het perceel [locatie h] te [plaats] is gevestigd. De bouwvergunning is verleend voor de bouw van een bedrijfspand op het terrein van de kwekerij, maar dit pand staat eveneens ten dienste van het hoveniersbedrijf, aldus de raad. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding hieraan te twijfelen. De omstandigheid waar [appellanten sub 5] ter zitting op hebben gewezen dat een bestuursadviseur van de gemeente Haarlemmermeer in een e-mail heeft verklaard dat binnen de bestemming "Agrarisch" een hoveniersbedrijf kan worden uitgeoefend maakt het voorgaande niet anders. Daargelaten of in het betrokken geval door deze bestuursadviseur concrete toezeggingen zijn gedaan, overweegt de Afdeling dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij een bestuursadviseur, maar bij de raad. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Het betoog van [appellanten sub 5] faalt.

16.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad voorts in redelijkheid kunnen besluiten om op het perceel [locatie g] geen hoveniersbedrijf toe te staan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad te kennen heeft gegeven dat een hoveniersbedrijf te beschouwen is als een bedrijfsfunctie, nu het gaat om een niet-grondgebonden bedrijf waarbij de werkzaamheden voor aanleg van groen en tuinen elders plaatsvindt. Op de bedrijfslocatie zelf vindt opslag van materiaal ten behoeve van die aanleg plaats en kan er tevens sprake zijn van het bewerken van materiaal. Een dergelijke functie in het buitengebied acht de raad niet wenselijk. De raad wijst hierbij ook op het vastgestelde beleid "Het Vierde Gewas: nieuwe economische dragers" waaruit volgt dat in de themazone "Agrarische innovatie", waarbinnen het desbetreffende perceel ligt, het uitgangspunt is dat de agrarische cultuur in stand wordt gehouden en dat geen mogelijkheid wordt geboden aan ontwikkelingen die betrekking hebben op niet-agrarische bedrijvigheid.

Het betoog van [appellanten sub 5] faalt.

17. [appellanten sub 5] betogen voorts dat op het perceel [locatie g] ten onrechte geen bedrijfswoning ten behoeve van een hoveniersbedrijf wordt mogelijk gemaakt, terwijl op grond van artikel 13, derde lid, onder b, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie in samenhang bezien met artikel 17 een dergelijke woning wel is toegestaan. Zij voeren verder aan dat bewoning bij het hoveniersbedrijf noodzakelijk is vanwege de ruime werktijden en vanwege de beveiliging van het bedrijfscomplex tegen diefstal.

17.1. Blijkens de verbeelding is aan een klein deel van het perceel [locatie g] de aanduiding "bouwvlak" met de functieaanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder d, van de planregels is ter plaatse van de functieaanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" geen bedrijfswoning toegestaan.

De Afdeling stelt vast dat op het perceel [locatie g] geen bedrijfswoning is toegestaan.

17.2. Nu de raad, gelet op hetgeen in 16.3 is overwogen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om op het perceel [locatie g] geen hoveniersbedrijf toe te staan, is de Afdeling van oordeel dat een bedrijfswoning ten behoeve van een hoveniersbedrijf op het perceel [locatie g] reeds daarom niet noodzakelijk is.

Het betoog van [appellanten sub 5] faalt.

18. Het beroep van [appellanten sub 5] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 6] en anderen

19. Het beroep van [appellante sub 6] en anderen is allereerst gericht tegen het toekennen van de bestemming "Wonen - Voormalig agrarisch bedrijf" aan de percelen [locatie i en j]. Zij betogen dat het bestemmen van de bestaande bedrijfswoningen op deze percelen als burgerwoningen ernstige belemmeringen oplevert voor hun bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie k], nu burgerwoningen, anders dan bedrijfswoningen, bescherming genieten ten opzichte van hun bedrijf. Verder betogen [appellante sub 6] en anderen dat de raad hun belangen niet bij de besluitvorming heeft betrokken en dat geen onderzoek is gedaan naar de mogelijke belemmeringen voor hun bedrijf. Ook voeren zij aan dat uit het beleid van de gemeente juist volgt dat voldoende ontwikkelruimte voor agrarische bedrijven moet worden behouden en dat de raad door het toekennen van de bestemming "Wonen - Voormalig agrarisch bedrijf" hier niet mee in overeenstemming heeft gehandeld.

19.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie k] de bestemming "Agrarisch" toegekend. Aan het perceel [locatie l] direct grenzend aan de zuidwestkant van het perceel [locatie k] is de bestemming "Wonen" toegekend. Aan de percelen [locatie i en j] is de bestemming "Wonen - Voormalig agrarisch bedrijf" toegekend.

Blijkens de verbeelding bedraagt de afstand tussen het perceel [locatie k] en de bestaande woning op het naastgelegen perceel [locatie l] ongeveer 14 m. De afstand tussen het perceel [locatie k] en de woningen op het percelen locatie j en i] bedraagt ongeveer 33 m respectievelijk meer dan 500 m.

19.2. In de door de raad vastgestelde "Structuurvisie Haarlemmermeer 2030" staat dat agrarische ondernemers behoefte hebben aan meer ontwikkelruimte op hun erven. In deze Structuurvisie staat echter ook dat de mogelijkheden die hiervoor worden geboden afhankelijk zijn van de PRVS, de ligging van het erf in de omgeving en de economische, maatschappelijke en ruimtelijke bijdrage van de ontwikkeling aan die omgeving. In de nota "De agrarisch sector in perspectief" die op 23 mei 2013 door de raad is vastgesteld staat dat nieuwe bestemmingsplannen voor het buitengebied worden opgesteld en dat de raad de agrarische sector wil faciliteren en de maatschappelijke en landschappelijke rol wil stimuleren. Doel is een economisch sterke agrarische sector en een vitaal platteland in balans met haar omgeving. Uitgangspunt voor deze bestemmingsplannen is waar mogelijk meer flexibiliteit en ruimte bieden aan nieuwe agrarische initiatieven, aldus de nota. Gelet op het voorgaande volgt naar het oordeel van de Afdeling uit de Structuurvisie en de nota, anders dan [appellante sub 6] en anderen stellen, niet de verplichting dat in een bestemmingsplan zonder meer ontwikkelruimte aan agrarische bedrijven moet worden geboden.

19.3. Naar het oordeel van de Afdeling vormt de reeds aanwezige woning op het perceel [locatie l], welke woning op een kleinere afstand is gelegen van het agrarisch bedrijf van [appellante sub 6] en anderen dan de woningen op de percelen [locatie i] en j], voor het agrarisch bedrijf van [appellante sub 6] en anderen reeds een beperking voor de bedrijfsvoering en de uitbreidingsmogelijkheden. Voorts bestaat, gelet op hetgeen in 3.6 is overwogen, geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmen van de voormalige bedrijfswoningen op de percelen [locatie i] en 1587 als burgerwoningen een verdere belemmering voor de bedrijfsvoering van het bedrijf van [appellante sub 6] en anderen tot gevolg heeft. Gelet hierop behoefde de raad hiernaar geen nader onderzoek te doen.

19.4. Gelet op het voorgaande wordt in hetgeen [appellante sub 6] en anderen hebben aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid aan de percelen [locatie i en j] de bestemming "Wonen - Voormalig agrarisch bedrijf" heeft kunnen toekennen. Het betoog van [appellante sub 6] en anderen faalt.

20. Het beroep van [appellante sub 6] en anderen is voorts gericht tegen de planregeling voor het perceel [locaties m]. Het beroep is mede ingediend namens [appellant sub 6a]. De woning van [appellant sub 6a] bevindt zich op een afstand van meer dan 15 km van het perceel [locaties m]. Deze afstand is naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts hebben [appellante sub 6] en anderen geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang [appellant sub 6a] rechtstreeks door het bestreden besluit zou worden geraakt.

De conclusie is dat [appellant sub 6a] geen belanghebbende is bij de planregeling voor het perceel [locaties m] als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb geen beroep kan instellen. Het beroep van [appellante sub 6] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 6a] en voor zover gericht tegen de planregeling voor het perceel [locaties m], is niet-ontvankelijk.

21. [appellante sub 6] en anderen betogen dat het bouwvlak ten onrechte is verkleind ten opzichte van het bouwvlak dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" was opgenomen en dat dit bij herontwikkeling van de drie bestaande woningen vooral gevolgen heeft voor de situering van de woningen. Daarbij voeren zij aan dat onder het voorheen geldende bestemmingsplan de mogelijkheid bestond om de woningen verder van de weg af te plaatsen, maar dat dit in het onderhavige plan niet mogelijk is. Voor zover de raad heeft gewezen op de wijzigingsbevoegdheid waarmee het mogelijk wordt gemaakt om woningen op een minimale afstand van 20 m van de weg te realiseren, voeren [appellante sub 6] en anderen aan dat als wijzigingsvoorwaarde is opgenomen dat de goothoogte niet meer dan 4 m mag bedragen terwijl de goothoogte van de bestaande woningen 6 m bedraagt. Hierdoor is het volgens hen onwaarschijnlijk dat zij gebruik kunnen maken van deze wijzigingsbevoegdheid. Ten slotte vrezen [appellante sub 6] en anderen dat een deel van de bestaande bebouwing is wegbestemd, omdat deze buiten het bouwvlak is gelegen.

21.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locaties m] de bestemming "Wonen" met de aanduiding "bouwvlak" en de bouwaanduidingen "maximum aantal woningen 3" en "maximale goothoogte 6 m en maximale bouwhoogte 9 m" toegekend.

Ingevolge artikel 26, lid 26.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Wonen" onder meer bestemd voor wonen.

Ingevolge lid 26.2.1 geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen dat:

a. hoofdgebouwen binnen een bouwvlak dienen te worden gebouwd;

b. per bouwperceel één woning is toegestaan;

c. in afwijking van het gestelde onder b. ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal woningen" het maximum aantal woningen is toegestaan;

d. bijbehorende bouwwerken zowel binnen als buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd;

e. ter plaatse van de aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte" voor hoofdgebouwen zijn de aangegeven maximale goot- en bouwhoogte toegestaan.

Ingevolge artikel 51, lid 51.3, kan het college van burgemeester en wethouders de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen in "Wonen" en "Tuin" ten behoeve van het op een andere plaats op een perceel herbouwen van een woning, onder de volgende voorwaarden:

a. ten aanzien van woningen gesitueerd aan de ringdijk, geldt dat de voorste bouwgrens dient te worden gesitueerd op maximaal 10 m uit de weg;

b. ten aanzien woningen die zijn gesitueerd langs polderwegen anders dan de ringdijk, geldt dat de voorste bouwgrens dient te worden gesitueerd op minimaal 20 m uit de as van de weg;

c. de goothoogte mag niet meer zijn dan 4 m;

d. de bouwhoogte mag niet meer zijn dan 10 m.

21.2. Niet in geschil is dat het in het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" opgenomen bebouwingsvlak op het perceel [locaties m], waarbinnen woningen mochten worden gebouwd, groter was dan het in het onderhavige plan opgenomen bouwvlak. De Afdeling stelt vast dat op grond van de planvoorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan de inhoud van een woning ter plaatse maximaal 600 m³ mocht bedragen, zodat dit bebouwingsvlak niet volledig kon worden bebouwd. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat in artikel 26 van de planregels thans geen maximale inhoudsmaat voor een woning is opgenomen, zodat - indien het oude bebouwingsvlak als bouwvlak zou zijn overgenomen - het gehele bouwvlak zou kunnen worden bebouwd met maximaal drie woningen. De raad heeft verklaard dat hij deze bouwmogelijkheden ter plaatse niet wenselijk acht, nu sprake is van landelijk gebied. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

Ter zitting heeft de raad verder toegelicht dat ten behoeve van het op een andere plaats op het perceel [locaties m] herbouwen van de woningen gebruik kan worden gemaakt van de in artikel 51, lid 51.3, van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Nu onder meer als wijzigingsvoorwaarde is opgenomen dat de voorste bouwgrens dient te worden gesitueerd op minimaal 20 m uit de as van de weg, kunnen volgens de raad de woningen verder naar achteren op het perceel worden geplaatst. De raad heeft ter zitting echter erkend dat artikel 51, lid 51.3, van de planregels een algemene wijzigingsbevoegdheid betreft die niet specifiek aan het perceel Rijnlanderweg 1484 tot en met 1488 is toegekend. [appellante sub 6] en anderen hebben ter zitting te kennen gegeven dat de goothoogte van de drie bestaande woningen 6 m betreft, zodat na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de bestaande woningen niet in hun huidige omvang kunnen worden herbouwd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad derhalve onvoldoende rekening gehouden met de belangen van [appellante sub 6] en anderen door voor het perceel Rijnlanderweg 1484 tot en met 1488 geen specifieke wijzigingsbevoegdheid op te nemen waarmee op minimaal 20 m uit de as van de weg kan worden voorzien in de herbouw van de bestaande woningen met een goothoogte van 6 m.

Het betoog van [appellante sub 6] en anderen slaagt.

21.3. Voor zover [appellante sub 6] en anderen vrezen dat een deel van de bestaande bijgebouwen op het perceel [locaties m] is wegbestemd, omdat deze bebouwing buiten het bouwvlak is gelegen, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting is gebleken dat de hoofdgebouwen binnen het bouwvlak zijn gelegen, maar dat enkele bijgebouwen hierbuiten vallen. Nu ingevolge artikel 26, lid 26.2.1, onder d, van de planregels bijbehorende bouwwerken zowel binnen als buiten het bouwvlak gebouwd mogen worden, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de bestaande bijgebouwen op het perceel [locaties m] als zodanig zijn bestemd.

Het betoog van [appellante sub 6] en anderen faalt.

21.4. In hetgeen [appellante sub 6] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover voor het perceel [locaties m] geen specifieke wijzigingsbevoegdheid is opgenomen waarmee op minimaal 20 m uit de as van de weg kan worden voorzien in de herbouw van de bestaande woningen met een goothoogte van 6 m, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

22. Het beroep van [appellante sub 6] en anderen is ten slotte gericht tegen het aanlegvergunningenstelsel dat in artikel 30, lid 30.4.1, van de planregels is opgenomen. Hierbij voeren zij aan dat onduidelijk is of normaal agrarisch gebruik van de gronden, zoals het aanleggen van drainage, zonder omgevingsvergunning is toegestaan.

22.1. Blijkens de verbeelding is aan een klein deel van het perceel [locatie k] de dubbelbestemming "Leiding - Gas" met de functieaanduiding "specifieke vorm van gas - 9" toegekend.

Ingevolge artikel 30, lid 30.4.1, van de planregels is het verboden op of in de gronden met de bestemming "Leiding - Gas" zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

a. het aanbrengen of rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;

b. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;

d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;

e. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;

f. het permanent opslaan van goederen.

Ingevolge lid 30.4.2 is het verbod niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden:

a. die reeds in uitvoering zijn op het van kracht worden van het plan;

b. die het normale onderhoud ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;

c. welke graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet

informatie-uitwisseling ondergrondse netten vormen;

d. welke mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 1 moet onder normaal onderhoud worden verstaan werkzaamheden die regelmatig nodig zijn voor een goed beheer van de gronden.

Ingevolge artikel 1 moet onder normaal (agrarisch) gebruik worden verstaan het reguliere gebruik, dat gelet op de (agrarische) bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goede agrarische bedrijfsvoering en het agrarische gebruik van de gronden waarbij grondbewerkingen mogen worden uitgevoerd tot een maximale diepte van 1 m. Voorbeelden van normaal agrarisch gebruik zijn: maaien, beweiden en bemesten van grasland, verbeteren van het grasland door het scheuren van de grasmat en het direct opnieuw inzaaien, ploegen en cultiveren van bouwland, verbouwen van akkerbouwgewassen, zoals mais in wisselteelt, maaien en schonen van sloot en slootkant, vervangen van en onderhoud aan drainage, het aanleggen van wegen ter directe ontsluiting van een agrarisch bouwperceel.

22.2. De raad heeft ter zitting gesteld dat, nu ingevolge artikel 1 van de planregels onder het begrip "normaal agrarisch gebruik" onder meer het vervangen van drainage tot een maximale diepte van 1 m moet worden verstaan, het verbod uit lid 30.4.1, onder d, om op of in de gronden met de bestemming "Leiding - Gas" zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning drainage aan te leggen ingevolge lid 30.4.2, onder b, niet van toepassing is op deze werkzaamheden. De Afdeling stelt echter vast dat in lid 30.4.2, onder b, niet wordt verwezen naar het begrip "normaal agrarisch gebruik" maar naar het begrip "normaal onderhoud". In artikel 1 is niet expliciet opgenomen dat het aanleggen en vervangen van drainage tot een maximale diepte van 1 m moet worden verstaan onder het begrip "normaal onderhoud". Nu dit wel is gebeurd voor het begrip "normaal agrarisch gebruik", is het naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende duidelijk of het aanleggen en vervangen van drainage tot een maximale diepte van 1 m valt onder het begrip "normaal onderhoud" als bedoeld in artikel 1 en het verbod uit lid 30.4.1, onder d, om op of in de gronden met de bestemming "Leiding - Gas" zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning drainage aan te leggen derhalve ingevolge lid 30.4.2, onder b, niet van toepassing is op deze werkzaamheden.

Het betoog van [appellante sub 6] en anderen slaagt.

22.3. In hetgeen [appellante sub 6] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de dubbelbestemming "Leiding - Gas" met de functieaanduiding "specifieke vorm van gas - 9 " voor het perceel [locatie k], is genomen in strijd met de rechtszekerheid.

23. Het beroep van [appellante sub 6] en anderen, voor zover ontvankelijk, is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en met het rechtszekerheidsbeginsel te worden vernietigd.

24. Gelet op de bescherming van de aanwezige gasleiding, ziet de Afdeling aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, inhoudende dat voor het perceel [locatie k] tot het moment dat het nieuwe besluit is genomen de dubbelbestemming "Leiding - Gas" met de functieaanduiding "specifieke vorm van gas - 9 "geldt, zoals deze thans in het plan aan het perceel is toegekend.

Proceskosten

25. De raad dient ten aanzien van [appellante sub 3] en anderen en [appellante sub 4] en anderen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellante sub 6] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van LTO Noord, [appellant sub 2] en [appellanten sub 5] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Opdracht

26. De Afdeling ziet aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 3] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 3 senior] wonende te [woonplaats] aan de [locatie d] en voor zover gericht tegen de planregeling voor het perceel [locatie c] en tegen het toekennen van de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestbassin" aan de gronden gelegen ten zuiden van de kruising Kaagweg, en het beroep van de [appellante sub 6] en anderen, voor zover ingediend door [appellant sub 6a] en voor zover gericht tegen de planregeling voor het perceel [locaties m], niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van de [appellante sub 3] en anderen, voor het overige, [appellante sub 4] en anderen en de [appellante sub 6]en anderen, voor het overige, gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Haarlemmermeer van 4 juli 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid", voor zover:

a. het betreft de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestbassin" voor de gronden gelegen ten zuiden van de kruising Kaagweg en Lisserweg;

b. de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - agrarisch handels- en hulpbedrijf" niet is verklaard in artikel 27, lid 27.1, van de planregels;

c. voor het perceel [locaties m] geen specifieke wijzigingsbevoegdheid is opgenomen waarmee op minimaal 20 m uit de as van de weg kan worden voorzien in de herbouw van de bestaande woningen met een goothoogte van 6 m;

d. het betreft het plandeel met de dubbelbestemming "Leiding - Gas" met de functieaanduiding "specifieke vorm van gas - 9 " voor het perceel [locatie k];

IV. bepaalt dat in artikel 27, lid 27.1, van de planregels onder vernummering van de overige onderdelen een nieuw onderdeel wordt toegevoegd dat luidt: ‘ter plaatse van de aanduiding "agrarisch handels- en hulpbedrijf" is tevens een agrarisch handels- en hulpbedrijf toegestaan’;

V. bepaalt dat deze uitspraak voor zover het betreft het onder IV. genoemde in de plaats treedt van het in zoverre vernietigde besluit;

VI. draagt de raad van de gemeente Haarlemmermeer op om binnen

26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen met betrekking tot de plandelen genoemd onder III., onder a., c. en d. en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VII. treft de voorlopige voorziening dat het in de verbeelding aangeduide plandeel met de dubbelbestemming "Leiding - Gas" en de functieaanduiding "specifieke vorm van

gas - 9 " voor het perceel [locatie k] herleeft;

VIII. bepaalt dat de onder VII. getroffen voorlopige voorziening vervalt op het moment waarop het door de raad te nemen besluit in werking treedt;

IX. verklaart de beroepen van de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord, R. [appellant sub 2] en [appellanten sub 5]

X. veroordeelt de raad van de gemeente Haarlemmermeer tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

a. de [appellante sub 3] en anderen tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

b. [appellante sub 4] en anderen, tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

XI. gelast dat de raad van de gemeente Haarlemmermeer aan de hierna te noemen appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor [appellante sub 3] en anderen, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

b. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor [appellante sub 4] en anderen, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

c. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de [appellante sub 6] en anderen, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Driessen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014

634.