Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3140

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201310219/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:7188, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 december 2012 heeft het college aan [belanghebbende], handelend onder de naam [bedrijf], omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfspand op het perceel [locatie] te Kerkwerve (hierna: het perceel) verleend, als wijziging op de eerder verleende bouwvergunning van 28 juni 2010 (lees: 25 juni 2010).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310219/1/A1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Kerkwerve, gemeente Schouwen-Duiveland,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Kerkwerve, gemeente Schouwen-Duiveland (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 september 2013 in zaken nrs. 13/1210 en 13/1211 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland.

Procesverloop

Bij besluit van 27 december 2012 heeft het college aan [belanghebbende], handelend onder de naam [bedrijf], omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfspand op het perceel [locatie] te Kerkwerve (hierna: het perceel) verleend, als wijziging op de eerder verleende bouwvergunning van 28 juni 2010 (lees: 25 juni 2010).

Bij uitspraak van 18 september 2013 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2014, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], bijgestaan door mr. J. Boogaard, advocaat te Middelburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Hubregtse en ing. K. Nomden, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende] gehoord.

Overwegingen

1. Op 14 maart 2008 heeft [belanghebbende] een aanvraag om bouwvergunning ingediend voor het oprichten van een bedrijfsgebouw op het perceel.

Bij besluit van 25 juni 2010 heeft het college [belanghebbende] naar aanleiding van deze aanvraag met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals deze voor de aanvraag gold, vrijstelling van het bestemmingsplan en reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfsgebouw ten behoeve van visverwerking met kleinschalige detailhandel en opslag op het perceel. Dit besluit is in rechte onaantastbaar.

Op 13 april 2012 heeft [belanghebbende] opnieuw een aanvraag om omgevingsvergunning voor het desbetreffende bedrijfsgebouw ingediend.

Uit de gedingstukken blijkt dat deze aanvraag erop was gericht om een afwijking in de situering van het gebouw ten opzichte van de bij het besluit van 25 juni 2010 vergunde locatie te legaliseren. Gebleken was dat het gebouw 3 meter dichter bij zowel de noordelijke als de oostelijke perceelgrens is gebouwd, dan bij het besluit van 25 juni 2010 is vergund.

2. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank in strijd met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ten onrechte een deel van hun beroepsgronden buiten beschouwing heeft gelaten. De rechtbank heeft, door te oordelen dat alleen de wijziging van het bouwplan ten opzichte van het eerder vergunde bouwplan in deze procedure ter beoordeling voorligt, volgens hen miskend dat zij op de grondslag van het besluit van 27 december 2012 en de daartegen door hen aangevoerde beroepsgronden uitspraak had moeten doen. Nu bij dit besluit voor het totale bouwplan opnieuw vergunning is verleend en zij gronden hebben aangevoerd tegen dit totale bouwplan, behoort dat in zijn geheel tot de omvang van het geding, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

2.1. Zoals hiervoor onder 1. is overwogen, is het besluit van 25 juni 2010, waarbij oorspronkelijk vrijstelling en bouwvergunning voor het bedrijfsgebouw is verleend, in rechte onaantastbaar.

De rechtbank heeft gelet daarop, alsmede op de omstandigheid dat het besluit van 27 december 2012 vermeldt dat dit betrekking heeft op de wijziging van het bouwplan ten opzichte van dat waarop het besluit van 25 juni 2010 ziet, terecht geoordeeld dat in deze procedure uitsluitend nog de wijziging ter beoordeling voorligt. Die bestaat uit de verplaatsing van de locatie van het gebouw met 3 meter in noordelijke en in oostelijke richting.

Dat de wijziging, zoals [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen, uit meer dan die gewijzigde locatie bestaat, is niet gebleken. De rechtbank heeft met betrekking tot hun stelling dat bij het besluit van 27 december 2012 de vergunning mede is uitgebreid met gebruik ten behoeve van een visrokerij, terecht geoordeeld dat die activiteit gelet op de kleinschaligheid daarvan reeds moet worden geacht te zijn begrepen in het besluit van 25 juni 2010, te weten als ondergeschikte activiteit vallend onder de toen reeds vergunde bedrijfsactiviteit "visverwerking".

De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de ruimtelijke onderbouwing en de belangenafweging ten aanzien van het eerder vergunde, onbesproken kan blijven. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] deze gronden in hoger beroep hebben herhaald, dienen ook deze buiten beschouwing te blijven.

Het betoog faalt.

3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen voor het eerst in hoger beroep dat de omstandigheid dat door de gewijzigde locatie van het gebouw een eerder geplande groenstrook aan de noord- en oostzijde daarvan met een breedte van 5 meter niet meer in die vorm kan worden uitgevoerd, een ernstige afwijking van het oorspronkelijk vergunde bouwplan inhoudt.

Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom dit niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen hadden behoren te doen, dient deze grond, wat daarvan zij, buiten beschouwing te blijven.

4. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de ruimtelijke onderbouwing en de belangenafweging van het besluit van 27 december 2012 wat betreft de gewijzigde locatie niet voldoen, faalt ook dat betoog. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor dat oordeel. Daarbij heeft zij in aanmerking kunnen nemen dat volgens dat besluit het bedrijfspand op grotere afstand van de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is vergund en onweersproken is dat dit voor hen een verbetering vormt ten opzichte van de eerder vergunde locatie.

5. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Leeuwen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014

641.