Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3130

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201400742/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:16679, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 maart 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] om verlening van een marktvergunning voor een vaste standplaats na voordracht op de markt Herman Costerstraat te Den Haag afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2015/281

Uitspraak

201400742/1/A3.

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 december 2013 in zaak nr. 13/6479 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] om verlening van een marktvergunning voor een vaste standplaats na voordracht op de markt Herman Costerstraat te Den Haag afgewezen.

Bij besluit van 28 juni 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2014, waar [appellant], bijgestaan door B.Th.J. de Vrij, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Marktzaken, en het college, vertegenwoordigd door W. Manchanda-Dharmlal, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] als partij gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2:5, eerste lid, van het Marktreglement Den Haag 2013 kan de marktvergunninghouder van een vaste standplaats vijf jaar na verkrijging van een marktvergunning verzoeken om intrekking als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Marktverordening gemeente Den Haag 2013, van deze marktvergunning onder de voordracht van een nieuwe vergunninghouders, mits:

a. de verschuldigde marktgelden en alle andere vorderingen voortvloeiend uit de markt zijn voldaan;

b. er geen sprake is van een kenbaar gemaakt voornemen, om de marktvergunning in te trekken.

Ingevolge het tweede lid dient de voorgedragen marktvergunninghouder gelijktijdig met het onder het eerste lid bedoelde verzoek een aanvraag in om een marktvergunning voor dezelfde vaste standplaats.

Ingevolge het zesde lid dient de aanvraag als bedoeld in het tweede lid niet in strijd te zijn met het Branchebesluit Den Haag Markten 2012 (hierna: het branchebesluit).

Ingevolge artikel 2, vierde lid, van het Branchebesluit markten Den Haag 2012 (hierna: branchebesluit) krijgen per markt en per hoofdbranche niet meer vaste standplaatshouders vergunning dan het in het branchepatroon van de betreffende markt voor die hoofd- en subbranche vastgestelde maximum.

2. Op 9 januari 2013 heeft [belanghebbende] verzocht om intrekking van zijn marktvergunning onder gelijktijdige voordracht van [appellant]. Het college heeft afgifte van de marktvergunning aan [appellant] afgewezen en hieraan ten grondslag gelegd dat de aanvraag van [appellant] ziet op het aanbieden van merkkleding op de markt en het vastgestelde maximum aantal vergunningen voor de branches dames- en herenbovenkleding, waaronder dit aanbod valt, is bereikt. Het aanbieden van merkkleding is verder niet zo herkenbaar en onderscheidend dat aanleiding bestaat om toepassing te geven aan de in het branchebesluit opgenomen hardheidsclausule, aldus het college.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

De weigering is ten onrechte gebaseerd op een advies van de Commerciƫle Branchecommissie (hierna: de commissie). Uit dit advies volgt immers dat [appellant] als ondernemer niet bekend is bij de commissie. Gelet hierop kan door de commissie niet zijn beoordeeld of de door hem aangeboden merkkleding een verbijzondering of specialisatie betreft.

3.1. Het college heeft ter zitting bij de rechtbank toegelicht dat het er mee bekend is dat [appellant] op de markt, onder gelding van de vergunning van [belanghebbende], zijn goederen verkoopt. De vermelding in het advies van de commissie van 4 februari 2013 dat het marktverleden van [appellant] onbekend is, betekent dat [appellant] als vergunninghouder onbekend is. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college hiermee inzichtelijk heeft gemaakt dat het advies van de commissie niet innerlijk tegenstrijdig is. Daarbij heeft de rechtbank verder terecht overwogen dat het college over de vraag of de door [appellant] aangeboden merkkleding een verbijzondering is, advies heeft ingewonnen van de op dit gebied deskundige commissie en zij in de enkele kanttekening die [appellant] plaatst bij dit advies onvoldoende aanleiding ziet om aan dit advies te twijfelen.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college weliswaar in het branchebesluit in redelijkheid een maximum voor de verschillende marktbranches mag hanteren, maar dat toewijzing van zijn verzoek geen vermeerdering van het bestaande aantal vergunningen betekent, maar een overschrijving van een reeds bestaande vergunning. Bovendien worden in deze branche onbeperkt dagplaatsen uitgegeven, hetgeen afbreuk doet aan het branchebesluit, aldus [appellant].

4.1. Het college moet bij de beoordeling van de aanvraag de in het branchebesluit opgenomen voorwaarden toepassen. De vergunningaanvraag van [appellant] ziet op de branches heren- en damesbovenkleding. Het vastgestelde maximum voor deze branches bedraagt zeven onderscheidenlijk zeventien vergunningen. Het college heeft zich onweersproken op het standpunt gesteld dat ten tijde van de aanvraag van [appellant] deze branches met 46 onderscheidenlijk zeventien vergunningen oververtegenwoordigd waren en dat deze situatie te wijten was aan het geldende overgangsrecht. Gelet op de omstandigheid dat het maximum aantal vergunningen voor deze branches is overschreden en gelet op artikel 2, vierde lid, van het branchebesluit heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het besluit van het college om de afwijzing van het verzoek van [appellant] te handhaven niet onredelijk is. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de omstandigheid dat door de overdracht van de vergunning het aantal vergunningen niet wordt vergroot, niet kan leiden tot een ander oordeel. Het college zou door het verlenen van vergunning aan [appellant] immers in strijd handelen met voornoemd artikel van het branchebesluit.

De omstandigheid dat niet-ingenomen plaatsen op de markt in de praktijk voornamelijk worden ingevuld door kooplieden van de zogenaamde meeloperslijst die dames- en herenbovenkleding verkopen en dit afdoet aan de doelstelling van het branchebesluit, maakt dit evenmin anders. Niet in geschil is dat bij de toewijzing van deze plaatsen door het college voorrang wordt gegeven aan kooplieden uit niet oververtegenwoordigde branches. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen houdt het college op deze wijze de branchering in stand.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Beerse

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014

382-782.