Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3125

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201310191/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:8724, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2012 heeft het college aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van een carport in een garage op het perceel [locatie] te Nieuw-Vennep (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310191/1/A4.

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 oktober 2013 in zaak nr. 13/1284 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2012 heeft het college aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van een carport in een garage op het perceel [locatie] te Nieuw-Vennep (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 januari 2013 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 3 oktober 2012 herroepen.

Bij uitspraak van 1 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. D.W. Giltay Veth, advocaat te Nieuw-Vennep, en het college, vertegenwoordigd door drs. M. Link, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ter zitting heeft [appellant] de gronden, inhoudende dat de samenstelling van de Commissie van advies voor de bezwaarschriften (hierna: de Commissie), wier advies ten grondslag is gelegd aan het in beroep bestreden besluit van 24 januari 2013, niet in overeenstemming was met de ter zake door het college gehanteerde beleidsregels, dat hij ten onrechte niet over de samenstelling van de Commissie is geïnformeerd en dat dit advies ten onrechte uitsluitend door de voorzitter is ondertekend, ingetrokken.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 24 januari 2013 niet op rechtmatige wijze tot stand is gekomen, vanwege het daaraan ten grondslag gelegde advies van de Commissie. Daartoe voert hij aan dat de Commissie ten onrechte in meerderheid bestond uit leden die aan de gemeente zijn verbonden, en dat de functie van secretaris ten onrechte door een van de aan de gemeente verbonden leden werd vervuld. [appellant] betoogt dat de rechtbank de Verordening adviescommissie bezwaarschriften gemeente Haarlemmermeer 2012 (hierna: de Verordening), waarop deze samenstelling van de Commissie is gebaseerd, buiten toepassing had moeten laten.

2.1. Het is aan het bestuursorgaan dat het in bezwaar bestreden besluit heeft genomen om dat besluit in bezwaar, indien het bezwaar ontvankelijk is, te heroverwegen. De Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verzet zich er niet tegen dat het bestuursorgaan daaraan een advies ten grondslag legt dat is uitgebracht door personen die, al dan niet in meerderheid, deel uitmaken van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. Voorts kan het horen ingevolge artikel 7:5, eerste lid, van de Awb geschieden door of mede door het bestuursorgaan zelf dan wel de voorzitter of een lid ervan, door een persoon die niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is geweest of door meer dan een persoon van wie de meerderheid, onder wie degene die het horen leidt, niet bij de voorbereiding van het besluit betrokken is geweest.

In artikel 7:13, derde lid, van de Awb is uitsluitend bepaald dat, indien ten behoeve van de beslissing op bezwaar een adviescommissie is ingesteld die bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden, waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan, het horen door de commissie geschiedt. De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.

2.2. De Commissie die over het bezwaar van [belanghebbende] heeft geadviseerd, bestond uit een van het college onafhankelijke voorzitter en twee ambtelijke leden. Een van de leden vervulde tevens de functie van secretaris van de Commissie. De commissie is samengesteld overeenkomstig artikel 7:13, eerste lid, van de Awb. Het horen is, overeenkomstig het derde lid van dit artikel, door deze commissie geschied. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat een dergelijke commissie wordt ondersteund door een ambtelijke secretaris, die tevens lid is van de commissie. Reeds daarom was er geen grond voor de rechtbank om de Verordening buiten toepassing te laten.

De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college, gelet op de samenstelling van de Commissie, het advies niet aan zijn besluit op bezwaar ten grondslag had mogen leggen.

Het betoog faalt.

3. Het bouwplan waarvoor vergunning is gevraagd, ziet op wijziging van de bestaande entree van de woning op het perceel, verplaatsing van het toilet en de bouw van een aan de woning grenzende garage.

4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank door te overwegen dat met het bouwwerk het toegestane maximale bebouwingspercentage wordt overschreden, heeft miskend dat het bouwwerk in overeenstemming is met het bestemmingsplan. [appellant] voert in dit verband aan dat het bouwplan mede ziet op het realiseren van een hobbyruimte en dat de oppervlakte van hobbyruimten ingevolge de voorschriften van het bestemmingsplan niet wordt meegenomen bij berekening van de oppervlakte van de bebouwing op gronden met de bestemming "Tuinen en erven".

5.1. Ingevolge het ten tijde van belang als bestemmingsplan geldende uitwerkingsplan "Nieuw-Vennep-Linquenda V" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Tuinen en erven".

Ingevolge artikel 4 van het Besluit "Aanvulling/Aanpassing van uitwerkingsvoorschriften en bestemmingsplanvoorschriften" (hierna: het Besluit), waarbij de voorschriften bij het bestemmingsplan gedeeltelijk zijn vervangen, dienen de voorschriften bij deze bestemming als volgt gelezen te worden:

1. De op de kaart voor tuinen en erven aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen en erven met de daarbij behorende bouwwerken en open terreinen, waaronder parkeerplaatsen, met dien verstande dat:

a) voor zover op deze gronden blijkens het plan en/of de kaart niet mag worden gebouwd, slechts een tuinkast alsmede een onoverdekt zwembad en de daarvoor nodigde bouwwerken, erfafscheidingen en een volière - met nader bepaalde afmetingen - mogen worden gebouwd;

b) voor zover op deze gronden blijkens het plan en/of de kaart wel mag worden gebouwd:

1) bij elk woonhuis op hetzelfde bouwperceel vrijstaand mogen worden gebouwd een schuur en een hobbyruimte, alsmede - indien deze gronden voor motorvoertuigen bereikbaar zijn - een garage en een carport alsmede erfafscheidingen, een onoverdekt zwembad;

2) a. de oppervlakte van een schuur niet meer dan 16 m2, van een garage niet meer dan 24 m2 en indien deze is aaneengebouwd met een schuur de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 38 m2 mag bedragen;

b. de oppervlakte van een garage voor het stallen van twee auto's niet meer dan 30 m2 en indien deze is aaneengebouwd met een schuur de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 44 m2 mag bedragen;

c. de oppervlakte van een hobbyruimte niet meer dan 12 m2 mag bedragen;

3) de totale oppervlakte van de bebouwing (uitgezonderd een hobbyruimte) en een carport op een bouwperceel niet meer mag bedragen dan 1/3 van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dit is bestemd voor tuinen en erven waarop mag worden gebouwd.

5.2. Uit de bouwtekeningen blijkt dat het beoogde bijgebouw ziet op ruimte voor het stallen van één auto en op als schuur aan te merken ruimte. Het bouwperceel, voor zover dit is bestemd voor tuinen en erven waarop mag worden gebouwd, heeft een oppervlakte van 66 m2. Het beoogde bijgebouw is geheel op dit perceelsgedeelte voorzien. Voorts bevindt de bestaande entree van de woning zich op dit perceelsgedeelte. Zoals ter zitting is gebleken bedraagt de oppervlakte van deze bebouwing gezamenlijk ten minste 28 m2, derhalve meer dan 1/3 van eerstbedoelde oppervlakte.

Uit de aanvraag blijkt niet dat het bijgebouw door scheidingswanden in verschillende ruimtes wordt verdeeld. Voor zover [appellant] stelt een gedeelte van het bijgebouw voor hobbydoeleinden te gebruiken, kan dat gedeelte niet als een afzonderlijke, van de garage te onderscheiden hobbyruimte in de zin van het Besluit worden aangemerkt. Reeds daarom brengt het bepaalde in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, aanhef en onder 3, van het Besluit, anders dan [appellant] meent, niet met zich dat het college de maximaal toegestane oppervlakte van een hobbyruimte diende uit te zonderen van de berekening van de totale oppervlakte als bedoeld in dat artikelonderdeel. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat het bouwplan, gelet op de oppervlakte van het bijgebouw, in strijd is met het bepaalde in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, aanhef en onder 3, van het Besluit.

Het betoog faalt.

6. De rechtbank heeft terecht overwogen dat nu het bouwplan vanwege de strijd met het Besluit in strijd is met het bestemmingsplan, het college de aanvraag ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo met juistheid mede heeft aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet. Het college heeft de aangevraagde omgevingsvergunning als bedoeld in dit artikel als gevolg van de herroeping in bezwaar niet verleend op grond van de motivering dat het bouwplan niet voldoet aan de in artikel 3.1.3 van de Beleidsregels afwijking bestemmingsplan 2012 (hierna: de Beleidsregels) genoemde voorwaarden.

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor het bouwplan wel een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo kon worden verleend. Hij wijst erop dat het bouwwerk niet, zoals de rechtbank heeft overwogen, aan de voorgevel is voorzien, maar achter de voorgevel. De rechtbank heeft, naar [appellant] stelt, ten onrechte overwogen dat artikel 3.1.3 van de Beleidsregels, dat ziet op het bouwen aan voorgevels, in de weg staat aan vergunningverlening. Het bouwwerk is volgens hem in overeenstemming met artikel 3.1.2 van de Beleidsregels, dat ziet op het bouwen achter voorgevels.

7.1. Ingevolge artikel 3.1.3 van de Beleidsregels wordt afgeweken van het bestemmingsplan voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken aan de voorgevel als wordt voldaan aan de onder a tot en met i genoemde voorwaarden.

7.2. Het college is ervan uitgegaan dat het bouwplan ziet op het bouwen van bouwwerken aan de voorgevel, dat wil zeggen in het voorgevelgebied. De Beleidsregels bevatten begripsbepalingen, waarbij is vermeld dat deze leidend zijn voor zover geen begripsbepalingen zijn opgenomen in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan bevat geen bepaling van het begrip 'voorgevel', zodat de begripsbepaling daarvan in de Beleidsregels leidend is. Onder het begrip ‘voorgevel’ wordt in de Beleidsregels verstaan: de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

Het bouwwerk is voorzien aan de zijde van de woning die aan de openbare weg grenst. Aan deze zijde van de woning is de voordeur geplaatst en bevindt zich de brievenbus. Gelet hierop is de gevel aan deze zijde van de woning de belangrijkste gevel als bedoeld in de Beleidsregels, zodat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het bouwplan voorziet in het bouwen van een bouwwerk aan de voorgevel. Artikel 3.1.2 van de Beleidsregels inzake bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van het hoofdgebouw is, anders dan [appellant] betoogt, dan ook niet van toepassing op het bouwplan. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college, nu vaststaat dat niet wordt voldaan aan de vereisten van artikel 3.1.3 van de Beleidsregels en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb, de gevraagde omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd.

Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014

163-727.