Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3123

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201402194/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 28 januari 2014 heeft het college aan Rijkswaterstaat Zee en Delta vergunningen verleend als bedoeld in artikel 16 en 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor het verbeteren van vooroevers van de dijk op de locaties Burghsluis, Schelphoek en Zierikzee.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201402194/2/R2.

Datum uitspraak: 13 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de vereniging Nederlandse Onderwatersport Bond, gevestigd te Veenendaal en de stichting Stichting de Oosterschelde, gevestigd te Schouwen-Duiveland, (hierna: NOB en Stichting de Oosterschelde)

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 28 januari 2014 heeft het college aan Rijkswaterstaat Zee en Delta vergunningen verleend als bedoeld in artikel 16 en 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor het verbeteren van vooroevers van de dijk op de locaties Burghsluis, Schelphoek en Zierikzee.

Tegen dit besluit hebben onder meer NOB en Stichting de Oosterschelde beroep ingesteld. NOB en Stichting de Oosterschelde hebben de voorzitter gezamenlijk verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

NOB en Stichting de Oosterschelde hebben een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 juli 2014, waar Stichting de Oosterschelde en NOB, vertegenwoordigd door R.J. Offermans en B. Oonk, bijgestaan door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door P.J. Sinke en mr. J.J. Versteeg, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is Rijkswaterstaat Zee en Delta, vertegenwoordigd door ing. A. Wijga en R. van der Weel-van der Neut, werkzaam bij Rijkswaterstaat, bijgestaan door ing. E.J.F. de Boer, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. De vergunningen van 28 januari 2014 hebben betrekking op het verbeteren van vooroevers van de dijk nabij Burghsluis, Schelphoek en Zierikzee in de Oosterschelde en in het Natura 2000-gebied "Oosterschelde". De verbetering zal plaatsvinden door het bestorten van de vooroevers met granulair materiaal, bijvoorbeeld staalslakken, zodat voortgaande erosie van de vooroevers en daarmee de instabiliteit van de waterkeringen kan worden voorkomen.

3. NOB en Stichting de Oosterschelde betogen dat het college zich op basis van de passende beoordelingen er niet van heeft kunnen verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast als bedoeld in artikel 19g van de Nbw 1998. Hiertoe voeren zij onder meer aan dat de kwaliteit van het habitattype grote ondiepe kreken en baaien (H1160) wordt aangetast en dat een onaanvaardbaar verlies optreedt van dit habitattype. Zij betwisten in dit verband, onder verwijzing naar onder meer de instandhoudingsdoelstelling van het habitattype, dat het gaat om een niet relevant gering oppervlakteverlies. Voorts weerspreken zij dat het habitattype op de locaties van lage kwaliteit is en dat het bodemleven niet divers is.

4. Het college stelt dat een negatief effect aanvaardbaar is als deze niet een zodanige omvang bereikt dat het behoud van de levensgemeenschappen op langere termijn niet meer is verzekerd. Het college stelt dat op basis van de passende beoordelingen, waarvan de monitoringsrapporten van IMARES deel uitmaken, kan worden geconcludeerd dat de bestortingen geen blijvend effect hebben op de kwaliteit van het habitattype en dat slechts een gering oppervlakteverlies optreedt. Dit oppervlakteverlies bedraagt inclusief de voorgaande bestortingen slechts 0,139% van het totale oppervlakte van het habitattype H1160. Het college benadrukt dat op de te bestorten locaties door de erosie en de zeer hoge hydrodynamiek thans nauwelijks sprake is van een grote ecologische betekenis van de bodem en dat de ecologische betekenis na de bestortingen door diezelfde omstandigheden beperkt zal blijven.

5. In de passende beoordelingen wordt onder meer geconcludeerd dat door de bestortingen een relatief zeer klein oppervlak zachtsubstraat zonder rijke dan wel bijzondere levensgemeenschappen wordt vervangen door hetzelfde oppervlak hardsubstraat dat in potentie de ontwikkeling van een meer rijkere en bijzondere levensgemeenschap mogelijk maakt. De effecten zijn alleen kwantitatief. Ook vermelden de passende beoordelingen dat de kwaliteit op de plek waar de afname plaatsvindt vanwege de daar heersende omstandigheden zeer beperkt is. De ecologische effecten zijn minimaal, aldus de passende beoordelingen.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat een deel van het habitattype H1160 zal verdwijnen door de bestortingen van de vooroevers met granulair materiaal. De vraag of ondanks dit verlies het college zich op basis van de passende beoordelingen ervan heeft kunnen verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast, leent zich niet voor beantwoording in deze procedure. Ook voor het overige geldt dat de complexiteit van de zaak nader onderzoek vereist waarvoor deze procedure zich niet leent. De voorzitter zal daarom aan de hand van een belangenafweging bepalen of vooruitlopend op de beoordeling in de bodemzaak een voorlopige voorziening moet worden getroffen.

7. Zoals hiervoor is overwogen zijn de bestortingen bedoeld om de bodemstabiliteit bij de dijken van Burghsluis, Schelphoek en Zierikzee te verzekeren en daarmee de veiligheid tegen overstromingen rond de Oosterschelde te waarborgen. Het belang dat NOB en Stichting de Oosterschelde behartigen is gelegen in behoud van de bestaande kwaliteit en oppervlakte van het habitattype H1160 op de betrokken locaties, die volgens hen ook in de bestaande situatie rijk is aan levensgemeenschappen. De voorzitter ziet alles afwegende in dit geval aanleiding de belangen die zijn betrokken bij de veiligheid voor het achterland doorslaggevend te achten ten opzichte van de belangen die zijn betrokken bij behoud van de huidige situatie. Daarbij overweegt de voorzitter dat ook al zou in de bodemzaak worden geoordeeld dat het college op basis van de passende beoordelingen zich er niet van heeft kunnen verzekeren dat de natuurlijke kenmerken niet worden aangetast, hij niet uitgesloten acht dat alsnog kan worden voldaan aan artikel 19g, tweede lid, van de Nbw 1998. Bij toepassing van dit artikel zal, naar voorlopig oordeel van de voorzitter, kunnen worden voldaan aan het vereiste dat alternatieven ontbreken en dat er dwingende redenen zijn van openbaar belang gelegen in bescherming van het achterland van Burghsluis, Schelphoek en Zierikzee. Ook compensatie van de eventuele aantasting is naar de inschatting van de voorzitter niet uitgesloten in aanmerking genomen het relatief beperkte oppervlakteverlies en de bestaande kwaliteit van het habitattype vanwege de moeilijke leefomstandigheden ter plaatse. De voorzitter ziet derhalve aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.A. van Heusden, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Van Heusden

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2014

647.