Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3116

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201309450/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juli 2013 heeft het college besloten de raad van de gemeente Noordwijk een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) ertoe strekkende dat onder meer de aanduiding "detailhandel" geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan "Estec en de Noordwijkse bedrijvenparken", zoals dat door de raad bij besluit van 27 juni 2013 is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309450/1/R4.

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2013 heeft het college besloten de raad van de gemeente Noordwijk een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) ertoe strekkende dat onder meer de aanduiding "detailhandel" geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan "Estec en de Noordwijkse bedrijvenparken", zoals dat door de raad bij besluit van 27 juni 2013 is vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juli 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.G. Hinnen, advocaat te Leiden, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.R.A.H.C. Delsing Nicolaas, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord de raad van de gemeente Noordwijk, vertegenwoordigd door drs. M.G. van Veen, werkzaam bij de gemeente.

Overwegingen

1. Het college heeft de bevoegdheid een reactieve aanwijzing te geven die het ter bescherming van provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan. De Afdeling toetst de beslissing van het college om van de bevoegdheid gebruik te maken terughoudend. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. [appellant] kan zich niet verenigen met de reactieve aanwijzing wat betreft de aanduiding "detailhandel" voor het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein - 3" wat betreft het perceel [locaties]. [appellant] verhuurt het perceel, waarop een winkel in paardensportartikelen wordt geƫxploiteerd. Ter zitting heeft [appellant], onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2011 in zaak nr. 200907617/1/R3, aangevoerd dat de reactieve aanwijzing niet steunt op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Volgens [appellant] heeft het college in zijn zienswijze slechts te kennen gegeven dat onderbouwd moet worden dat de detailhandel op het perceel rechtmatig is. Het college heeft daarin niet gesteld dat de detailhandel in het geheel niet zou zijn toegestaan. Het college heeft de zienswijze ook niet op de Verordening Ruimte gebaseerd. [appellant] stelt verder dat de winkel al lange tijd op zijn perceel gevestigd is. Het bestemmingsplan voorziet daarom niet in nieuwe detailhandel. Verder stelt [appellant] dat de raad, gelet op de verhuurbaarheid van het perceel, terecht een algemene detailhandelsbestemming en niet een maatbestemming aan het perceel heeft toegekend. Hij wijst erop dat het perceel vanwege de ligging op een bedrijventerrein slechts geschikt is voor een aantal specifieke soorten detailhandel.

2.1. Het college heeft ter zitting gesteld dat in de zienswijze duidelijk te kennen is gegeven dat de detailhandel zoals voorzien op onder meer het perceel van [appellant] niet is toegestaan. Uit artikel 9 van de Verordening Ruimte volgt volgens het college dat op bedrijventerreinen geen detailhandel is toegestaan. Reeds bestaande vergunde detailhandel dient een maatbestemming te krijgen met een branchering die is afgestemd op de vergunde situatie. Vormen van detailhandel die verder gaan zijn alleen mogelijk in de uitzonderingssituaties die zijn genoemd in het tweede lid van artikel 9 van de Verordening Ruimte. Hiermee is beoogd te voorkomen dat alle vormen van detailhandel worden toegestaan als gevolg waarvan de bestaande detailhandelsstructuur nog verder wordt aangetast, aldus het college.

2.2. Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de Verordening Ruimte worden onder bestaande functies en bebouwing begrepen functies en bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig aanwezig zijn, of waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening vrijstelling of bouwvergunning is verleend danwel een aanvraag om vrijstelling of bouwvergunning is ingediend die kan worden verleend, of die in overeenstemming met deze verordening tot stand zijn gekomen, of waarvoor ontheffing van deze verordening is verleend of wordt geacht te zijn verleend. Het vervangen van een rechtmatig aanwezige gebouw door een gebouw van gelijke aard, omvang en karakter wordt hieronder mede begrepen. In alle andere gevallen is sprake van nieuwe functies en nieuwe bebouwing. Onder nieuwe functies of nieuwe bebouwing wordt ook begrepen uitbreiding van bestaande functies en bestaande bebouwing, tenzij anders is bepaald of de bepaling zich daartegen verzet.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, wijst een bestemmingsplan voor gronden die zijn gelegen buiten de bestaande winkelconcentraties in de centra van steden, dorpen en wijken of nieuwe wijkgebonden winkelcentra, geen bestemmingen aan die nieuwe detailhandel mogelijk maken.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, is een aantal vormen van detailhandel van het verbod van het eerste lid uitgezonderd.

2.3. De raad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Estec en de Noordwijkse bedrijvenparken" aan het perceel van [appellant] de bestemming "Bedrijventerrein - 3" toegekend met de aanduiding "detailhandel".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder j, van de regels van het plan zijn de voor "Bedrijventerrein - 3" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "detailhandel" tevens bestemd voor detailhandel.

Ingevolge artikel 1, lid 1.34, wordt onder detailhandel verstaan het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor verbruik, gebruik of aanwending anders dan de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, niet zijnde een supermarkt, ondergeschikte detailhandel, grootschalige detailhandel en perifere detailhandel.

2.4. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr. 200907617/1/R3 volgt uit artikel 3.8, vierde lid, in samenhang gelezen met artikel 3.8, zesde lid, van de Wro dat een reactieve aanwijzing uitsluitend kan worden gegeven indien en voor zover het college van gedeputeerde staten over het desbetreffende onderdeel van het ontwerpplan een zienswijze naar voren heeft gebracht en deze bij de vaststelling van het plan niet volledig is overgenomen of indien en voor zover de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, anders dan op grond van zienswijzen van het college van gedeputeerde staten. Gelet hierop dient het college in de zienswijzen duidelijk aan te geven op welke onderdelen de raad het plan bij de vaststelling dient te wijzigen ten opzichte van het ontwerp om een reactieve aanwijzing te voorkomen.

Het college heeft in de inleiding van de zienswijzen over het ontwerpplan gesteld dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de bepalingen over detailhandel in de Verordening Ruimte. Verder heeft het college in de zienswijzen naar voren gebracht dat ten aanzien van de bestaande winkels, waaronder de "ruitershop", niet is onderbouwd dat het gaat om rechtmatig bestaande winkels. Nu de onderbouwing onvoldoende is, dienen de bestemmingen voor deze winkelfuncties vervangen te worden door een bedrijfsbestemming, aldus het college in de zienswijzen. De Afdeling is van oordeel dat het college hiermee duidelijk heeft aangegeven dat de raad het plan wat betreft de toegestane detailhandel op het perceel van [appellant] diende te wijzigen ten opzichte van het ontwerp om een reactieve aanwijzing te voorkomen. Daarom faalt het betoog van [appellant] dat de reactieve aanwijzing niet steunt op de door het college bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

2.5. Niet in geschil is dat het perceel van [appellant] is gelegen buiten de bestaande winkelconcentraties als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Verordening Ruimte. Evenmin is in geschil dat de aanduiding "detailhandel" in het bestemmingsplan op dit perceel meer vormen van detailhandel toestaat dan ten tijde van de inwerkingtreding van de Verordening Ruimte aanwezig waren. Reeds hierom - en dus daargelaten de vraag of de destijds bestaande detailhandel rechtmatig was - voorziet de aanduiding "detailhandel" op het perceel van [appellant] in nieuwe detailhandel als bedoeld in artikel 9, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 4, eerste lid, van de Verordening Ruimte. Nu voorts niet in geschil is dat de nieuwe detailhandel niet behoort tot de in artikel 9, tweede lid, van de Verordening Ruimte genoemde uitzonderingen, is de aanduiding "detailhandel" wat betreft het perceel van [appellant] in strijd met de Verordening Ruimte vastgesteld. Het college heeft dan ook in redelijkheid kunnen uitgaan van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing. Het betoog faalt daarom ook voor het overige.

3. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Jacobs, griffier.

w.g. Van der Wiel w.g. Jacobs

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014

717.