Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3113

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201309614/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Lage Zijde e.o." gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309614/1/R4.

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

appellant,

en

de raad van de gemeente Leiderdorp,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Lage Zijde e.o." gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft het college beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2014, waar het college, vertegenwoordigd door mr. I.T.F. Vermeulen, werkzaam bij de provincie, en de raad, vertegenwoordigd door M.A. Hendriks, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het bedrijventerrein "Lage Zijde" en een nabijgelegen bedrijfsperceel.

2. Bij de vaststelling van een plan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het college kan zich niet verenigen met het plan voor zover hierin een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen ten behoeve van het verhogen van het bebouwingspercentage naar 80 voor bouwpercelen binnen de bestemming "Bedrijf". Volgens het college is het plan in zoverre in strijd met artikel 3, derde lid, onder a, van de Provinciale Verordening Ruimte 2012 (hierna: de Verordening Ruimte).

3.1. De raad stelt dat slechts sprake is van het bestendigen van de in het vorige bestemmingsplan "Achthovenerpolder" uit 1986 opgenomen vrijstellingsbevoegdheid en dat de daarmee samenhangende rechten van eigenaren dan wel gebruikers van de percelen in het plangebied dienen te prevaleren boven het provinciaal belang zoals verwoord in de Verordening Ruimte. Volgens de raad dienen de aldaar gevestigde bedrijven over een reële mogelijkheid tot uitbreiding te beschikken.

3.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en sub c, van de planregels voldoen gebouwen binnen de bestemming "Bedrijf" aan het volgende kenmerk: bebouwingspercentage per bouwperceel maximaal het ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwingspercentage" aangegeven bebouwingspercentage.

Ingevolge lid 3.3, onder 3.3.2, kunnen burgemeester en wethouders bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en onder sub c, teneinde een bebouwingspercentage van ten hoogste 80 toe te staan indien parkeren op eigen terrein plaatsvindt.

Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de Verordening Ruimte, voor zover hier van belang, wordt onder bestaande functies begrepen de functies en bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig zijn. Onder nieuwe functies of nieuwe bebouwing wordt ook begrepen de uitbreiding van bestaande functies en bestaande bebouwing, tenzij anders is bepaald of de bepaling zich daartegen verzet.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, sluiten bestemmingsplannen voor gronden buiten de bebouwingscontouren (zoals aangegeven op kaart 1) bestemmingen uit die nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies mogelijk maken.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, dienen bestemmingsplannen die betrekking hebben op bestaande stedelijke functies in het gebied buiten de bebouwingscontouren in afwijking van en in aanvulling op het bepaalde in lid 1 bepalingen te bevatten die voorzien in of in overeenstemming zijn met:

a) bestaande niet-agrarische bedrijven en niet-volwaardige agrarische bedrijven mogen eenmalig worden uitgebreid met ten hoogste 10% van de inhoud;

(…).

3.3. Bij uitspraak van 18 februari 2014 in zaak nr. 201309614/2/R4 heeft de voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening artikel 3, lid 3.3, onder 3.3.2, van de planregels geschorst. Hiertoe heeft de voorzitter als volgt overwogen:

"Het plangebied bestaat uit het bestaande bedrijventerrein Lage Zijde en een nabijgelegen bedrijfsperceel en is gelegen buiten de bebouwingscontour. Het maximum bebouwingspercentage voor bouwpercelen binnen de bestemming "Bedrijf" bedraagt volgens de verbeelding voor het gehele plangebied 60. Met de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheid kan het bebouwingspercentage van 60 naar 80 worden verhoogd. De Verordening Ruimte biedt echter slechts ruimte om bestaande niet-agrarische bedrijven buiten de bebouwingscontour met ten hoogste 10% uit te breiden. Het plan is naar het voorlopige oordeel van de voorzitter op dit punt dan ook in strijd met artikel 3, derde lid, onder a, van de Verordening Ruimte. Het betoog van de raad dat slechts sprake is van het bestendigen van de in het vorige bestemmingsplan opgenomen vrijstellingsbevoegdheid en dat de daarmee samenhangende rechten van de eigenaren dan wel gebruikers van de percelen in het plangebied dienen te prevaleren boven het provinciaal belang, doet niet af aan de strijdigheid van het plan op dit punt met de Verordening Ruimte."

3.4. De Afdeling ziet in de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding om tot een ander oordeel dan dat van de voorzitter te komen. Het plan is wat betreft artikel 3, lid 3.3, onder 3.3.2, van de planregels in strijd met artikel 3, derde lid, onder a, van de Verordening Ruimte. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij voornoemde planregel is vastgesteld.

4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Leiderdorp van 8 juli 2013, wat betreft artikel 3, lid 3.3, onder 3.3.2, van de planregels;

III. draagt de raad van de gemeente Leiderdorp op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Leiderdorp aan het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Verhoeven, griffier.

w.g. Drupsteen w.g. Verhoeven

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014

690.