Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3105

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201309245/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:6384, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: een VOG) voor het verkrijgen van een chauffeurskaart afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309245/1/A3.

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 augustus 2013 in zaak nr. 13/1121 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: een VOG) voor het verkrijgen van een chauffeurskaart afgewezen.

Bij besluit van 10 januari 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 augustus 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. L. Baroud, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Faasse, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is een VOG een verklaring van de minister van Veiligheid en Justitie dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Ten tijde van het besluit van 10 januari 2013 golden de Beleidsregels VOG NP-RP 2012 (Stcrt. 31 juli 2012, 16054; hierna: de beleidsregels).

Volgens paragraaf 3 ontvangt de staatssecretaris ten behoeve van de VOG-aanvraag alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatieregister (hierna: het JDS). Aan de aanvrager die niet voorkomt in het JDS wordt zonder meer een VOG afgegeven. Wanneer de aanvrager voorkomt in het JDS wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.1 wordt bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager een terugkijktermijn in acht genomen.

Volgens paragraaf 3.2 wordt de afgifte van een VOG in beginsel geweigerd, indien wordt voldaan aan het objectieve criterium strekkende tot de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid, waarvoor een VOG is aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.2.3 wordt bij die beoordeling een onderscheid gemaakt naar de risico’s voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties, proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke zodanige profielen worden de risico’s nader uitgewerkt. Op basis hiervan wordt beoordeeld of een justitieel gegeven van belang is voor het doel van de aanvraag.

Volgens paragraaf 3.3 strekt het subjectieve criterium tot de beoordeling of het belang dat een aanvrager bij het verstrekken van een VOG heeft zwaarder weegt dan dat van de samenleving bij bescherming tegen het op grond van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt een VOG afgegeven, hoewel aan het objectieve criterium wordt voldaan.

Volgens paragraaf 3.3.1 ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. Ten behoeve van een goede oordeelsvorming kan de staatssecretaris inlichtingen inwinnen bij het openbaar ministerie en de reclassering. Indien de staatssecretaris na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken, aldus die paragraaf.

In het screeningsprofiel "Taxibranche; chauffeurskaart" staat onder meer vermeld dat bij de toetsing aan dit screeningsprofiel een terugkijktermijn geldt van vijf jaren. Een taxichauffeur is verantwoordelijk voor het welzijn en veiligheid van de passagiers. Eén van de risico's is dat de veiligheid van de passagiers en medeweggebruikers in gevaar wordt gebracht. Dit risico kan onder andere worden veroorzaakt door rijden onder invloed en overschrijding van de maximumsnelheid, gevaarlijk rijgedrag en/of agressief gedrag. Als er een één op één relatie is, kunnen de passagiers in een tijdelijke afhankelijkheidspositie verkeren ten opzicht van de taxichauffeur.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat is voldaan aan het objectieve criterium. Aan dit oordeel heeft zij ten grondslag gelegd dat [appellant] is veroordeeld wegens het niet opvolgen van een bevel van een opsporingsambtenaar, met hem op 1 november 2010 een transactie is overeengekomen van € 250,00 en aan hem bij strafbeschikking een geldboete van € 410,00 is opgelegd wegens overschrijding van de maximumsnelheid en hij is veroordeeld wegens het niet voldoen aan de IJkwet. Alle vier de strafbare feiten zijn verkeersgerelateerd en vormen derhalve een belemmering voor de goede vervulling van de functie van taxichauffeur, aldus de rechtbank.

De staatssecretaris heeft zich volgens haar voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving zwaarder moet wegen dan het belang van [appellant] bij afgifte van een VOG. Daartoe heeft de staatssecretaris van belang mogen achten dat [appellant] binnen de terugkijktermijn meermalen met justitie in aanraking is gekomen en mede gelet op het beperkte tijdsverloop de kans aanwezig is dat hij opnieuw met justitie in aanraking zal komen, aldus de rechtbank.

3. [appellant] betoogt dat snelheidsovertredingen bij herhaling objectief een risico voor de samenleving opleveren maar de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de veroordeling wegens het niet opvolgen van een bevel van een opsporingsambtenaar en het niet voldoen aan de IJkwet, indien herhaald, een risico voor de samenleving doet ontstaan.

3.1. De rechtbank is de staatssecretaris terecht gevolgd in het standpunt dat aan het objectieve criterium is voldaan, reeds omdat binnen de terugkijktermijn in het JDS is geregistreerd dat met [appellant] een transactie is overeengekomen onderscheidenlijk aan hem een geldboete is opgelegd wegens overschrijding van de maximumsnelheid. Dat volgens [appellant] de veroordeling wegens het niet opvolgen van een bevel van een opsporingsambtenaar en de veroordeling wegens het niet voldoen aan de IJkwet niet met zich brengen dat aan het objectieve criterium is voldaan, wat daarvan ook zij, maakt dit niet anders.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte niet tot het oordeel is gekomen dat de staatssecretaris zijn belang bij de afgifte van een VOG zwaarder had moeten laten wegen dan het belang van de samenleving. Hij wijst hierbij op het tijdsverloop, het beperkte aantal antecedenten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de wijze waarop deze zijn afgedaan. Voorts betoogt [appellant] dat de weigering voor hem onevenredige gevolgen heeft, nu hij alleen een bijstandsuitkering geniet, forse schulden heeft en mede als gevolg van de weigering psychische klachten heeft.

4.1. Gelet op het beperkte tijdsverloop tussen de strafbeschikking van 30 mei 2012, waarbij aan [appellant] wegens overschrijding van de maximumsnelheid een forse geldboete is opgelegd, en het besluit van 10 januari 2013, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris zich in het kader van het subjectieve criterium in redelijkheid het standpunt heeft kunnen handhaven dat het risico voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij afgifte van een VOG. Nu de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat na weging van de omstandigheden van het geval geen twijfel bestaat over de vraag of een VOG kon worden afgegeven, was hij niet gehouden om de omstandigheden waaronder de strafbare feiten hebben plaatsgevonden in de beoordeling te betrekken. De overige door [appellant] genoemde omstandigheden hebben de rechtbank terecht niet gebracht tot een ander oordeel. Deze omstandigheden moeten worden geacht bij de totstandkoming van de beleidsregels te zijn voorzien, zodat de rechtbank deze terecht niet heeft aangemerkt als bijzondere omstandigheden op grond waarvan de staatssecretaris van de beleidsregels had moeten afwijken.

Het betoog faalt.

5. Voorts betoogt [appellant] tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] met het alleen in het beroepschrift noemen van een aantal namen en registratienummers, zonder nadere toelichting waarom deze gevallen overeenkomen met zijn geval, niet heeft aangetoond dat de staatssecretaris door de afwijzing van de aanvraag te handhaven het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Beerse

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014

382-782.