Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3090

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201311522/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:6079, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2012 heeft de minister een verzoek van [wederpartijen] om vergoeding van schade ten gevolge van het bij besluit van 3 juli 2008 vastgestelde "Tracébesluit Omlegging Zuid-Willemsvaart Maas-Den Dungen" (hierna: het Tracébesluit) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Tracéwet
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/872

Uitspraak

201311522/1/A2.

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Infrastructuur en Milieu,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 6 november 2013 in zaak nr. 12/2965 in het geding tussen:

[wederpartij A] en [wederpartij B]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2012 heeft de minister een verzoek van [wederpartijen] om vergoeding van schade ten gevolge van het bij besluit van 3 juli 2008 vastgestelde "Tracébesluit Omlegging Zuid-Willemsvaart Maas-Den Dungen" (hierna: het Tracébesluit) afgewezen.

Bij brief van 17 juli 2012 hebben [wederpartijen] daartegen bezwaar gemaakt en de minister verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de administratieve rechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De minister heeft met dat verzoek ingestemd en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden naar de rechtbank.

Bij uitspraak van 6 november 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartijen] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 mei 2012 vernietigd, bepaald dat de minister [wederpartijen] een tegemoetkoming in de geleden schade toekent van € 6.300,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2011 tot aan de dag van voldoening en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2014, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. S. de Bruin, werkzaam bij Rijkswaterstaat, en [wederpartij B], in persoon en bijgestaan door mr. B. de Jong, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Uit het in artikel IV, eerste lid, van die wet neergelegde overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2. Ingevolge artikel 16 van het Tracébesluit zal, voor zover blijkt dat een belanghebbende als gevolg van dit besluit schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, en ten aanzien waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding worden toegekend. De Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 is op een dergelijk schadeverzoek van toepassing.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 kent de minister degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van de rechtmatige uitoefening door of namens de minister van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak, op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 5 wordt schade ten gevolge van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, die voor de belanghebbende redelijkerwijs voorzienbaar was ten tijde van de beslissing te investeren in het geschade belang, niet vergoed.

Ingevolge artikel 6 kan de in artikel 5 bedoelde voorzienbaarheid onder meer betrekking hebben op de aard van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, op het tijdstip waarop deze schadeoorzaak zijn werking doet gevoelen, op de plaats waarop ze betrekking heeft, op de wijze van voltrekken of uitvoering daarvan, alsmede op de aard en omvang van de daardoor veroorzaakte schade.

3. [wederpartijen] zijn sinds 3 juni 2002 eigenaren van de woning met praktijkruimte op het perceel aan de [locatie] te Rosmalen (hierna: de woning).

4. Het Tracébesluit voorziet in de omlegging van de Zuid-Willemsvaart ten oosten van ’s-Hertogenbosch over het traject Den Dungen tot de Maas bij Empel. Ook voorziet het Tracébesluit in de verhoogde aanleg van een weg achter de woning. De aanleg van deze weg is noodzakelijk om de verbinding die de Graafsebaan vormt en die het tracé van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart kruist, te kunnen handhaven.

Bij formulier, ondertekend op 21 juni 2011 hebben [wederpartijen] de minister verzocht om vergoeding van de schade die zij als gevolg van het Tracébesluit stellen te hebben geleden. Aan dat verzoek hebben zij, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat de waarde van hun woning is verminderd door de mogelijke aanleg van een weg achter hun woning. Als gevolg van de aanleg van die weg zal het woongenot worden aangetast, zal de geluidhinder, stofhinder, geurhinder en lichthinder toenemen en zal het vrije uitzicht worden aangetast, aldus het verzoek.

5. Het college heeft advies gevraagd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). In een advies van mei 2012 heeft de SAOZ een vergelijking tussen de mogelijkheden van het Tracébesluit en het onmiddellijk daaraan voorafgaande planologische regime gemaakt. In het advies is uiteengezet dat de aanleg van de weg aan de achterzijde van de woning zal leiden tot een aantasting van het uitzicht vanuit de woning en tuin, een verslechtering van de situeringswaarde van de woning, een toename van hinder en overlast en een aantasting van de privacy. Daar staat tegenover dat de Graafsebaan, die thans aan de voorzijde van de woning is gelegen, zijn doorgaande functie zal verliezen, zodat de gebruiksdruk aan de voorzijde van de woning zal afnemen. Per saldo zijn [wederpartijen] als gevolg van het Tracébesluit evenwel in een nadeliger positie komen te verkeren en de waarde van de woning is ten tijde van de inwerkingtreding van het Tracébesluit van € 435.000,00 naar € 415.000,00 gedaald. De SAOZ heeft vervolgens beoordeeld in hoeverre de planologische verandering voorzienbaar was. In het advies is uiteengezet dat uit de Startnotitie Zuid-Willemsvaart tussen Maas en Den Dungen, Omlegging Zuid-Willemsvaart ’s-Hertogenbosch van mei 1993 (hierna: de Startnotitie) niet kan worden opgemaakt dat de gronden, gelegen achter de woning van [wederpartijen] ook bij de planvorming zijn betrokken, aangezien op het bijbehorende kaartmateriaal alleen de aan de voorzijde gelegen Graafsebaan wordt genoemd. Eerst in het voorjaar van 2007, geruime tijd nadat [wederpartijen] de woning hebben gekocht, is ervoor gekozen om, ter vervanging van de verbinding van de Graafsebaan, de weg achter de woning aan te leggen in plaats van aan de voorzijde. In zoverre was dan ook geen sprake van voorzienbaarheid. Wel was voorzienbaar dat vanwege de omlegging van de Zuid-Willemsvaart hinder en overlast zouden kunnen worden ondervonden vanwege de reconstructie van de Graafsebaan, zodat [wederpartijen] daarmee rekening hadden kunnen en moeten houden bij de aankoop van de woning. Een waardevermindering ter grootte van € 5.000,00 was dan ook voorzienbaar, aldus de SAOZ. Voor het overige, € 15.000,00, was de waardevermindering niet voorzienbaar. Hiervan dient 2% als normaal maatschappelijk risico voor rekening van [wederpartijen] te worden gelaten. De SAOZ adviseert dan ook om een bedrag van € 6.300,00 als schadevergoeding toe te wijzen.

6. In het besluit van 30 mei 2012 heeft de minister de conclusie van de SAOZ over de voorzienbaarheid niet overgenomen. Hij heeft daartoe uiteengezet dat, hoewel in de Startnotitie de plannen voor het omleggen van de Zuid-Willemsvaart niet tot in detail waren uitgewerkt, [wederpartijen] er rekening mee hadden moeten houden dat het tracé van de omlegging met bijkomende werken op de gronden in de richting van hun perceel zou worden aangelegd. De minister heeft het verzoek om schadevergoeding daarom wegens volledige voorzienbaarheid afgewezen.

7. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu in de Startnotitie in het geheel niet wordt gesproken over de mogelijkheid om een weg achter de woning van [wederpartijen] aan te leggen, er geen grond bestaat voor het oordeel dat zij voorafgaand aan de koop daar rekening mee hadden moeten houden. Hij voert in dat verband aan dat een startnotitie vergelijkbaar is met een structuurschets en de Afdeling eerder heeft overwogen dat een redelijk denkend en handelend koper er niet van kan uitgaan dat een structuurschets een nauwkeurige uitwerking van de toekomstige invulling van het gebied behelst. De uiteindelijke invulling kan nog op verschillende punten anders worden, zodat in dit geval aan de Startnotitie niet een verwachting kan worden ontleend omtrent specifieke elementen.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 30 juni 2010 in zaak nr. 200907840/1/H2) is voor het aannemen van risicoaanvaarding niet vereist dat verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vaststaat, of dat deze maatregel in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid kan worden bepaald. Beslissend is of op het moment van investering de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot investering rekening kon worden gehouden.

7.2. Uit de rechtspraak van de Afdeling (onder andere de uitspraak van 27 maart 2013 in zaak nr. 201204628/1/A2) kan worden afgeleid dat een redelijk denkend en handelend koper bij de keuze voor een bepaald in een startnotitie uitgewerkt tracé tevens rekening moet houden met tijdelijke overlast en beperkingen die gepaard gaan met de verwezenlijking van dat tracé. Anders dan de minister betoogt, volgt hieruit evenwel niet dat ook zonder meer rekening moet worden gehouden met de aanleg van bijkomende infrastructurele werken, zoals, in dit geval, een weg aan de achterzijde van de woning. Beslissend is of de aanleg van deze weg op het moment van aankoop van de woning door [wederpartijen] voorzienbaar was. In de Startnotitie is een tracé voor de omlegging van de Zuid-Willemsvaart tussen de Maas en Den Dungen beschreven. Op de als bijlage I (kaart 1a) bijgevoegde overzichtstekening is de Graafsebaan weergegeven als een rechte lijn die de aan te leggen omlegging van de Zuid-Willemsvaart kruist. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat aan de hand hiervan niet kenbaar was dat het omleggen van de Zuid-Willemsvaart gepaard zou kunnen gaan met de aanleg van een weg aan de achterzijde van de woning. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat een redelijk denkend en handelend koper hiermee rekening had behoren te houden.

Anders dan de minister betoogt, leiden de uitspraken van de Afdeling van 22 april 2009 in de zaken met nrs. 200807292/1/H2, 200807297/1/H2 en 200807301/1/H2 niet tot een ander oordeel. Daartoe is van belang dat het in die zaken ging om een structuurschets waarin het toekomstige ruimtelijke beleid van de gemeente Zaanstad was vastgesteld. In de structuurschets was vermeld dat het op de bij de schets behorende kaart aangewezen gebied als grote bouwlocatie met een capaciteit van circa 5.500 woningen wordt aangewezen. Een dergelijk plan is naar zijn aard globaler dan de aanwijzing van een specifiek tracé, zoals hier aan de orde, zodat de aanleg van bijbehorende infrastructurele werken van ondergeschikte aard, zoals de aanleg van een ontsluitingsweg, eerder voorzienbaar moet worden geacht.

Ter zitting is aan de orde gekomen dat als de Graafsebaan niet zou zijn omgelegd en in plaats daarvan aan de voorzijde van de woning een dijklichaam zou zijn aangelegd ten behoeve van de kruising van de weg met het tracé van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart, de schade die [wederpartijen] zouden lijden mogelijk groter zou zijn geweest dan nu het geval is, maar dat dit geen reden is om aan te nemen dat zij de schade die zij nu lijden hadden kunnen voorzien.

Het betoog faalt.

8. De minister heeft het betoog, dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien, ter zitting bij de Afdeling ingetrokken.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van bij [wederpartij A] en [wederpartij B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de minister van Infrastructuur en Milieu een griffierecht van € 478,00 (zegge: vierhonderdachtenzeventig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, griffier.

w.g. Drupsteen w.g. Wieland

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014

502.