Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3089

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201311720/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:8069, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 oktober 2012 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311720/1/A1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 oktober 2013 in zaak nr. 13/2028 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2012 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Bij besluit van 7 februari 2013 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juli 2014, waar het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, werkzaam bij het CBR, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, eerste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 133, tweede lid, bepaalt het CBR de aard van het onderzoek en door welke deskundige of deskundigen het onderzoek zal worden verricht.

Ingevolge artikel 134, tweede lid, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Ingevolge artikel 27, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, bedoeld in artikel 134, derde (lees: tweede) lid, van de wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling, getiteld "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)", is het volgende bepaald: "Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid."

2. Naar aanleiding van een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 heeft het CBR [appellant] bij besluit van 16 maart 2012 verplicht zich aan een onderzoek als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet te onderwerpen. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 28 juli 2012 en bestond uit een medisch, lichamelijk en psychiatrisch onderzoek. Op grond van de bevindingen van het onderzoek hebben de betrokken arts S. Kalk en psychiater I.S. Hernandez-Dwarkasing in het verslag van bevindingen geconcludeerd dat voldoende aanwijzingen aanwezig zijn om te kunnen concluderen dat ten tijde van de laatste aanhouding op 1 maart 2012 sprake was van alcoholmisbruik volgens de DSM-IV-TR criteria en op basis van alle relevante gegevens de psychiatrische aandoening alcoholmisbruik in ruime zin kan worden gesteld. Dit verslag heeft het CBR aan zijn besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van [appellant] ten grondslag gelegd.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het CBR het in bezwaar gehandhaafde besluit van 5 oktober 2012 mocht baseren op het verslag van bevindingen. Daartoe voert hij aan dat door de betrokken artsen ten onrechte is vermeld dat sprake is van onderrapportage ten aanzien van het alcoholgebruik. In dit kader voert hij aan dat ten onrechte is uitgegaan van een standaard alcoholeenheid van 0,2 promille, nu hij voor zijn aanhouding rode wijn heeft genuttigd en het alcoholpromillage van rode wijn hoger is. Daarnaast wordt er in het verslag van bevindingen ten onrechte van uitgegaan dat zijn aanhouding voor het rijden onder invloed van alcohol in juli 2011 op een doordeweekse dag heeft plaatsgevonden. Dat hij op donderdag 1 maart 2012 alcohol had genuttigd, was ter gelegenheid van een feest, aldus [appellant].

[appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in het verslag van bevindingen geen, althans onvoldoende rekening is gehouden met bevindingen die niet duiden op alcoholmisbruik. Van de juistheid van het verslag van bevindingen mag niet worden uitgegaan, omdat hij niet heeft verklaard dat zijn alcoholgebruik in de twaalf maanden voorafgaand aan de laatste aanhouding heeft geleid tot lichamelijk problemen of tot verergering daarvan. Uit dat verslag kan niet worden opgemaakt of het proces-verbaal misdrijf van 1 maart 2012 daarbij is betrokken, aldus [appellant].

3.1. De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2011 in zaak nr. 201008320/1/H3, overwogen dat, in geval de diagnose alcoholmisbruik is gesteld, slechts aanleiding bestaat om de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet in stand te laten, indien de medische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig, dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de in het verslag van bevindingen gestelde diagnose alcoholmisbruik volgens de DSM-IV-TR criteria en de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin in voldoende mate zijn gestaafd met de gerapporteerde aanwijzingen voor overmatig alcoholgebruik, in onderling verband en samenhang bezien. Dat, naar gesteld, het alcoholpromillage van rode wijn hoger is dan in andere alcoholhoudende drank en hij op zaterdag 9 juli 2011 is aangehouden voor het rijden onder invloed en niet op een doordeweekse dag, komt niet de betekenis toe die [appellant] daaraan gehecht wilt zien. Het CBR heeft ter zitting toegelicht dat rode wijn, net als andere alcoholhoudende drank in een standaard wijnglas, een alcoholpromillage van 0,2 kent. Voorts blijkt uit de mededeling van 1 maart 2012 dat [appellant] op 11 juli 2011, een maandag, is aangehouden voor het rijden onder invloed. Dat [appellant] op 1 maart 2012 ter gelegenheid van een feest heeft gedronken, geeft evenmin grond voor het oordeel dat in het verslag van bevindingen is uitgegaan van onjuiste feiten en omstandigheden.

Voor zover [appellant] aanvoert dat hij tijdens het onderzoek naar zijn geschiktheid niet heeft verklaard dat zijn alcoholmisbruik in de twaalf maanden voorafgaande aan de laatste aanhouding heeft geleid tot lichamelijke problemen of tot verergering daarvan, wordt overwogen dat [appellant] geen andersluidend deskundigenrapport heeft overgelegd, waaruit de gebrekkigheid van het verslag van bevindingen volgt. De omstandigheid dat, naar gesteld, uit het verslag van bevindingen niet kan worden opgemaakt of het proces-verbaal van 1 maart 2012 bij het onderzoek is betrokken, maakt niet dat aanleiding bestaat om de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet in stand te laten. De betrokken arts en psychiater zijn op grond van hun specialistische kennis tot hun eigen oordeel gekomen, na de feiten en omstandigheden zoals die aan hen zijn gebleken, in het licht van hun expertise te hebben gewogen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat niet in alle onderdelen in het verslag van bevindingen tot alcoholmisbruik wordt geconcludeerd, niet maakt dat niet tot de diagnose alcoholmisbruik volgens de DSM-IV-TR criteria en de psychiatrische aandoening alcoholmisbruik in ruime zin kan worden geconcludeerd. In dit kader is van belang dat, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2013 in zaak nr. 201302228/1/A1, het niet aan het CBR of de bestuursrechter is om te beoordelen of voor het psychiatrisch oordeel voldoende feitelijke grondslag bestaat. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat het CBR zich op basis van het verslag van bevindingen op het standpunt mocht stellen dat [appellant] ongeschikt is voor het besturen van een motorrijtuig, zodat diens rijbewijs ongeldig moest worden verklaard.

De betogen falen.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014

531-789.