Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3085

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201311408/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:4699, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel geweigerd krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311408/1/V3.

Datum uitspraak: 13 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 21 november 2013 in zaak nr. 12/30614 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel geweigerd krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft.

Bij besluit van 24 september 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 november 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: zijn rechtsvoorgangers.

2. De staatssecretaris klaagt in de enige grief onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij nader onderzoek moet doen naar de door de vreemdeling gestelde en onderbouwde klacht dat hij nog steeds regelmatig last heeft van hypoglycemiën en dat voorts niet inzichtelijk is of de vreemdeling goed zal reageren op het door het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) voorgeschreven alternatieve middel insuline glargine.

Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank ten onrechte de verklaringen van de huisgenoot en familie van de vreemdeling heeft gevolgd, omdat deze personen geen van allen als medisch deskundige kunnen worden aangemerkt. Nu uit het telefonisch overleg tussen het BMA en de behandelaars van de vreemdeling niet blijkt dat hij thans kampt met nachtelijke hypoglycemiën en de vreemdeling niet met medische stukken heeft onderbouwd dat dit wel het geval is, rust op hem geen verplichting hiernaar onderzoek te verrichten, aldus de staatssecretaris. Evenmin heeft de vreemdeling met medische stukken onderbouwd waarom het alternatieve middel insuline glargine in zijn geval niet afdoende zal zijn. Gelet hierop en nu de vergewisplicht niet zover strekt dat hij had dienen te beoordelen of het BMA op juiste gronden heeft geconcludeerd dat voor het middel insuline detemir het alternatieve middel insuline glargine voorhanden is, heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris ten onrechte geoordeeld dat het op zijn weg ligt inzichtelijk te maken dat de vreemdeling ook goed reageert op laatstgenoemd middel.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1), strekt, indien en voor zover de staatssecretaris BMA-adviezen aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een aangevoerde beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat de BMA-adviezen - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent zijn.

2.2. In beroep heeft de vreemdeling een ongedateerde brief van zijn internist overgelegd, waaruit blijkt dat, samengevat weergegeven, nachtelijke hypoglycemiën zich nog wel eens voordoen. Daarnaast heeft de vreemdeling een brief van zijn huisarts van 23 juli 2012 overgelegd, waarin is vermeld dat de vreemdeling als kind behandeld werd met insulatard, maar dat hij daarvan te veel nachtelijke hypoglycemiën kreeg en dat daarom is overgestapt naar het middel insuline detemir.

Op verzoek van de staatssecretaris heeft het BMA vervolgens op 28 februari 2013 een nieuw advies (hierna: het BMA-advies) uitgebracht, waaraan onder meer informatie verkregen uit telefonisch overleg, dat plaatsvond op 25 februari 2013 onderscheidenlijk 26 februari 2013, met de huisarts van de vreemdeling en zijn internist, ten grondslag is gelegd. Op vraag 1b naar de aard van de klachten, heeft het BMA, voor zover thans van belang, geantwoord dat de vreemdeling sinds 2000 bekend is met diabetes mellitus type 1 en dat hij wordt behandeld met insuline injecties. Het BMA heeft tevens geantwoord dat de vreemdeling in september 2010 voor het laatst voor controle bij de internist is geweest en dat uit de verkregen informatie van de internist blijkt dat hij zich daarna aan de controle heeft onttrokken, dit zowel bij de oogarts, de diabetesverpleegkundige als de internist zelf. Daarnaast vermeldt het BMA dat de vreemdeling niet op de eerste hulp van het ziekenhuis is gezien in verband met hypoglycemie en dat uit de verkregen informatie van de behandelaars niet blijkt dat zich de afgelopen jaren hypoglycemiën hebben voorgedaan. Het BMA vermeldt voorts dat behandeling in de Democratische Republiek Congo (hierna: de DRC) aanwezig is. Uit bron A met het referentienummer BMA 4263 blijkt dat het middel insuline detemir in de DRC niet aanwezig is, maar wel het alternatieve middel insuline glargine, aldus het BMA.

Ter zitting bij de rechtbank heeft de vreemdeling een verklaring van zijn huisgenoot van 20 mei 2013 laten voorlezen, waarin deze persoon verklaart dat de vreemdeling in 2012 enige tijd bij hem heeft verbleven en dat hij in deze periode twee of drie keer last heeft gehad van nachtelijke hypoglycemiën, hetgeen door de familie van de vreemdeling ter zitting is bevestigd.

2.3. De rechtbank heeft niet onderkend dat de vreemdeling met de verklaringen van zijn huisgenoot en zijn familie geen contra-expertise heeft overgelegd, zodat, gelet op voormelde uitspraak van 13 oktober 2010, de staatssecretaris in zoverre op de conclusies van het BMA heeft mogen afgaan. Dat het BMA louter beschikt over informatie tot september 2010, komt, nu uit het BMA-advies blijkt dat de vreemdeling zich daarna aan medische controle heeft onttrokken, voor zijn rekening en risico. Voorts heeft de vreemdeling niet met medische stukken onderbouwd dat het door het BMA voorgeschreven alternatieve middel insuline glargine voor de behandeling van zijn klachten niet afdoende is. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen aanleiding hoeven zien een nader onderzoek in te stellen naar de medische toestand van de vreemdeling.

De grief slaagt reeds hierom.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen de staatssecretaris overigens heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

4. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat in de DRC de door hem benodigde medicatie niet ongestoord kan worden aangevoerd en daarnaast niet voldoende beschikbaar is. Daartoe verwijst hij naar het internetartikel "Update 2-Ebola outbreak in DRC risks spreading to towns - WHO" van de Chicago Tribune van 13 september 2012 waaruit volgens de vreemdeling blijkt dat de publieke gezondheidssector van de DRC uiteenvalt.

4.1. Nu uit voormeld internetartikel niet kan worden opgemaakt dat de door hem benodigde medicatie niet beschikbaar is in de DRC, leidt het betoog van de vreemdeling niet tot het ermee beoogde doel.

De beroepsgrond faalt.

5. De vreemdeling heeft voorts in beroep betoogd dat hij, nu hij last heeft van nachtelijke hypoglycemiën, mantelzorg behoeft.

Daartoe voert de vreemdeling aan dat in het BMA-advies is vermeld dat onbekend is of voor hem mantelzorg in het land van herkomst aanwezig is en dat zijn netwerk zich volledig in Nederland bevindt.

5.1. Volgens paragraaf B8/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals dat luidde ten tijde van belang, wordt met mantelzorg bedoeld dat de aard van de medische aandoening het noodzakelijk maakt dat de desbetreffende vreemdeling wordt verzorgd door derden. Indien de medisch adviseur vaststelt dat mantelzorg noodzakelijk is voor het slagen van de medische behandeling die de vreemdeling ondergaat, wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld aan te geven of er al dan niet personen, met name gezins- of familieleden, aanwezig zijn in het herkomstland die in staat moeten worden geacht mantelzorg te verlenen en dient hij, als hij stelt dat voor hem in het herkomstland geen mantelzorgnetwerk aanwezig is, gegevens en bescheiden over te leggen waaruit dit blijkt.

5.2. In het BMA-advies is, voor zover thans van belang, op vraag 2b naar de aard van de behandeling geantwoord dat in de brief van de kinderarts van de vreemdeling van 13 februari 2007 is vermeld dat mantelzorg in die mate is geïndiceerd dat wanneer de vreemdeling in een fors hypoglycemisch coma zou zijn er mensen in de omgeving dienen te zijn die hiermee adequaat kunnen omgaan.

Naar volgt uit 2.3. is niet vastgesteld dat de vreemdeling thans last heeft van nachtelijke hypoglycemiën. Voorts heeft het BMA, anders dan waarvan de vreemdeling uitgaat, aan voormelde brief van 13 februari 2007, daargelaten dat deze brief niet als voldoende actueel kan worden aangemerkt, niet de conclusie verbonden dat mantelzorg noodzakelijk is voor het slagen van de medische behandeling die de vreemdeling ondergaat. Gelet op het voorgaande faalt de beroepsgrond.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 21 november 2013 in zaak nr. 12/30614;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Gemert

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2014

53-689.