Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3082

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201311316/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2012:1050, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 december 2011 heeft het college een aanvraag van besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Lavatius Vastgoed B.V. (hierna: Lavatius B.V.) om omgevingsvergunning voor het verbouwen van het pand aan de Zaanstraat 16 te Geleen buiten behandeling gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311316/1/A1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante] gevestigd te [plaats], gemeente Sittard-Geleen,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 25 april 2012 in zaak nrs. 12/212 en 12/496 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen.

Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2011 heeft het college een aanvraag van besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Lavatius Vastgoed B.V. (hierna: Lavatius B.V.) om omgevingsvergunning voor het verbouwen van het pand aan de Zaanstraat 16 te Geleen buiten behandeling gelaten.

Bij uitspraak van 25 april 2012 heeft de voorzieningenrechter het door Lavatius B.V. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met de ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Ingevolge artikel 6:15, eerste lid, wordt het bezwaar- of beroepschrift, indien het wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde bestuursrechter, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.

Ingevolge het derde lid is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

Ingevolge artikel 6:24 is afdeling 6.2 met uitzondering van artikel 6:12 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld.

2. Vaststaat dat [appellante] geen afschrift heeft ontvangen van de uitspraak van de rechtbank van 25 april 2012. Tegen die uitspraak is binnen de door de wet gestelde termijn van zes weken door haar geen hoger beroep ingesteld. Uit een bij brief van 9 juli 2012 namens [holding] enig aandeelhouder van [appellante], ingediende zienswijze tegen het ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan "Zaanstraat 16" blijkt dat [holding] in ieder geval op dat moment op de hoogte was van de uitspraak van de rechtbank van 25 april 2012. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 maart 2014 in zaak nr. 201302759/1/A1) had het hoger beroep van [appellante], nadat zij in ieder geval op 9 juli 2012 bekend was met de uitspraak van de rechtbank van 25 april 2012, zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk, dat wil zeggen in beginsel binnen twee weken, moeten worden ingesteld om ontvankelijk te kunnen zijn. [appellante] heeft evenwel niet binnen twee weken, maar eerst bij brief aan de rechtbank van 27 september 2012, door de rechtbank doorgestuurd op 13 december 2013, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 25 april 2012. Gelet op het vorenstaande is deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar en is het hoger beroep van [appellante] niet-ontvankelijk.

3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014

357-776.