Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3079

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201311171/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:8603, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft het college een verzoek van [wederpartij] om toegelaten te worden tot een traject in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (hierna: de Wgs) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet gemeentelijke schuldhulpverlening
Wet gemeentelijke schuldhulpverlening 2
Wet gemeentelijke schuldhulpverlening 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2014/187
Gst. 2014/104

Uitspraak

201311171/1/A2.

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 november 2013 in zaak nr. 13/140 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft het college een verzoek van [wederpartij] om toegelaten te worden tot een traject in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (hierna: de Wgs) afgewezen.

Bij besluit van 13 december 2012 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 november 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 december 2012 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 26 februari 2014 heeft het college opnieuw beslist op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2014, waar het college, vertegenwoordigd door mr. I. Plaisier, J.M.A. Bravenboer en M. Janssen, allen werkzaam bij de gemeente Rotterdam, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. M.J.G. Schroeder, advocaat te Voorburg, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wgs, zoals deze luidde ten tijde van belang, stelt de gemeenteraad een plan vast dat richting geeft aan de integrale schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, is het college verantwoordelijk voor de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

Volgens artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels Schulddienstverlening Rotterdam, zoals deze luidden ten tijde van belang, verleent het college aan de schuldenaar schulddienstverlening als het college dit noodzakelijk acht.

Volgens het tweede lid, aanhef en onder a, kan het college, bij de afweging wat de inhoud van het aanbod schuldhulpverlening voor de betreffende schuldenaar moet zijn, in ieder geval betrekken de doelmatigheid van de ondersteuning met het oog op de aard, zwaarte en/of omvang van de schulden en de regelbaarheid van deze schulden.

2. Bij besluit van 9 oktober 2012, gehandhaafd bij besluit van 13 december 2012, heeft het college het verzoek van [wederpartij] om te worden toegelaten tot een traject in het kader van de Wgs afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat er onduidelijkheid bestaat over de hoogte van de vorderingen van de Belastingdienst/Toeslagen en kinderopvangorganisatie De Zonneschijn op [wederpartij], en dat het voor de schuldhulpverlening van belang is dat de totale schuldenlast bekend is. Daarnaast blijkt uit het door [wederpartij] overgelegde overzicht van haar maandelijkse inkomsten en uitgaven dat zij, na betaling van haar vaste lasten, een dermate gering bedrag overhoudt dat zij daarmee niet kan voorzien in het levensonderhoud van haar en haar gezin. Dit betekent dat zij nog schulden aan het opbouwen is, aldus het college.

3. De rechtbank heeft het daartegen gerichte beroep gegrond verklaard, omdat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er onduidelijkheid is over de schuldenlast van [wederpartij]. Er zijn, gelet op de betalingen door de Belastingdienst/Toeslagen aan De Zonneschijn onvoldoende aanwijzingen om te veronderstellen dat laatstgenoemde nog een vordering heeft op [wederpartij], en de enkele betwisting van de vordering van de Belastingdienst/Toeslagen betekent niet zonder meer dat een schuld niet regelbaar is. Het had op de weg van het college gelegen contact te zoeken met de Belastingdienst/Toeslagen teneinde de regelbaarheid van de schuld te onderzoeken. Nu de inkomenssituatie van [wederpartij] helder is, is de afwijzing van haar verzoek onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, aldus de rechtbank. Om die reden heeft de rechtbank het college opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.

4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen onduidelijkheid bestaat over de vordering van De Zonneschijn op [wederpartij]. Zowel uit het verzoek van [wederpartij] van 2 juli 2012, als uit het financieel overzicht van De Zonneschijn blijkt een aanzienlijke schuld, aldus het college. De bedragen die de Belastingdienst/Toeslagen heeft uitbetaald komen niet overeen met de bedragen uit het financieel overzicht.

Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het college zich niet op het standpunt mocht stellen dat de vordering van de Belastingdienst/Toeslagen niet regelbaar was. Het college stelt in dat verband dat deze vordering een groot deel van de totale schuldenlast uitmaakt. Wanneer een traject tot schuldhulpverlening wordt gestart, wordt een voorstel voor aflossing gedaan aan alle schuldeisers. Indien een vordering te hoog is vastgesteld, worden andere schuldeisers daardoor benadeeld. Omdat [wederpartij] de hoogte van de vordering betwistte en de omvang ervan derhalve niet duidelijk was, is de schuld niet regelbaar en is een traject in het kader van de Wgs niet mogelijk, aldus het college.

4.1. Het college hanteert als beleid, gelet op artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregels, dat schulden regelbaar moeten zijn, wil een traject in schuldhulpverlening mogelijk zijn. Hieruit volgt niet dat schulden in zijn algemeenheid vast moeten staan en onbetwist moeten zijn, voordat een aanbod voor een traject kan worden gedaan. Aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval dient te worden beoordeeld of de schulden regelbaar zijn en zo ja - mits is voldaan aan de overige voorwaarden - of een traject mogelijk is.

4.2. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college toegelicht dat het voor een geslaagd traject van belang is alle informatie te hebben over openstaande vorderingen, zodat schuldeisers een voorstel voor een betalingsregeling kan worden toegezonden. Wanneer een schuld te hoog wordt vastgesteld, beïnvloedt dit de terugbetaling van andere schulden en worden de desbetreffende schuldeisers daardoor benadeeld.

Hoewel De Zonneschijn failliet is waardoor het opvragen van gegevens is bemoeilijkt, was het voor [wederpartij] mogelijk geweest om hetzij via de curator, hetzij via de Belastingdienst/Toeslagen meer informatie over deze vordering te achterhalen. Zij heeft geen informatie verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat de vordering van De Zonneschijn kon worden weggestreept tegen de betalingen door de Belastingdienst/Toeslagen. De enkele stelling van [wederpartij] dat dit het geval moet zijn, omdat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag aan De Zonneschijn uitbetaalde, is daarvoor onvoldoende.

[wederpartij] heeft evenmin duidelijkheid verschaft over de vordering van de Belastingdienst/Toeslagen. Het college heeft ter zitting onweersproken gesteld dat het in ieder geval ten tijde van het besluit van 13 december 2012 op de hoogte was van de betwisting van deze vordering. [wederpartij] heeft geen informatie verstrekt over de omvang van de vordering en de mate waarin deze wordt betwist.

De informatie die het college ten tijde van het besluit van 13 december 2012 voorhanden had, was derhalve ontoereikend om het bestaan en de hoogte van deze vorderingen vast te kunnen stellen. Het college heeft [wederpartij] meermaals in de gelegenheid gesteld de ontbrekende informatie op te vragen en alsnog over te leggen en heeft ondersteuning door de sociaal raadslieden aangeboden bij het verkrijgen van deze gegevens. [wederpartij] is er desondanks niet in geslaagd de gevraagde informatie over te leggen. Onder deze omstandigheden mocht het college het verzoek van [wederpartij] om toegelaten te worden tot een traject in het kader van de Wgs afwijzen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

5. Gelet op het vorenstaande behoeft hetgeen het college voor het overige heeft aangevoerd geen bespreking.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 13 december 2012 van het college alsnog ongegrond verklaren.

7. Bij besluit van 26 februari 2014 heeft het college het verzoek van [wederpartij] om te worden toegelaten tot het traject alsnog ingewilligd. Het college heeft ter zitting bij de Afdeling toegelicht dat het besluit van 26 februari 2014 is genomen naar aanleiding van de door [wederpartij], na de aangevallen uitspraak, aangeleverde informatie en dat het in zoverre los staat van de opdracht van de rechtbank een nieuw besluit te nemen. Het heeft voorts te kennen gegeven dat het, ongeacht de uitkomst van de hoger beroepsprocedure, aan het aanbod voor een traject vast wil houden. Nu partijen daarbij onvoldoende belang hebben, is geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb ontstaan, waarop nog moet worden beslist.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 november 2013 in zaak nr. 13/140;

III. verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, griffier.

w.g. Slump w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014

97-729.