Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3075

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201310838/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 26 september 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de over 2008, 2009, 2010 en 2011 aan [appellante] toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310838/1/A2.

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2013 in zaak nr. 13/387 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 26 september 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de over 2008, 2009, 2010 en 2011 aan [appellante] toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag op nihil gesteld.

Bij besluit van 11 december 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten en de besluiten van 26 september 2012, die zien op de jaren 2008 en 2009, herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2014, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. H.R. Grootenhuis, werkzaam bij de dienst, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder kinderopvang verstaan: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen en opvoeden van kinderen tot de eerste dag van de maand, waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op toeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 52, eerste lid, geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 56, vierde lid, geschiedt gastouderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder van het gastouderbureau en de ouder. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de overeenkomst.

Bij wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wet kinderopvang, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid (Stb. 2010, 296) is de citeertitel van de Wet kinderopvang met ingang van 1 augustus 2010 gewijzigd in Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en zijn de artikelen 1 tot en met 89 vernummerd tot 1.1 tot en met 1.89.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling Wet kinderopvang (hierna: de Regeling), zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, bevat de administratie van een gastouderbureau tevens de volgende gegevens: afschriften van alle met vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst: de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en, indien van toepassing, de bemiddelingskosten, naam, geboortedatum, adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de overeenkomst.

2. Aan het besluit van 11 december 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft aangetoond dat de gastouderopvang in 2008, 2009, 2010 en 2011 op basis van een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52, eerste lid, van de Wko, heeft plaatsgehad. Daartoe is in aanmerking genomen dat de door [appellante] overgelegde overeenkomsten niet alle gegevens, vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, bevatten.

Verder heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij kosten van kinderopvang heeft gehad.

3. De rechtbank heeft dat besluit vernietigd, omdat de Belastingdienst/Toeslagen te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing op bezwaar zal herzien, voor zover die ziet op de jaren 2008 en 2009.

De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, voor zover het betrekking heeft op de jaren 2010 en 2011. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat de aan de Belastingdienst/Toeslagen overgelegde overeenkomsten voor de kinderopvang in die jaren niet alle gegevens, vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, bevatten. Dat gebrek is met de door [appellante] in beroep overgelegde overeenkomsten niet geheeld, nu zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze niet eerder hadden kunnen worden overgelegd en twijfels bestaan aan de authenticiteit ervan, omdat zij geen goede verklaring heeft gegeven waarom zij voor een zelfde periode meerdere en andersluidende overeenkomsten heeft gesloten.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Zij voert daartoe aan dat de door haar in beroep overgelegde overeenkomsten voldoen aan de in artikel 11 van de Regeling gestelde eisen en dat de rechtbank, door deze niet haar beoordeling te betrekken, in strijd met het verdedigingsbeginsel heeft gehandeld.

4.1. Anders dan [appellante] stelt, heeft de rechtbank de in beroep overgelegde overeenkomsten in haar oordeelsvorming betrokken. De rechtbank heeft daaraan evenwel niet de door [appellante] gewenste betekenis toegekend, omdat twijfels bestonden over de authenticiteit ervan. Gezien de omstandigheid dat de overeenkomsten eerst in beroep zijn overgelegd, [appellante] geen verklaring heeft kunnen geven waarom zij voor een zelfde periode meerdere en andersluidende overeenkomsten heeft gesloten en, naar de Belastingdienst/Toeslagen onweersproken heeft gesteld, de mogelijkheid bestond om via de website van het gastouderbureau achteraf overeenkomsten te verkrijgen, was die twijfel gerechtvaardigd. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat [appellante] met de door haar in beroep overgelegde overeenkomsten niet heeft aangetoond dat de kinderopvang op basis van een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, heeft plaatsgehad.

5. [appellante] betoogt dat uit de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2012 in zaak nr. 12/5204 en de rechtbank Zeeland-West Brabant van 25 november 2013 in zaak nr. 12/5502, volgt dat haar niet kan worden tegengeworpen dat de overeenkomsten niet aan de in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling gestelde eisen voldoen, nu deze bepaling niet tot haar, maar tot het gastouderbureau is gericht. Voorts volgt uit die uitspraken dat de Belastingdienst/Toeslagen een onredelijke uitleg aan artikel 11 van de Regeling heeft gegeven, omdat de dienst ten behoeve van de aanvraag destijds niet tijdig, vooraf, informatie heeft verstrekt over de vereisten, waaraan de overeenkomst moet voldoen. Verder stelt [appellante] dat alle voor de beoordeling van de aanspraak op kinderopvangtoeslag benodigde gegevens reeds langs andere weg bij de Belastingdienst/Toeslagen bekend waren.

5.1. De met dit betoog opgeworpen rechtsvraag is door de Afdeling reeds in haar uitspraak van 22 januari 2014 in zaak nr. 201308683/1/A2 beantwoord. De Afdeling heeft daarin overwogen dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling valt af te leiden dat bedoeld is dat onderzocht kan worden of de aanspraak van de ouder op en de hoogte van de overheidsbijdrage overeenkomt met de overeenkomst die de ouder heeft gesloten. Om aanspraak op kinderopvangtoeslag te kunnen maken, dient de ouder dan ook inzicht te geven in de met het gastouderbureau gemaakte afspraken over de kinderopvang door een akte van een overeenkomst over te leggen, waaruit die afspraken blijken. Gelet hierop, dient, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr. 201102492/1/H2), de overeenkomst, bedoeld in artikel 52 van de Wko, in elk geval de gegevens, vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, te bevatten.

Dat de Belastingdienst/Toeslagen, als gesteld, langs andere weg met de benodigde gegevens bekend is geworden, doet aan het vorenstaande niet aan af, nu dat niet maakt dat de overeenkomsten aan de daaraan te stellen eisen voldoen.

Het betoog faalt.

6. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen van het horen in bezwaar mocht afzien. Voor beantwoording van de vraag of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten, is niet van belang of de Belastingdienst/Toeslagen al dan niet terecht van het horen in bezwaar heeft afgezien. Het betoog kan dan ook niet leiden tot het daarmee beoogde doel.

7. Ten slotte faalt ook het betoog van [appellante] dat de rechtbank had moeten beoordelen of de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij niet heeft aangetoond kosten van kinderopvang te hebben gehad. De rechtbank was daartoe niet gehouden, nu zij terecht heeft geoordeeld dat de kinderopvang niet op basis van een overeenkomst heeft plaatsgehad en [appellante] reeds daarom geen aanspraak op kinderopvangtoeslag had.

8. Het hoger beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Krokké

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014

686.