Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3072

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201308929/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 16 augustus 2012, verzonden 29 augustus 2012, heeft het college [appellant A], alsmede [appellant B] en [appellant B] Handelsonderneming, onder oplegging van bestuursdwang gelast om het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), voor 1 oktober 2012 te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308929/1/A1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant A],

2. [appellant B], beiden wonend te Vierakker, gemeente Bronckhorst,

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 13 augustus 2013 in zaak nrs. 13/753 en 13/3173 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 16 augustus 2012, verzonden 29 augustus 2012, heeft het college [appellant A], alsmede [appellant B] en [appellant B] Handelsonderneming, onder oplegging van bestuursdwang gelast om het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), voor 1 oktober 2012 te beëindigen en beëindigd te houden.

Op 5 november 2012 heeft het college bestuursdwang toegepast.

Bij besluit van 20 november 2012 heeft het college medegedeeld dat de kosten van de toepassing van de bestuursdwang, een bedrag van € 9.787,75 voor het wegslepen van auto’s en het afgraven en afvoeren van een verharding en € 200,00 voor de opslag van auto’s in de periode van 5 november 2012 tot 5 december 2012, voor rekening van [appellant B] Handelsonderneming en [appellant B] komen. In dit besluit is tevens vermeld dat de genoemde bedragen voor 9 januari 2013 moeten worden betaald.

Bij besluit van 28 november 2012, verzonden 4 december 2012, heeft het college het door [appellant A] tegen het tot hem gerichte besluit van 16 augustus 2012 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 24 januari 2013 heeft het college [appellant B] Handelsonderneming medegedeeld dat het bedrag van € 9.787,75 dat aan hem bij het besluit van 20 november 2012 in rekening is gebracht, binnen zes weken na verzending van dat besluit dient te worden betaald.

Bij brief van 7 mei 2013 heeft het college [appellant B] Handelsonderneming en [appellant B] medegedeeld dat het bedrag van € 200,00 aan stallingskosten over de periode van 5 november 2012 tot 5 december 2012 binnen zes weken na verzending van dat besluit dient te worden betaald.

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft het college [appellant B] Handelsonderneming en [appellant B] medegedeeld dat een bedrag van € 400,00 aan stallingskosten over de periode van 5 december 2012 tot 5 februari 2013 binnen zes weken na verzending van dat besluit dient te worden betaald.

Bij uitspraak van 13 augustus 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, de door [appellant B] tegen het besluit van 28 november 2012, en de door [appellant A] tegen de besluiten en brieven van 20 november 2012, 24 januari 2013, 7 mei 2013 en 16 mei 2013 ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard, het door [appellant A] tegen het besluit van 28 november 2012 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar van [appellant A] tegen het aan hem gerichte besluit van 16 augustus 2012 ongegrond verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2014, waar [appellant A] en [appellant B], vergezeld door P. ter Horst en bijgestaan door mr. H. Grootjans, advocaat te Doetinchem, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. IJsseldijk, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen.

1. Ingevolge artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep instellen tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de voorzieningenrechter van de rechtbank.

2. [appellant B] is bij de aangevallen uitspraak geen belanghebbende als bedoeld in artikel 8:104, eerste lid, van de Awb, voor zover daarbij niet zijn beroep, onderscheidenlijk zijn bezwaar, maar dat van [appellant A] niet-ontvankelijk, onderscheidenlijk gegrond en ongegrond is verklaard.

[appellant B] is derhalve geen belanghebbende in hoger beroep ten aanzien van de beslissingen van de voorzieningenrechter met betrekking tot de beroepen en het bezwaar van [appellant A]. Het hoger beroep van [appellant B], voor zover tegen die beslissingen van de voorzieningenrechter gericht, wordt derhalve niet-ontvankelijk verklaard.

[appellant A] is om dezelfde reden bij de aangevallen uitspraak geen belanghebbende als bedoeld in artikel 8:104, eerste lid, van de Awb, voor zover daarbij het beroep van [appellant B] tegen het besluit van 28 november 2012 niet-ontvankelijk is verklaard. Het hoger beroep van [appellant A], voor zover daartegen gericht, wordt derhalve eveneens niet-ontvankelijk verklaard.

3. [appellant A] betoogt dat de voorzieningenrechter de door het college doorgezonden, door hem ingestelde beroepen tegen de besluiten van 20 november 2012, 24 januari 2013, 7 mei 2013 en 16 mei 2013, ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Anders dan de voorzieningen-rechter heeft overwogen, is hij, ondanks dat deze besluiten uitsluitend zijn gericht aan [appellant B] Handelsonderneming en [appellant B], als belanghebbende bij die besluiten aan te merken, nu hij woonachtig is op het perceel en de bedrijfsgedeelten daarvan aan [appellant B] verhuurt. Omdat [appellant B] door de beslaglegging op zijn bedrijfsmiddelen in verband met de kosten van de bestuursdwang zijn bedrijfsvoering niet kan voortzetten, raken deze besluiten direct aan zijn financiële belangen, aldus [appellant A].

3.1. De brieven van het college van 24 januari 2013 en 7 mei 2013 gericht aan [appellant B] Handelsonderneming en [appellant B], kunnen niet als kostenvaststellingsbesluiten als bedoeld in artikel 5:25, zesde lid, van de Awb worden aangemerkt, omdat het college de hoogte van de daarin genoemde kosten reeds bij het besluit van 20 november 2012 heeft vastgesteld. Daargelaten of de genoemde brieven moeten worden aangemerkt als aanmaningen als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb, dan wel als feitelijke mededelingen van het college over de verschuldigdheid van die kosten, heeft de rechtbank het beroep van [appellant A] tegen die brieven terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe wordt overwogen dat tegen een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb, ingevolge artikel 8:4, eerste lid, onder b, van de Awb, niet de mogelijkheid van het instellen van beroep openstaat. Tegen feitelijke mededelingen, geen besluiten zijnde, staat ingevolge artikel 8:1 van de Awb evenmin de mogelijkheid van beroep open.

De besluiten van 20 november 2012 en 16 mei 2013 betreffen kostenvaststellingsbesluiten als bedoeld in artikel 5:25, zesde lid, van de Awb. Tegen deze besluiten staat wel de mogelijkheid van het instellen van beroep open.

3.2. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, in samenhang bezien met artikel 8:1, eerste lid, kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon volgens vaste jurisprudentie een voldoende objectief bepaalbaar, eigen, persoonlijk en actueel belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

De besluiten tot vaststelling van de kosten van de uitgevoerde bestuursdwang van 20 november 2012, alsmede van 16 mei 2013, zijn niet aan [appellant A] gericht en ook overigens is niet gebleken dat het college de kosten van de bestuursdwang op hem verhaalt. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat [appellant A] niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij die besluiten kan worden aangemerkt. Een rechtstreeks bij die besluiten betrokken belang kan niet worden afgeleid uit de stelling dat [appellant A] geen, dan wel minder huurinkomsten zal ontvangen als gevolg van het verhaal van de kosten van de bestuursdwang op [appellant B] Handelsonderneming en [appellant B].

Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde dat men een eigen, persoonlijk en rechtstreeks door het besluit geraakt belang moet hebben.

Gelet op het voorgaande, slaagt het betoog dat de voorzieningenrechter ten onrechte om die reden het verzoek om een voorlopige voorziening van [appellant A] tegen de genoemde besluiten heeft afgewezen, evenmin.

Het betoog faalt.

4. [appellant B] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat hij als belanghebbende is aan te merken bij het besluit van 16 augustus 2012 tot het opleggen van een last onder bestuursdwang gericht aan [appellant A]. Gelet op de gevolgen die dit besluit ook voor hem heeft in het kader van het verhaal van de kosten van de bestuursdwang, stelt hij dat de voorzieningenrechter zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, om reden dat hij niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij dat besluit.

4.1. Daargelaten of het oordeel van de voorzieningenrechter, dat [appellant B] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het besluit tot het opleggen van een last onder bestuursdwang gericht aan [appellant A], juist is, heeft de voorzieningenrechter het beroep van [appellant B] gericht tegen het besluit van 28 november 2012 terecht niet-ontvankelijk verklaard, reeds omdat [appellant B] niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 16 augustus 2012.

Nu niet is gebleken dat dit hem redelijkerwijs niet kan worden verweten, diende zijn beroep gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb, niet-ontvankelijk te worden verklaard. De voorzieningenrechter is hiertoe dan ook terecht, zij het op andere gronden, overgegaan.

Het betoog faalt.

5. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 2005 Hengelo / Vorden" (hierna: het bestemmingsplan) rusten op het perceel de bestemmingen "Agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden (ALN)" en "Niet-agrarisch bedrijf".

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden opstallen - of delen daarvan - en gronden te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge het tweede lid, is het bepaalde in het eerste lid van dit artikel niet van toepassing op:

a. gebruik van opstallen - of delen daarvan - en gronden strijdig met de bestemming aan de grond gegeven in het plan voor zover dit gebruik reeds plaatsvond ten tijde van het van kracht worden van het plan, zolang in de aard van dat gebruik geen wijziging wordt aangebracht.

b. het overgangsrecht is niet van toepassing op het gebruik dat tevens in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan;

c. (…).

Ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1994" rustte op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied".

Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan is het verboden opstallen - of delen daarvan - en gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 46, vijfde lid, is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing op:

a. gebruik van opstallen - of delen daarvan - en grond strijdig met de bestemming aan de grond gegeven in het plan, voor zover dit gebruik reeds plaatsvond ten tijde van het van kracht worden van het plan, zolang in de aard en omvang van het gebruik geen wijziging wordt aangebracht;

b. een gewijzigd gebruik van opstallen - of delen daarvan - en grond, anders dan ten tijde van het van kracht worden van het plan, indien dit gewijzigde gebruik minder strijdig zal zijn met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

6. Niet in geschil is dat het gedeelte van het perceel met de bestemming "Agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden (ALN)" opnieuw met asfaltgranulaat is verhard, met het oog op de bedrijfsvoering van de Handelsonderneming van [appellant B]. Daarop zijn ten behoeve van die bedrijfsvoering voertuigen, alsmede overige materialen, te weten stapels grasblokken, houten pallets, twee aanhangers, een palletvork, zand en snoeihout gestald en opgeslagen.

Evenmin is in geschil dat dit gebruik van het perceel in strijd is met de bestemming "Agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden (ALN)", en dus met artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften.

7. [appellant A] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte zelf voorziend zijn bezwaar tegen het besluit van 16 augustus 2012 ongegrond heeft verklaard. Volgens hem heeft de voorzieningenrechter daarmee miskend dat het bedrijfsmatige gebruik dat van het perceel wordt gemaakt, onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt. Dit was volgens hem reeds het geval onder de werking van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1994" en om die reden wordt het gebruik ook beschermd door het overgangsrecht van het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 2005 Hengelo / Vorden", aldus [appellant A].

7.1. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat het beroep van [appellant A] op het overgangsrecht zoals opgenomen in artikel 20, tweede lid, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan, niet slaagt.

Daarbij heeft hij met juistheid aangesloten bij de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2009 (in zaak nr. 200902945/1/H1) en overwogen dat, nu het in deze procedure gaat om dezelfde activiteiten, te weten de opslag van voertuigen, in deze procedure nog uitgebreid met de opslag van overige materialen, die plaatsvinden op hetzelfde perceel als waar het handhavend optreden in die procedure op zag, in rechte vaststaat dat die activiteiten overtredingen zijn, waarvoor geen beroep op het overgangsrecht mogelijk is. In de uitspraak van 11 november 2009 heeft de Afdeling onder meer geoordeeld dat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het voorheen geldende bestemmingsplan valt, omdat aard en omvang van het gebruik zijn geïntensiveerd door de aanleg van een verharde parkeerplaats.

De voorzieningenrechter heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden om hierover thans anders te oordelen. Daarbij geldt dat nu thans het strijdige gebruik met de opslag van overige materialen is uitgebreid, te meer aanleiding bestaat voor het oordeel dat niet aan het bepaalde in artikel 20, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften, is voldaan, nu daarmee in de aard van het gebruik wijziging is aangebracht.

De conclusie is dat [appellant A] tevergeefs betoogt dat het gebruik niet in strijd is met het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter heeft het bezwaar terecht zelf voorziend ongegrond verklaard.

Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep van [appellant B] is niet-ontvankelijk, voor zover gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij op de beroepen van [appellant A] tegen de besluiten, onderscheidenlijk brieven van 20 november 2012, 24 januari 2013, 7 mei 2013, 16 mei 2013 en 28 november 2012, en op het bezwaar van [appellant A] tegen het aan hem gerichte besluit van 16 augustus 2012 is beslist.

Het hoger beroep van [appellant B] voor zover gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij zijn beroep tegen het besluit van 28 november 2012 niet-ontvankelijk is verklaard, is ongegrond.

Het hoger beroep van [appellant A] is niet-ontvankelijk, voor zover gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij op het beroep van [appellant B] tegen het besluit van 28 november 2012 is beslist.

Het hoger beroep van [appellant A] is voor het overige ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant B], voor zover gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij op de beroepen van [appellant A] tegen de besluiten, onderscheidenlijk brieven van 20 november 2012, 24 januari 2013, 7 mei 2013, 16 mei 2013 en 28 november 2012, en het bezwaar van [appellant A] tegen het besluit van 16 augustus 2012 is beslist, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het hoger beroep van [appellant A], voor zover gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij op het beroep van [appellant B] tegen het besluit van 28 november 2012 is beslist, niet-ontvankelijk;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover de hoger beroepen ontvankelijk zijn.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.

w.g. Polak w.g. Van Leeuwen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014

641.