Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3063

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201307309/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum Venlo" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307309/1/R1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te Venlo,

en

de raad van de gemeente Venlo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum Venlo" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 3] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2014, waar [appellant sub 2], [appellant sub 3], en de raad, vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken en C.E.J.M. Sprang-Cellissen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn door [appellant sub 2] ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actualisering van het planologisch kader voor het centrum van Venlo.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. Het beroep is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Dienstverlening" voor het perceel [locatie 1].

[appellant sub 1] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in dezelfde gebruiksmogelijkheden als het vorige plan. [appellant sub 1] voert hiertoe aan dat het vorige plan onder meer detailhandel op de begane grond mogelijk maakte. Volgens [appellant sub 1] is de begane grond altijd voor detailhandel in gebruik geweest. Voorts voert [appellant sub 1] aan dat het gebouw voor veel dienstverlenende activiteiten in mindere mate geschikt is. Verder zijn aanpassingen om het gebouw hiervoor geschikt te maken kostbaar, aldus [appellant sub 1].

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de toekenning van de bestemming is onderzocht in hoeverre de voorheen geldende bestemming in overeenstemming is met het geldende beleid. Voorts is rekening gehouden met de feitelijk aanwezige functie, aldus de raad.

3.2. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Dienstverlening" aangewezen gronden bestemd voor dienstverlening, uitsluitend op de begane grond en op de verdieping zoals bestaand aanwezig.

3.3. Op de plankaart van het vorige bestemmingsplan "Binnenstad-west", vastgesteld door de raad bij besluit van 23 april 1986 en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Limburg bij besluit van 9 juni 1987, was aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Centrumvoorzieningen 3" toegekend.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de voorschriften van dat plan, waren de op de bestemmingskaart voor "Centrumvoorzieningen 3" aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden, detailhandelsdoeleinden, horeca-, kantoor-, en maatschappelijke doeleinden, alsmede bedrijfsdoeleinden en verkeersdoeleinden, benzineverkooppunt, alles met de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken en bijbehorende voorzieningen.

3.4. De raad heeft ter zitting toegelicht dat uit een nadere inventarisatie is gebleken dat ten tijde van de vaststelling van het plan op de begane grond detailhandel aanwezig was. Volgens de raad had de detailhandel op de begane grond als zodanig moeten worden bestemd. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

3.5. Wat betreft het betoog van [appellant sub 1] dat het plan niet voorziet in dezelfde gebruiksmogelijkheden als het vorige plan, wordt overwogen dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft met de toegekende bestemming beoogd de feitelijk aanwezige functies als zodanig te bestemmen. Dit uitgangspunt acht de Afdeling niet onredelijk. Zoals in 3.4 is overwogen, stelt de raad zich op het standpunt dat de detailhandel op de begane grond als zodanig had moeten worden bestemd. De overige voorheen toegestane gebruiksmogelijkheden waren niet aanwezig ten tijde van de vaststelling van het plan. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten voorzien in dezelfde gebruiksmogelijkheden als het vorige plan. Het betoog faalt.

3.6. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Dienstverlening" voor het perceel [locatie 1], voor zover niet is voorzien in detailhandel op de begane grond, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 2]

4. Het beroep van [appellant sub 2], voor zover gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" voor de percelen [locatie 2] en [locatie 3], steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

5. Het beroep is voorts gericht tegen het plandeel met de bestemming "Dienstverlening" voor het perceel [locatie 2].

[appellant sub 2] betoogt dat de raad voor dit plandeel ten onrechte niet heeft voorzien in een woonfunctie. [appellant sub 2] voert hiertoe aan dat het vorige bestemmingsplan zowel een kantoor- als woonfunctie mogelijk maakte. Volgens [appellant sub 2] wordt zij hierdoor beperkt in de exploitatiemogelijkheden van haar gebouw.

[appellant sub 2] betoogt voorts dat de toegekende bestemming "Dienstverlening" niet in overeenstemming is met de beantwoording van haar zienswijze waarin de raad heeft aangegeven dat zowel de feitelijke situatie van het gebouw als kantoor, als een woonfunctie wordt toegestaan.

Dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan om een woonfunctie op het perceel mogelijk te maken, acht [appellant sub 2] onredelijk bezwarend, gelet op de vereisten waaronder kan worden afgeweken.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de toegekende bestemming "Dienstverlening" in overeenstemming is met het feitelijke gebruik van het gebouw. De raad wil niet zonder meer woningen binnen de bestemming "Dienstverlening" mogelijk maken, maar alleen via een afwijkingsbevoegdheid. Hiermee wil de raad voorkomen dat grote kantoorpanden zonder verdere beoordeling omgezet kunnen worden in woningen. De raad acht het wenselijk om grip te houden op het toevoegen van extra woningen binnen de gemeente ten opzichte van de planvoorraad.

5.2. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels zijn de voor "Dienstverlening" aangewezen gronden onder meer bestemd voor:

a. dienstverlening, uitsluitend op de begane grond en op de verdieping zoals bestaand aanwezig;

b. wonen, uitsluitend zoals bestaand aanwezig.

Ingevolge lid 7.5.1, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:

a. lid 4.1, onder b (lees: lid 7.1, onder b) voor de uitoefening van de functie wonen, indien bestaand niet aanwezig, onder de vereisten dat:

1. de functiewijziging past binnen de dynamische woningbouwprogrammering;

2. de parkeerbalans in de directe omgeving niet onevenredig nadelig wordt of kan worden beïnvloed;

3. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;

4. aan de ruimtelijke kwaliteit en het stedenbouwkundig beeld ter plaatse geen afbreuk wordt gedaan;

5. de afwijking niet leidt tot een onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden;

6. voldaan wordt aan de bepalingen ingevolge de Wet geluidhinder;

7. voldaan wordt aan de bepalingen ingevolge de Wet luchtkwaliteit;

8. er uit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaren bestaan;

9. er geen overwegende bezwaren bestaan vanuit het aspect externe veiligheid;

10. een planschade verhaalovereenkomst met de gemeente is aangegaan.

5.3. Op de plankaart van het vorige bestemmingsplan "Binnenstad-oost", vastgesteld door de raad bij besluit van 27 maart 1985 en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Limburg bij besluit van 15 april 1986, was aan het perceel [locatie 2] de bestemming "Woondoeleinden, kantoordoeleinden en maatschappelijke doeleinden" toegekend.

Ingevolge artikel 7, van de voorschriften van dat plan waren de op de kaart voor "Woondoeleinden, kantoordoeleinden en maatschappelijke doeleinden" aangewezen gronden bestemd voor wonen, kantoren en maatschappelijke doeleinden, met de daarbij behorende bouwwerken en tuinen.

5.4. In de beantwoording van de zienswijzenota heeft de raad aangegeven dat het ruimtelijk beleid zoals neergelegd in de visie "Visie Stedelijk Centrum 2022" zich niet verzet tegen het huidige gebruik van het gebouw als kantoorpand. Voorgesteld wordt om recht te doen aan de bestaande feitelijke situatie en daarbij wonen toe te staan. Voorts wordt voorgesteld om het perceel de bestemming "Dienstverlening" toe te kennen.

5.5. Niet in geschil is dat met de toegekende bestemming "Dienstverlening" het feitelijke gebruik van het gebouw als zodanig is bestemd. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat de raad ten onrechte niet bij recht eveneens een woonfunctie op het perceel mogelijk heeft gemaakt, wordt overwogen dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In dit geval heeft de raad toegelicht dat hij een woonfunctie slechts wil mogelijk maken bij afwijkingsbevoegdheid om de woonvoorraad te kunnen reguleren. Dit uitgangspunt acht de Afdeling niet onredelijk. In het betoog van [appellant sub 2] dat de marktomstandigheden om haar gebouw te verhuren slecht zijn en dat daarom een flexibele bestemming benodigd is, heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om af te wijken van zijn uitgangspunt. Voorts biedt hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat de vereisten waaronder van het plan kan worden afgeweken, onevenredig bezwarend zijn.

Wat betreft de beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 2] wordt in aanmerking genomen dat daarin slechts is aangegeven dat naast de kantoorfunctie, ook een woonfunctie wordt toegestaan. Niet is aangegeven dat de woonfunctie bij recht mogelijk zou worden gemaakt. Nu de woonfunctie mogelijk wordt gemaakt via een afwijkingsbevoegdheid, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet overeenkomt met de beantwoording van de zienswijzenota. Het betoog faalt.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

7. Het beroep is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Horeca" met de aanduiding "specifieke vorm van horeca - horeca 2 op verdieping" voor het perceel [locatie 4].

[appellant sub 3] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid het perceel te gebruiken voor alle horeca categorieën, detailhandel en kantoor. Nu het vorige bestemmingsplan deze functies wel mogelijk maakte, wordt hij beperkt in de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel, aldus [appellant sub 3]. Voorts vreest [appellant sub 3] voor financiële schade bij een eventuele verkoop, verhuur of uitbreiding van zijn gebouw.

[appellant sub 3] betoogt verder dat het beleid zich niet verzet tegen het voorzien in detailhandel op zijn perceel, nu zijn perceel in het centrum van de stad ligt.

[appellant sub 3] betoogt voorts dat de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door aan de percelen Monseigneur Nolensplein 95, 96, 97, 98 en 99, waarvan de gemeente eigenaar is, wel een ruime bestemming toe te kennen.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de toekenning van de bestemming is onderzocht in hoeverre de voorheen geldende bestemming in overeenstemming is met het geldende beleid. Voorts is rekening gehouden met de feitelijk aanwezige functie, aldus de raad. In dit geval is volgens de raad het toestaan van het gebruik van het gebouw voor detailhandel niet in overeenstemming met het beleid van de raad zoals neergelegd in de visie "Visie Stedelijk Centrum 2022". De raad wijst er in dit verband op dat het gebouw niet in het kernwinkelgebied ligt, maar is gesitueerd in een gebied met een luw karakter. Gelet op de reeds bestaande en verwachte stijging van leegstand voert de raad het beleid om geen toename van detailhandel in straten buiten het kernwinkelgebied mogelijk te maken.

Verder heeft in het kader van dit bestemmingsplan een inventarisatie van de feitelijk aanwezige functies plaatsgevonden. Volgens de raad was op het perceel [locatie 4] horeca aanwezig.

7.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.61, van de planregels wordt onder horeca verstaan het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren en/of logies.

Onder Horeca, categorie 1 wordt verstaan een horecabedrijf dat qua exploitatievorm aansluit bij winkelvoorzieningen en waar overwegend niet ter plaatse bereide kleinere etenswaren en in hoofdzaak alcoholvrije drank worden verstrekt.

Onder Horeca, categorie 2, wordt verstaan een inrichting die geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse dienen te worden genuttigd. Daaronder worden begrepen: cafetaria/snackbar, fastfood en broodjeszaak, lunchroom, ijssalon/ijswinkel, koffie- en/of theeschenkerij, afhaalcentrum, eetwinkels, restaurant.

Onder Horeca, categorie 3, wordt verstaan een inrichting die geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van (alcoholische) dranken voor consumptie ter plaatse, alsmede het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse dienen te worden genuttigd, alsmede (in sommige gevallen) de gelegenheid biedt tot dansen. Daaronder worden begrepen: café, bar, grand-café, eetcafé, danscafé, pubs, juice- en healthbar.

Onder Horeca, categorie 4, wordt verstaan een inrichting die geheel of in overwegende mate is gericht op het bieden van vermaak en ontspanning (niet zijnde een recreatieve voorziening) en/of het geven van gelegenheid tot de dansbeoefening, al dan niet met levende muziek en al dan niet met de verstrekking van dranken en kleine etenswaren. Daaronder worden begrepen: discotheek / dancing, nachtcafé en een zalencentrum (met nachtvergunning).

Onder Horeca, categorie 5, wordt verstaan een inrichting die geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van nachtverblijf, al dan niet in combinatie met een restaurant. Daaronder wordt begrepen: hotel, motel, pension en overige logiesverstrekkers.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, zijn de voor "Horeca" aangewezen gronden onder meer bestemd voor:

a. horecabedrijven tot en met horeca categorie 2, uitsluitend op de begane grond;

b. ter plaatse van de aanduiding "horeca van categorie 3" (h=3), horeca categorie 3, zoals bestaand aanwezig;

c. horeca van categorie 2 op de verdieping, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - horeca 2 op verdieping";

d. wonen, waaronder tevens begrepen kamerbewoning (maximaal vier personen).

7.3. Op de plankaart van het vorige bestemmingsplan "Binnenstad-west" was aan het perceel [locatie 4] de bestemming "Centrumvoorzieningen 3" toegekend.

7.4. In de visie "Visie Stedelijk Centrum 2022", vastgesteld door de raad op 23 mei 2012, is vermeld dat het kernwinkelgebied niet wordt uitgebreid en dat in de overige straten met winkels geen nieuwe detailhandelsbestemmingen worden toegestaan om te voorkomen dat structurele leegstand ontstaat.

7.5. De raad heeft ter zitting erkend dat het café op het perceel van [appellant sub 3] ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Volgens de raad had aan het perceel de aanduiding "horeca van categorie 3" moeten worden toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

7.6. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

Anders dan [appellant sub 3] betoogt, ziet het beleid om geen nieuwe detailhandel toe te staan niet op gronden buiten het centrum, maar op het gebied buiten het kernwinkelgebied zoals aangegeven in de "Visie Stedelijk Centrum 2022". Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het mogelijk maken van detailhandel in andere straten dan het kernwinkelgebied onwenselijk is gelet op het voorkomen van leegstand. Het perceel van [appellant sub 3] is in de visie niet aangemerkt als kernwinkelgebied. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het beleid zich verzet tegen het mogelijk maken van detailhandel op het perceel.

Wat betreft het betoog van [appellant sub 3] dat het plan niet voorziet in dezelfde gebruiksmogelijkheden als het vorige plan, wordt overwogen dat ingevolge artikel 10, lid 10.1, onder d, van de planregels wonen op het perceel is toegestaan. Wat betreft de overige functies die onder het vorige plan waren toegestaan, neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad heeft beoogd de feitelijk aanwezige functies als zodanig te bestemmen. Zoals in 7.5 is overwogen, stelt de raad zich op het standpunt dat de aanduiding "horeca van categorie 3" aan het perceel had moeten worden toegekend. De overige voorheen toegestane gebruiksmogelijkheden waren niet aanwezig ten tijde van de vaststelling van het plan. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten voorzien in dezelfde gebruiksmogelijkheden als het vorige plan.

In de vrees van [appellant sub 3] voor schade wegens de beperktere gebruiksmogelijkheden ten opzichte van het vorige plan heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om af te wijken van zijn beleid. Het betoog faalt.

7.7. Over de door [appellant sub 3] gemaakte vergelijking met de percelen Monseigneur Nolensplein 95, 96, 97, 98 en 99, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie, omdat die percelen in gebruik zijn als kiosk. De raad heeft in dit verband toegelicht dat in de kiosken verschillende activiteiten worden verricht waarvoor verschillende gebruiksmogelijkheden nodig zijn. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 3] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

7.8. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Horeca" voor het perceel [locatie 4], voor zover hieraan de aanduiding "horeca van categorie 2" is toegekend, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Opdracht en voorlopige voorziening

8. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, de raad op te dragen om voor de vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

9. Voorts ziet de Afdeling aanleiding om ingevolge artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de in de beslissing te melden voorlopige voorzieningen te treffen.

Proceskosten

10. Ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" voor de percelen [locatie 2] en [locatie 3] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Venlo van 26 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Centrum Venlo", voor zover:

a. het betreft het plandeel met de bestemming "Dienstverlening" voor het perceel [locatie 1], voor zover niet is voorzien in detailhandel op de begane grond;

b. het betreft de aanduiding "horeca van categorie 2" voor het perceel [locatie 4];

IV. draagt de raad van de gemeente Venlo op om binnen zestien weken na verzending van deze uitspraak en met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen voor de onder III vernietigde onderdelen van het besluit en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. treft de voorlopige voorziening inhoudende:

a. dat voor het plandeel met de bestemming "Dienstverlening" voor het perceel [locatie 1], geldt dat op de begane grond tevens detailhandel is toegestaan;

b. dat voor het plandeel met de bestemming "Horeca" voor het perceel [locatie 4], de aanduiding "horeca van categorie 3" geldt;

VI. bepaalt dat de onder V opgenomen voorlopige voorziening vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van het door de raad vast te stellen besluit als bedoeld onder IV;

VII. verklaart het beroep van [appellant sub 2] voor het overige ongegrond;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Venlo aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 1] en € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 3], vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, griffier.

w.g. Koeman w.g. Schaaf

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014

523-763.