Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3062

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201308427/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Binnenstad en Havens" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308427/1/R1.

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna: [appellant sub 1]), wonend te Enkhuizen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Het Grote Water B.V., gevestigd te Leusden,

en

de raad van de gemeente Enkhuizen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Binnenstad en Havens" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en Het Grote Water B.V. beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2014, waar [appellant sub 1A], bijgestaan door [gemachtigde], Het Grote Water B.V., vertegenwoordigd door G.C. van Merriënboer, en de raad, vertegenwoordigd door J. Eenkoren en Y. Pijcke, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor de binnenstad en de havens van Enkhuizen.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. [appellant sub 1] richt zich tegen de in het plan opgenomen regeling om ten behoeve van percelen met de bestemming "Wonen" in afwijking van de gebruiksregels een omgevingsvergunning te kunnen verlenen voor de functie van "Bed and breakfast" (hierna: B&B). In dit verband betoogt hij dat de afwijkingsbevoegdheid onvoldoende objectief is begrensd. In de bepaling wordt verwezen naar het gemeentelijk parkeerbeleid waaraan moet worden voldaan. Onduidelijk is wat daar onder moet worden verstaan. Voor zover daarbij wordt gedoeld op het systeem dat volgens de gemeentelijke parkeerverordening aan B&B’s onbeperkt bezoekersparkeerkaarten worden verstrekt, zal een B&B altijd aan de parkeervoorwaarden uit de afwijkingsregeling voldoen. Naar [appellant sub 1] stelt is volgens parkeeronderzoeken de parkeerdruk in het deel van de binnenstad waar hij woont al heel hoog. De raad had ten minste nader onderzoek moeten doen naar de gevolgen van de afwijkingsbevoegdheid voor de parkeerdruk in de binnenstad. De afwijkingsregeling omvat niet het meewegen van de parkeerdruk. Het belang van omwonenden bij een goed woon- en leefklimaat is onvoldoende in de belangenafweging betrokken, aldus [appellant sub 1].

4. De raad stelt dat de mogelijkheid om een B&B te exploiteren ondergeschikt blijft aan de woonbestemming. Momenteel telt Enkhuizen 15 B&B’s, die niet voor overlast zorgen. Een geleidelijke groei van het aantal B&B’s is met het oog op de toeristische betekenis van Enkhuizen wenselijk. Daarvoor verwijst de raad naar de "Routekaart naar de toekomst - strategische keuzes voor havens, economie, recreatie en toerisme" van 20 november 2013, waarin sprake is van de ontwikkeling van een "B&B-netwerk" in de binnenstad. Een wildgroei van nieuwe B&B’s acht de raad onwaarschijnlijk. In het parkeerbeleid voor B&B’s worden, zo stelt [appellant sub 1] volgens de raad terecht, geen grenzen gesteld aan het aantal parkeervergunningen voor bezoekers, maar dit is gedaan om het bezoek door verblijfstoeristen te stimuleren. Gezien de kleinschaligheid van de B&B’s, de bezettingsgraad en het feit dat wildgroei niet is te verwachten, laten B&B’s zich goed in de woonomgeving inpassen. Bij de afweging omtrent een afwijkingsvergunning zullen ook de effecten voor de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en de woonsituatie worden beoordeeld. Bij verwachte problemen kan een vergunning worden geweigerd. Overigens komen gasten van de B&B’s niet alleen met de auto. Voor het verdelen van de beschikbare parkeerruimte is op 12 mei 2009 het gemeentelijk parkeerbeleid vastgesteld. In een historische binnenstad is het onvermijdelijk dat af en toe tekorten aan parkeerruimte ontstaan. Het "parkeergedrag" van bewoners en bezoekers is overigens blijkens een onderzoek uit 2011 verbeterd ten opzichte van de resultaten van het parkeeronderzoek uit 2008. Er is geen sprake van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat. De afwijkingsmogelijkheid is voldoende objectief begrensd, aldus de raad.

4.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.10, van de planregels wordt onder "bed and breakfast" verstaan: een aan de woonfunctie ondergeschikte toeristisch-recreatieve voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt.

Ingevolge artikel 25, lid 25.1, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf;

b. bijbehorende bouwwerken bij woonhuizen,

en tevens voor:

c. gebouwen ten behoeve van detailhandel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "detailhandel";

d. gebouwen ten behoeve van dienstverlenende bedrijven/dienstverlenende instellingen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "dienstverlening'

e. kantoren, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "kantoor";

f. een hotel en gitaarsalon, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca - hotel/gitaarsalon";

g. garageboxen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - garageboxen",

en daaraan ondergeschikt:

h. wegen, woonstraten en voet- en fietspaden, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang" de bestaande functie van de onderdoorgang dient te worden gehandhaafd;

i. parkeervoorzieningen;

j. groenvoorzieningen;

k. speelvoorzieningen;

l. waterlopen en waterpartijen,

met de daarbij behorende:

m. tuinen en erven;

n. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ten aanzien van de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven geldt dat een hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken mogen worden gebruikt in combinatie met aan-huis-verbonden beroepen of -bedrijven, mits:

1. de gezamenlijke bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke vloeroppervlakte op de begane grond van de aanwezige bebouwing op het perceel, met een maximum van 50 m²;

2. uitsluitend reclame-uitingen zijn toegestaan in overeenstemming met het gemeentelijk reclamebeleid;

3. het niet gaat om vormen van horeca en/of detailhandel, anders dan ondergeschikte en/of productiegebonden detailhandel;

4. het beroep wordt uitgeoefend door één van de bewoners van de woning;

5. het parkeren op eigen erf plaatsvindt, dan wel in overeenstemming is met het gemeentelijk parkeerbeleid;

6. de verkeersdruk in de naaste omgeving niet onevenredig toeneemt als gevolg van de voorgenomen activiteit;

7. op de bij de betreffende woning behorende gronden geen buitenopslag van goederen ten behoeve van het aan huis gebonden beroep plaatsvindt.

4.2. Ingevolge artikel 25, lid 25.4, van de planregels wordt onder met deze bestemming strijdig gebruik begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:

a. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning en bed and breakfast, met uitzondering van de bestaande situatie;

b. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van bed and breakfast en bedrijfsdoeleinden, met uitzondering van aan-huis-verbonden-beroepen en bedrijven, zoals aangegeven in lid 25.1.

Ingevolge lid 25.5 kan het bevoegd gezag, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

het straat- en bebouwingsbeeld;

een goede waterhuishouding;

de verkeersveiligheid;

de woonsituatie,

bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 25.4, sub b en toestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, mits:

a. de gezamenlijke bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke vloeroppervlakte op de begane grond van de aanwezige bebouwing op het perceel, met een maximum van 50 m²;

b. de functie bed and breakfast niet in vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag worden uitgeoefend, met uitzondering van vrijstaande bijbehorende bouwwerken die als karakteristiek kunnen worden of zijn aangemerkt;

c. uitsluitend reclame-uitingen zijn toegestaan in overeenstemming met het gemeentelijk reclamebeleid;

d. het niet gaat om vormen van horeca en/of detailhandel, anders dan ondergeschikte en/of productiegebonden detailhandel;

e. de activiteit wordt uitgeoefend door één van de bewoners van de woning;

f. het parkeren op eigen erf plaatsvindt, dan wel in overeenstemming is met het gemeentelijk parkeerbeleid;

g. de verkeersdruk in de naaste omgeving niet onevenredig toeneemt als gevolg van de voorgenomen activiteit;

h. op de bij de betreffende woning behorende gronden geen buitenopslag van goederen ten behoeve van het bedrijf plaatsvindt.

4.3. Gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient ten aanzien van een afwijkingsbevoegdheid in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro berustende regeling dient derhalve door voldoende objectieve normen te worden begrensd. Naar het oordeel van de Afdeling kan niet worden staande gehouden dat met de voorwaarde in artikel 25, lid 25.5, onder f, van de planregels de afwijkingsbevoegdheid in het onderhavige geval onvoldoende objectief begrensd moet worden geacht. De enkele omstandigheid dat gelet op het gemeentelijk parkeerbeleid, zoals de raad naar voren heeft gebracht, het aantal te verstrekken bezoekersparkeerkaarten voor gasten van B&B’s ongelimiteerd is, is daarvoor onvoldoende. Op grond van de voorwaarde is duidelijk dat pas gebruik kan worden gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid, indien, zo parkeren op het eigen erf niet mogelijk is, het parkeren in overeenstemming is met het gemeentelijk parkeerbeleid. Dat daaraan bij het thans geldende beleid altijd zal worden voldaan, mits de parkeerkaart ook daadwerkelijk voor elke bezoeker wordt aangevraagd, maakt de bepaling niet onduidelijk. Het betoog faalt in zoverre.

4.4. Ten aanzien van het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gaat om een historische binnenstad waar bewoners er rekening mee moeten houden dat niet altijd voor of in de buurt van de voordeur kan worden geparkeerd. Voorts is met de afwijkingsbevoegdheid beoogd ruimte te bieden voor de exploitatie van B&B’s als aan de hoofdbestemming ondergeschikte activiteit binnen de in artikel 25, lid 25.5, van de planregels neergelegde grenzen. Onbestreden is dat het bij de exploitatie van een B&B gaat om een kleinschalige activiteit. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat gelet op het bestaande aantal van 15 B&B’s een grote toename van B&B’s in de binnenstad van Enkhuizen binnen de planperiode is te verwachten. Ook is van belang dat de desbetreffende bezoekers niet allemaal met de auto komen. Zoals de raad ter zitting nader heeft toegelicht wordt als onderdeel van het verkeersplan de parkeerbezettingsgraad in de binnenstad gemonitord en worden zo nodig maatregelen getroffen. Gelet daarop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet te verwachten is dat bij gebruikmaking van de ontheffingsbevoegdheid de toename van de parkeerdruk in de binnenstad zodanig zal zijn dat ter plaatse geen sprake meer is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het ontbreken van een afzonderlijk voorschrift dat de parkeerdruk niet onevenredig toeneemt als gevolg van de voorgenomen activiteit maakt het niet anders. Bij de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid dient het bevoegd gezag gelet op artikel 25, lid 25.5, aanhef, van de planregels te bezien of geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de woonsituatie. Het betoog faalt voor het overige.

5. Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

Het beroep van Het Grote Water B.V.

6. Het beroep van Het Grote Water B.V. richt zich tegen het plandeel voor het perceel Paktuinen 4-6. Zij betoogt dat voor deze locatie ten onrechte geen wijzigingsbevoegdheid in het plan is opgenomen. Het is niet nodig dat daarvoor al concrete bouwinitiatieven moeten bestaan. Er zijn voldoende ruimtelijke kaders, waarbij Het Grote Water B.V. verwijst naar de Stadsvisie Enkhuizen 2030 en de Structuurvisie Enkhuizen 2020. Daarnaast is er het Werkboek Enkhuizen Oude Haven dat als bijlage bij het plan is opgenomen.

6.1. De raad stelt dat zolang niet duidelijk is welke invulling het gebied krijgt, hij geen aanleiding ziet voor het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid. Er zijn geen concrete initiatieven of afspraken met de gemeente. Onder deze omstandigheden zou een wijzigingsbevoegdheid voor de omwonenden een grote mate van onzekerheid met zich brengen, omdat deze bevoegdheid dan een grote reikwijdte wat mogelijke stedelijke functies betreft zou hebben. Het Werkboek is niet juridisch bindend, maar vormt een inspiratiebron voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied.

6.2. Blijkens de verbeelding is het perceel Paktuinen 4-6 bestemd als "Gemengd-Paktuinen 4-6". Het perceel maakt deel uit van de ontwikkellocatie 11 "Oude Haven". Voor deze locatie is in het plan geen ontwikkelingsregeling opgenomen. Gelet op de toelichting kunnen aldaar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt door een afzonderlijk postzegelbestemmingsplan of een afwijking op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a sub 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).

6.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad gelet op het ontbreken van duidelijkheid over de mogelijke toekomstige ontwikkelingen in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien voor het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid. De documenten waarnaar Het Grote Water B.V. verwijst, bieden geen grond voor een ander oordeel. Het betoog faalt.

7. Door de bestemming "Gemengd-Paktuinen 4-6" op te nemen heeft de raad volgens Het Grote Water B.V. ten onrechte de gebruiksmogelijkheden op het perceel ingeperkt. Er zijn namelijk momenteel geen bestaande bedrijven gevestigd in de vervaardiging, reparatie en opslag van schepen en scheepsbenodigdheden, met daaraan ondergeschikt scheepsmakelaardij. De beperking tot bestaande bedrijven heeft tot gevolg dat de op grond van de in mei 2008 verleende bouwvergunning toegelaten nautisch gerichte werkzaamheden ten onrechte niet positief zijn bestemd.

7.1. De raad stelt dat met het toestaan van bestaande bedrijven voor vervaardiging, reparatie en opslag van schepen en scheepsbenodigdheden in de in het plan opgenomen bestemming "Gemengd - Paktuinen 4-6" is bedoeld om tegemoet te komen aan Het Grote Water B.V. Onder het begrip "bestaand" zijn in dit verband ook bestaande, vergunde en daarmee legale activiteiten op het terrein bedoeld. De verleende bouwvergunning kan worden uitgevoerd. Er is geen sprake van een beperking van de gebruiksmogelijkheden.

7.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.15, van de planregels wordt onder bestaand verstaan:

a. ten aanzien van de bij of krachtens de Woningwet c.q. de Wabo aanwezige bouwwerken en de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden: bestaand ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan als ontwerp;

b. ten aanzien van het overige gebruik: bestaand ten tijde van het van kracht worden van het betreffende gebruiksverbod, niet zijnde illegaal gebruik.

Ingevolge artikel 11, lid 11.1, onder c, zijn de voor "Gemengd - Paktuinen 4-6" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van bestaande bedrijven in de vervaardiging, reparatie en opslag van schepen en scheepsbenodigdheden, met daaraan ondergeschikt scheepsmakelaardij,

7.3. Bij besluit van 15 mei 2008 is bouwvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfsruimte op het oostelijk deel van het perceel Paktuinen 4-6 ten behoeve van het vervaardigen, repareren en opslag van schepen met daaraan ondergeschikt scheepsmakelaardij. Dit besluit is in rechte onaantastbaar. De bedrijfsruimte is nog niet gerealiseerd.

7.4. De Afdeling overweegt dat de raad heeft beoogd om hetgeen bij voormeld besluit is vergund als zodanig te bestemmen. Met de zinsnede "bestaande bedrijven" in artikel 11, lid 11.1, onder c, van de planregels is gelet op de definitie van "bestaand" in artikel 1, lid 1.15, niet geregeld dat activiteiten die op grond van voormelde bouwvergunning planologisch mogelijk zijn, maar nog niet feitelijk plaatsvinden, als zodanig zijn bestemd. Het besluit is in zoverre niet zorgvuldig voorbereid. Het betoog slaagt.

8. Het Grote Water B.V. betoogt dat de bouwmogelijkheden op het perceel ten onrechte zijn ingeperkt. De grenzen van het bouwvlak zijn strak rond de bestaande gebouwen en de locatie waarop ingevolge voormelde bouwvergunning een pand mag worden gerealiseerd, getrokken. In het vorige plan mochten ook op de gronden daarbuiten met de bestemming "Bedrijfsterreinen met bebouwing" gebouwen worden gebouwd. Voorts zijn de goot- en de bouwhoogte ingeperkt. Het continueren van de bestaande bouwmogelijkheden is ruimtelijk aanvaardbaar. De richtafstanden uit de VNG brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: de VNG-brochure) staan daaraan niet in de weg, aldus Het Grote Water B.V.

8.1. De raad ziet wat de bouwmogelijkheden betreft geen aanleiding om aan te sluiten bij de maten uit het vorige plan. Het plan is in zoverre actualiserend. Aangesloten is bij de bestaande goot- en bouwhoogte. Het vorige plan was sterk verouderd. Overigens zijn de hoogtes van de vergunde nog niet gebouwde bedrijfsruimte ook toegestaan.

8.2. De Afdeling overweegt dat de raad wat de in het plan voorziene bouwmogelijkheden betreft in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij de bestaande bebouwing. Daarbij betrekt de Afdeling dat de bedrijfsruimte die op grond van voormelde bouwvergunning mag worden gebouwd binnen het bouwvlak kan worden gerealiseerd. Voorts mag de raad het van groot belang achten om zolang nog geen duidelijkheid bestaat over de mogelijke toekomstige ontwikkeling van het perceel Paktuinen 4-6 daarop niet vooruit te lopen.

Het Grote Water B.V. heeft niet aannemelijk gemaakt dat er concrete plannen zijn ter invulling van het plangebied. De raad heeft zich tevens op het standpunt mogen stellen dat bij een wijziging van de vergunde activiteiten ter plaatse opnieuw een afweging van de milieueffecten noodzakelijk is, waarbij de richtafstanden uit de VNG-brochure worden betrokken. Het betoog faalt.

9. Het Grote Water B.V. betoogt dat in strijd is gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. In hetzelfde gebouw als het hoofdgebouw op het perceel van Het Grote Water B.V. bevindt zich een restaurant waarvoor een hogere goot- en bouwhoogte is toegestaan. Aan het Waaigat bevindt zich een locatie die vergelijkbaar is en waarvoor de vigerende hoogtematen die niet zijn gerealiseerd zijn behouden.

9.1. Over de door Het Grote Water B.V. gemaakte vergelijkingen overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van het restaurant is aangesloten bij de daadwerkelijke goot- en bouwhoogte van ongeveer tweederde deel van het restaurant en voorts dat het verschil in hoogte met het naastgelegen restaurant dermate gering is dat niet kan worden staande gehouden dat daarmee het gelijkheidsbeginsel is geschonden en dat de locatie aan het Waaigat niet op één lijn is te stellen met het perceel Paktuinen 4-6. Voor het perceel Paktuinen 4-6 is, anders dan voor de locatie Waaigat, de functionele en stedenbouwkundige invulling nog onduidelijk. In hetgeen Het Grote Water B.V. heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door Het Grote Water B.V. genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

10. Het Grote Water B.V. betoogt dat op de verbeelding voor het perceel de aanduiding "horeca tot en met categorie 2" is opgenomen, maar deze is in de planregels niet geregeld. Naar aanleiding van de zienswijze zou dit worden gecorrigeerd, maar dat is niet gebeurd. Het plan voorziet dus niet in hetgeen de raad heeft beoogd.

10.1. De raad stelt dat Het Grote Water B.V. terecht naar voren heeft gebracht dat de aanduiding "horeca tot en met categorie 2" geen betekenis heeft. Maar het is ook niet de bedoeling om in algemene zin zelfstandige horeca tot en met categorie 2 op het perceel Paktuinen 4-6 mogelijk te maken.

10.2. De Afdeling overweegt dat uit de beantwoording van de zienswijze niet kan worden afgeleid dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat in de planregels voor de bestemming "Gemengd - Paktuinen 4-6" een regeling zal worden opgenomen voor de aanduiding "horeca tot en met categorie 2". Het is enkel de bedoeling voor het voorziene bowling- en biljartcentrum ondersteunende horeca mogelijk te maken. Dit standpunt van de raad acht de Afdeling niet onredelijk. Het betoog faalt.

11. Het beroep van Het Grote Water B.V. is gegrond. Het besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft artikel 11, lid 11.1, onder c, van de planregels.

12. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door artikel 11, lid 11.1, onder c, van de planregels aldus aan te vullen dat tevens de op grond van de bij besluit van 15 mei 2008 verleende bouwvergunning planologisch mogelijk gemaakte bedrijven in de vervaardiging, reparatie en opslag van schepen en scheepsbenodigdheden, met daaraan ondergeschikt scheepsmakelaardij, als zodanig is bestemd. De Afdeling zal voorts bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van dit planonderdeel in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd. Niet aannemelijk is dat derden daardoor in hun belangen worden geschaad. De bestemming "Gemengd-Paktuinen 4-6" ziet enkel op het perceel van Het Grote Water B.V. en met de planregel wordt niet meer mogelijk gemaakt dan mogelijk is op grond van voormelde bouwvergunning.

13. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling voorts aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

14. Ten aanzien van Het Grote Water B.V. is niet van voor vergoeding in aanmerking komende kosten gebleken. Ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Het Grote Water B.V. gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Enkhuizen van 11 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Binnenstad en Havens" voor zover het betreft artikel 11, lid 11.1, onder c, van de planregels;

III. bepaalt dat artikel 11, lid 11.1, onder c, van de planregels als volgt komt te luiden: "gebouwen ten behoeve van bestaande of op grond van de bij besluit van 15 mei 2008 verleende bouwvergunning planologisch mogelijk gemaakte bedrijven in de vervaardiging, reparatie en opslag van schepen en scheepsbenodigdheden, met daaraan ondergeschikt scheepsmakelaardij,";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit voor zover vernietigd;

V. draagt de raad van de gemeente Enkhuizen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat onderdeel III wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.;

VI. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] ongegrond;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Enkhuizen aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Het Grote Water B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van €318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

w.g. Polak w.g. Zwemstra

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014

91.