Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3058

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
201307503/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2013 heeft het college ten behoeve van het inpassingsplan "Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard" hogere grenswaarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting voor 23 woningen aan de Rijksstraatweg te Ridderkerk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307503/1/R6.

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Ridderkerk,

2. Bewonersvereniging Rijksstraatweg 326 t/m 408 Nieuw Reijerwaard 2020, gevestigd te Ridderkerk,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2013 heeft het college ten behoeve van het inpassingsplan "Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard" hogere grenswaarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting voor 23 woningen aan de Rijksstraatweg te Ridderkerk.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en de Bewonersvereniging beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

De Bewonersvereniging heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting samen met zaak nr. 201306769/1/R6 behandeld op 13 januari 2014, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], de Bewonersvereniging, vertegenwoordigd door mr. H.P.G. Jansen, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

Het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B]

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] zijn woonachtig aan de [locatie] te Ridderkerk. Het bestreden besluit heeft onder meer betrekking op hun woning. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] voeren aan dat ten onrechte geen geluidreducerende maatregelen worden getroffen. Zij stellen een aantal mogelijke maatregelen voor.

Ter zitting hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] aangevoerd dat de grondwal die in de groene zone wordt gerealiseerd doorgetrokken kan worden tot aan de Rijksstraatweg, zodat de toekomstige aansluiting van de Verbindingsweg op het turboverkeersplein aan hun zicht wordt onttrokken. Zij menen dat dit een positieve uitwerking kan hebben op de beleving van het geluid.

1.1. Het college stelt dat als geluidreducerende maatregel de maximumsnelheid op de Verbindingsweg wordt verlaagd van 80 km/uur naar 50 km/uur. Andere snelheids- of verkeersreducerende maatregelen zijn overwogen, maar vanuit verkeerskundig oogpunt bezwaarlijk volgens het college. Het toepassen van geluidreducerend asfalt op het turboverkeersplein is volgens het college technisch niet mogelijk. Ook een geluidscherm of -wal is niet mogelijk, omdat aan de noordzijde van de Rijksstraatweg een fietspad is voorzien en een scherm de zichthoeken van het verkeer te veel beperkt, aldus het college. De hogere waarden zijn vastgesteld met het oog op de aanpassingen aan de toe- en afrit van de A15 en de IJsselmondse Randweg. De door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] voorgestelde maatregelen hebben volgens het college niet het gewenste geluidreducerende effect op de geluidbelasting vanwege die wegen. Daarnaast is een aantal van die maatregelen uit het oogpunt van verkeersveiligheid niet wenselijk, aldus het college.

Ter zitting heeft het college gesteld de mogelijkheid van het doortrekken van de grondwal in de groene zone richting de Rijksstraatweg te willen onderzoeken. Het inpassingsplan maakt dit volgens het college mogelijk. Dit zou echter geen maatregel zijn die de geluidbelasting vanwege een weg waarvoor een hogere waarde is vastgesteld terugbrengt en het eventueel kunnen treffen van die maatregel heeft daarom volgens het college geen gevolgen voor het bestreden besluit.

1.2. Ingevolge artikel 110a, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) zijn burgemeester en wethouders binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting.

Ingevolge artikel 110a, vijfde lid, kan het college slechts toepassing geven aan de in het eerste lid van dit artikel toegekende bevoegdheid tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege de weg, van de gevel van de betrokken woningen tot de hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

1.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college voldoende onderzocht of toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege de weg, van de gevel van de betrokken woning tot de hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Anders dan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] stellen, wordt wel een geluidreducerende maatregel genomen, namelijk in de vorm van het verlagen van de maximumsnelheid op de Verbindingsweg. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding is voor toepassing van andere maatregelen en dat de maatregelen die [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] voorstellen, namelijk het aanleggen van een grondlichaam bij de aansluiting Rijksstraatweg/Verbindingsweg, het verhogen van wegafscheidingen of bermen, de verhoging van het middengebied van het turboverkeersplein en het laten vervallen van het keerpunt aan het einde van de Rijksstraatweg, voor hun woning onvoldoende geluidreducerende werking zullen hebben op het geluid vanwege de IJsselmondse Randweg en de A15. Met het oog op het geluid van deze wegen is het bestreden besluit genomen. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college in zoverre geen toepassing heeft mogen geven aan zijn bevoegdheid om hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vast te stellen.

Het betoog faalt.

2. Voorts betogen [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de geluidbelasting in de tuin en met de geluidbelasting bij voor de noodzakelijke ventilatie geopende ramen.

2.1. Ingevolge artikel 100a, eerste lid, van de Wgh kan voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel van woningen een hogere waarde dan de ingevolge artikel 100 geldende worden vastgesteld, met dien verstande dat:

a. de verhoging 5 dB niet te boven mag gaan, behoudens in gevallen waarin: 1° ten gevolge van de reconstructie de geluidsbelasting van de gevel van ten minste een gelijk aantal woningen elders met een ten minste gelijke waarde zal verminderen, en

2° de wegbeheerder heeft verklaard dat hij financiële middelen ter beschikking stelt uiterlijk voor afloop van de reconstructie ten behoeve van de toepassing van artikel 90 of artikel 111b, tweede of derde lid, met betrekking tot woningen die door de reconstructie een hogere geluidsbelasting ondervinden, en

b. ingeval voor de betrokken woning eerder toepassing is gegeven aan artikel 83 of artikel 84, tweede lid, zoals dat luidde voor 1 september 1991 of, indien geen toepassing is gegeven aan het betrokken artikel en de heersende waarde 53 dB niet te boven gaat, de waarde niet hoger mag worden gesteld dan:

1° 58 dB bij een reconstructie van een weg in buitenstedelijk gebied en

2° 63 dB bij een reconstructie van een weg in stedelijk gebied.

Ingevolge artikel 1.5, derde lid, van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 (hierna: RMV 2006) wordt, indien het equivalente geluidsniveau wordt bepaald ter plaatse van de gevel van een woning of ander geluidsgevoelig gebouw, slechts rekening gehouden met het op de gevel invallende geluid.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 november 2012, zaak nr. 201108191/1/R4), heeft een besluit tot het vaststellen van hogere waarden als bedoeld in artikel 100a, eerste lid, van de Wgh, zoals in deze procedure ter beoordeling staat, betrekking op de vaststelling van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel van woningen. De geluidbelasting in een tuin speelt hierbij geen rol. Evenmin speelt een rol of in de desbetreffende gevel al dan niet geopende ramen aanwezig zijn. Het betoog faalt.

3. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] voeren verder aan dat de gecumuleerde geluidbelasting te laag is ingeschat en zij verwijzen daarbij naar een geluidmeting van DCMR.

3.1. In het rapport "Akoestisch onderzoek Ontwikkeling bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard te Ridderkerk" van 3 mei 2013 (hierna: akoestisch onderzoek van 3 mei 2013) is de toekomstige gecumuleerde geluidbelasting voor de woning van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] berekend op 63 dB, aldus het college. Het college stelt zich op het standpunt dat deze berekening op basis van een modellering van de gehele toekomstige situatie een nauwkeuriger voorspelling oplevert dan de verwachting van DCMR op basis van metingen. Daarbij komt volgens het college dat bij de geluidmeting geen rekening is gehouden met de afschermende werking van de woning zelf, omdat door middel van een microfoon in het vrije veld is gemeten, terwijl volgens het RMV 2006 het invallend geluidniveau op de gevel van de woning moet worden berekend.

3.2. Ingevolge artikel 110a, zesde lid, van de Wgh geven burgemeester en wethouders, indien artikel 110f van toepassing is, slechts toepassing aan het derde en vierde lid voor zover de gecumuleerde geluidsbelastingen na de correctie op grond van artikel 110f, derde lid, niet leiden tot een naar hun oordeel onaanvaardbare geluidsbelasting.

Ingevolge artikel 110f, eerste lid, dient degene, die bij of krachtens deze wet verplicht is tot het verrichten van een akoestisch onderzoek, indien een van de volgende onderdelen van deze wet of van het krachtens deze onderdelen bepaalde: a. Afdeling 1 en afdeling 2 van hoofdstuk V, b. Afdeling 2, 3 en 4 van hoofdstuk VI, c. hoofdstuk VII, en d. hoofdstuk VIII, van toepassing is op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen gelegen in twee of meer aanwezige of toekomstige geluidszones als bedoeld in de artikelen 40, 52, 74 en 108, of als vastgesteld krachtens artikel 107, dan wel in één of meer hiervoor genoemde geluidszones alsmede in een met het oog op de geluidsbelasting vastgesteld beperkingengebied als bedoeld in hoofdstuk 8, titel 8A.6 of artikel 10.17 van de Wet luchtvaart, ter plaatse van die woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, overeenkomstig de door Onze Minister gestelde regels, tevens onderzoek te doen naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidsbronnen. Aangegeven dient te worden op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij de te treffen maatregelen.

3.3. Uit artikel 110a, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 110f, eerste lid, van de Wgh, volgt dat indien een geluidgevoelige bestemming waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld in de zone van meerdere geluidbronnen, zoals wegverkeer, railverkeer of industrie ligt, inzichtelijk dient te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. Omdat de woning van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], waarvoor een hogere grenswaarde is vastgesteld, in de zone van wegen en een spoorweg staat, bestond in zoverre op grond van de Wgh de verplichting de gecumuleerde geluidbelasting te bepalen. De gecumuleerde geluidbelastingen zijn berekend en weergegeven in bijlage 13 van het akoestisch onderzoek van 3 mei 2013. Daaruit blijkt dat de gecumuleerde geluidbelasting ten hoogste 63 dB bedraagt. Dit geldt onder meer ter plaatse van de woning van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B].

3.3.1. In het geluidmeetrapport van DCMR van 27 mei 2013 (hierna: geluidmeetrapport) staat dat de geluidberekeningen die Oranjewoud in het akoestisch onderzoek ten behoeve van het inpassingsplan heeft gemaakt zijn geverifieerd op basis van geluidmetingen. Op basis van die metingen, die in de periode van 1 maart 2013 tot en met 19 april 2013 zijn uitgevoerd ter hoogte van de woning van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], is de geluidbelasting in Lden berekend. De gemiddelde gemeten geluidbelasting ter hoogte van het meetpunt van DCMR ter hoogte van de woning aan de [locatie] bedraagt 62 dB Lden. Op basis daarvan heeft DCMR de verwachting uitgesproken dat de toekomstige geluidbelasting, na realisatie van het bedrijventerrein, 64 dB Lden kan zijn. De Lden-waarde geeft het gemiddelde geluidniveau voor de dagperiode, de avondperiode en de nachtperiode weer. Dit is derhalve een maat om de gemiddelde geluidbelasting per etmaal in uit te drukken. Ingevolge bijlage 1, hoofdstuk 2, bij het RMV 2006 is de gecumuleerde geluidbelasting (LVL,CUM) in bijlage 13 van het akoestisch onderzoek van 3 mei 2013 ook in Lden uitgedrukt. De Afdeling acht niet onaannemelijk dat, zoals het college heeft gesteld, bij metingen hogere waarden voor kunnen komen dan bij berekeningen, vanwege het verschil tussen een vrije veld-situatie bij een meting en het invallend geluid op de gevel bij een berekening. Ingevolge artikel 1.5, derde lid, van het RMV 2006 wordt, indien het equivalente geluidniveau wordt bepaald ter plaatse van de gevel van een woning of ander geluidsgevoelig gebouw, slechts rekening gehouden met het op de gevel invallende geluid. In hetgeen [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling gelet daarop geen aanleiding voor het oordeel dat het college de gecumuleerde geluidbelasting gelet op de uitkomsten van het geluidmeetrapport heeft onderschat.

3.3.2. De woning van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] staat niet in de zone van een gezoneerd industrieterrein als bedoeld in artikel 40 en artikel 52 van de Wgh, zodat op grond van de Wgh geen verplichting bestond de te verwachten geluidbelasting vanwege de bedrijven in de omgeving te betrekken bij het onderzoek naar de gecumuleerde geluidbelasting. Voor zover wordt betoogd dat de geluidhinder vanwege die bedrijven niet op juiste wijze in de berekening van de gecumuleerde geluidbelasting is betrokken kan dit dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Overigens blijkt uit het akoestisch onderzoek dat bij de berekening van de cumulatieve geluidbelasting ook het geluid afkomstig van bedrijven in de omgeving is meegeteld, zodat aannemelijk is dat de berekende waarden in dat opzicht een zekere overschatting van de gecumuleerde geluidbelasting, voor zover relevant in het kader van de Wgh, opleveren.

Het betoog faalt.

4. Het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] is gelet op het voorgaande ongegrond.

Het beroep van de Bewonersvereniging

5. Voor een aantal woningen van leden van de Bewonersvereniging zijn hogere geluidgrenswaarden vastgesteld in het bestreden besluit. De Bewonersvereniging voert aan dat het akoestisch onderzoek van 3 mei 2013 dat aan het besluit ten grondslag ligt ten onrechte is gebaseerd op het ontwerpinpassingsplan.

5.1. Volgens het college is bij het akoestisch onderzoek van 3 mei 2013 uitgegaan van het meest recente ontwerp van het inpassingsplan. De wijzigingen die bij de vaststelling van het inpassingsplan daarin zijn aangebracht zijn van ondergeschikte aard en hebben geen consequenties voor de berekende geluidbelasting, aldus het college.

5.2. Ingevolge artikel 76, eerste lid, van de Wgh worden bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen, van andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen binnen die zone de waarden in acht genomen, die ingevolge artikel 82 en 100 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.

Ingevolge het tweede lid, worden in afwijking van het eerste lid bij de vaststelling van een bestemmingsplan hogere waarden in acht genomen, voor zover:

a. met toepassing van artikel 83, 85 of 100a voor de vaststelling van het bestemmingsplan zodanige waarden zijn vastgesteld, dan wel

b. zodanige waarden noodzakelijk zijn als gevolg van een vaststelling van het plan in afwijking van het ontwerp, zoals dit ter inzage heeft gelegen, welke waarden redelijkerwijs met toepassing van artikel 83, 85 of 100a, zullen worden vastgesteld.

5.3. Omdat ingevolge artikel 76, tweede lid, van de Wgh is vereist dat de hogere waarden zijn vastgesteld voordat het bestemmings- of inpassingsplan waarvoor de hogere waarden nodig zijn wordt vastgesteld, is het niet mogelijk bij de vaststelling van hogere waarden uit te gaan van het vastgestelde plan. Voor zover de Bewonersvereniging betoogt dat het vastgestelde inpassingsplan leidt tot een hogere geluidbelasting dan het ontwerpplan, is dit een aspect dat in de procedure met betrekking tot het inpassingsplan aan de orde kan komen en niet in de onderhavige procedure. Overigens is in de uitspraak van heden in zaak nr. 201306769/1/R6 overwogen dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat nader akoestisch onderzoek naar aanleiding van de gewijzigde vaststelling van het plan - met uitzondering van akoestisch onderzoek naar de gevolgen van toepassing van de wijzigingsbevoegdheid voor een ontsluitingsweg naar de Hoogzandweg - achterwege kon blijven, omdat de Bewonersvereniging niet aannemelijk heeft gemaakt dat de wijzigingen die bij de vaststelling van het inpassingsplan zijn doorgevoerd akoestisch relevant zijn.

6. Voorts is volgens de Bewonersvereniging ten onrechte gebruik gemaakt van het RMV 2006, omdat deze regeling is vervangen door het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012, en van de in het RMV 2006 opgenomen standaardrekenmethode II (hierna: SRM II). Volgens de Bewonersvereniging kan van SRM II geen gebruik worden gemaakt als, zoals in dit geval, niet wordt voorzien in geluidwerende maatregelen.

6.1. Ingevolge artikel XI, eerste lid, aanhef en onder c, van de Invoeringswet geluidproductieplafonds blijft de Wgh en de daarop gebaseerde regelgeving zoals deze gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing op de onderstaande besluiten of handelingen, totdat deze onherroepelijk zijn geworden:

(…)

c. het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting waarvoor de bekendmaking van het voornemen tot het indienen van een verzoek tot het vaststellen van die hogere waarde heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kan de Wgh en de daarop gebaseerde regelgeving zoals deze gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet tevens worden toegepast op de in het eerste lid genoemde besluiten, totdat deze onherroepelijk zijn geworden, indien de in de onderdelen a tot en met g genoemde handelingen met betrekking tot deze besluiten hebben plaatsgevonden vóór de eerste dag van:

a. de twaalfde maand volgend op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet indien het onderdeel a betreft, daaronder tevens begrepen de onder c opgenomen hogere waarden besluiten die daar mee samenhangen.

6.2. Nu het ontwerpinpassingsplan van 16 november 2012 tot en met 27 december 2012 ter inzage heeft gelegen, kon het college het RMV 2006 gelet op voornoemde bepalingen toepassen bij het verrichten van het akoestisch onderzoek. Het betoog faalt.

6.3. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van heden in zaak nr. 201306769/1/R6, kan gezien artikel 110d van de Wgh in samenhang met het RMV 2006 slechts worden geconcludeerd dat de geluidbelasting onjuist is bepaald, wanneer deze niet overeenkomstig de in het RMV 2006 gestelde regels is vastgesteld. In voornoemde uitspraak is geoordeeld dat SRM II in het onderhavige geval overeenkomstig artikel 3.3, eerste lid, van het RMV 2006 is toegepast. Het betoog faalt.

7. De Bewonersvereniging voert aan dat in het akoestisch onderzoek van slechts één type windturbine met een vermogen van 3 MW is uitgegaan, terwijl dit type in het inpassingsplan niet is voorgeschreven en aan het vermogen van de windturbines geen beperkingen zijn gesteld.

7.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van heden in zaak nr. 201306769/1/R6, is in het rapport "Validatie Milieueffectrapport bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard t.b.v. 9 MW windenergie" van 8 maart 2013 uitgegaan van drie windturbines met een maximale hoogte van 150 m en een ashoogte van 100 m. Dit is in overeenstemming met de maximale mogelijkheden die het inpassingsplan biedt. Voorts is in voornoemde uitspraak overwogen dat de Afdeling geen aanleiding ziet om aan de uitkomsten van het "Akoestisch onderzoek voor windturbines op het bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard te Ridderkerk" van 18 oktober 2013 te twijfelen en dat niet aannemelijk is gemaakt dat dit onderzoek niet is gebaseerd op een representatief type windturbine. Het betoog faalt.

8. De Bewonersvereniging betoogt verder dat niet duidelijk is waarom uit bijlage 13 van het akoestisch onderzoek van 3 mei 2013 niet blijkt dat sprake is van een hogere cumulatieve geluidbelasting vanwege weg- en industrielawaai dan de geluidbelasting die in het akoestisch onderzoek van 30 oktober 2012 is berekend. Bij het akoestisch onderzoek van 3 mei 2013 zijn volgens de Bewonersvereniging meer geluidbronnen van industrielawaai betrokken en is van een hoger bronvermogen van windturbines uitgegaan.

8.1. Volgens het college bestaat het verschil in bronvermogens erin dat in het akoestisch onderzoek van 30 oktober 2012 de bestaande bedrijventerreinen Veren Ambacht en Barendrecht Noordoost met één bronvermogen van 50 dB(A)/m² behorend bij milieucategorie 3 zijn gemodelleerd en in het akoestisch onderzoek van 3 mei 2013 met meerdere bronvermogens variërend van 50 dB(A)/m² tot 57,5 dB(A)/m², behorend bij verschillende milieucategorieën. Verder is in het akoestisch onderzoek van 3 mei 2013 gerekend met een hoger bronvermogen van de windturbines. Het college stelt dat deze wijzigingen in de bronvermogens hebben geleid tot een hogere berekende geluidbelasting als gevolg van industrielawaai en verwijst naar bijlage 13 bij de akoestische onderzoeken.

8.2. Anders dan de Bewonersvereniging stelt, laat bijlage 13 bij het akoestisch onderzoek van 3 mei 2013 hogere gecumuleerde geluidbelastingen zien dan bijlage 13 bij het akoestisch onderzoek van 30 oktober 2012. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag. Overigens hebben de betrokken geluidbronnen vanwege industrielawaai geen betrekking op een gezoneerd industrieterrein, zodat op grond van de Wgh geen verplichting bestond de te verwachten geluidbelasting vanwege de bedrijven in de omgeving te betrekken bij het onderzoek naar de gecumuleerde geluidbelasting, zoals is overwogen in 3.3.2.

9. Het beroep van de Bewonersvereniging is gelet op het voorgaande ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Klein Nulent

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014

568-780.