Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3053

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
201405187/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij brief van 23 juni 2014 heeft de raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2014 in zaaknr. 201304654/1/R4.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201405187/1/R4.

Datum uitspraak: 8 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van de raad van de gemeente Ooststellingwerf om het treffen van een voorlopige voorziening.

Procesverloop

Bij brief van 23 juni 2014 heeft de raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2014 in zaaknr. 201304654/1/R4.

[belanghebbende A] en [belanghebbende B] en Motorcrossclub Ooststellingwerf hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 juli 2014, waar de raad, vertegenwoordigd door T. Wuite en P. Woudstra, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen, als ook S. de Boer, wethouder van de gemeente Ooststellingwerf.

Overwegingen

1. De raad stelt dat sinds de uitspraak van 18 juni 2014, waarbij de Afdeling het besluit van 26 februari 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Motorcrossterrein Prikkedam" heeft vernietigd, voor een deel van het plangebied geen bestemmingsplan meer geldt. Gelet hierop verzoekt de raad om een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat daar ontwikkelingen kunnen plaatsvinden zolang geen nieuw planologisch regime geldt of een voorbereidingsbesluit is genomen.

2. Het verzoek van de raad om een voorlopige voorziening is behandeld als een verzoek gedaan op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

3. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4. Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb vereist connexiteit tussen het ingediende verzoek en een besluit waartegen bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld. De in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb gegeven bevoegdheid kan slechts worden toegepast binnen de werking van een bestreden besluit en slechts zolang daarover een procedure loopt. Het verzoek van de raad heeft geen betrekking op een besluit waarover een procedure loopt. Dit betekent dat het verzoek in het kader van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het ter zitting gedane beroep op de uitspraak van de rechtbank Almelo van 25-7-2003 (ECLI:NL:RBALM:2003:AH9479) maakt dit niet anders. De daar besliste casus - het treffen van een voorlopige voorziening door de rechtbank nadat deze uitspraak had gedaan maar nog voordat deze uituitspraak onherroepelijk was - is niet vergelijkbaar met de onderhavige situatie nu de uitspraak van 18 juni 2014 onherroepelijk is.

Voor zover de raad heeft gewezen op artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, wordt opgemerkt dat het daar gaat om de bevoegdheid van de bodemrechter om bij het wijzen van een einduitspraak een voorlopige voorziening te treffen. De conclusie van de Advocaat-Generaal van de Hoge Raad van 9-3-2012 (ECLI:NL:PHR:2012:BT2202) waarnaar de raad in dit verband heeft verwezen, betreft de verhouding tussen artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb en artikel 28,7 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en niet het toepassen van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb nadat de bodemrechteruitspraak heeft gedaan in het kader waarvan geen toepassing aan dat artikellid is gegeven.

5. Het verzoek is niet-ontvankelijk.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2014

433.