Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3038

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
201401655/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:1048, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 maart 2013 heeft het college aan BMAC een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en in werking hebben van het motorcrossterrein 'het Kappermaat circuit' aan De Brille 1 te Ruurlo.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet geluidhinder
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/845
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6383

Uitspraak

201401655/1/A4.

Datum uitspraak: 13 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Berkelland,

2. de vereniging Vereniging Borculose Motor- en Autoclub (hierna: BMAC), gevestigd te Borculo, gemeente Berkelland,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland, van 16 januari 2014 in zaak nr. 13/2499 in het geding tussen:

[wederpartij] en anderen, allen wonend te [woonplaats], gemeente Berkelland

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2013 heeft het college aan BMAC een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en in werking hebben van het motorcrossterrein 'het Kappermaat circuit' aan De Brille 1 te Ruurlo.

Bij uitspraak van 16 januari 2014 heeft de rechtbank het door [wederpartij] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 19 maart 2013 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en BMAC hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] en anderen hebben een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 27 juni 2014 heeft het college het besluit van 19 maart 2013 gewijzigd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2014, waar het college, vertegenwoordigd door R.L. Borkes, P. Bovenmasch en J.G. Haas, en BMAC, vertegenwoordigd door mr. W.J.J. van Eijk en M.J.L.A. Spliethof, zijn verschenen. Voorts zijn [wederpartij] en anderen als partij gehoord.

Overwegingen

ONTVANKELIJKHEID HOGER BEROEP VAN HET COLLEGE

1. [wederpartij] en anderen stellen zich op het standpunt dat het hoger beroep van het college niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de gronden van het hoger beroep buiten de daartoe gestelde termijn door de Afdeling zijn ontvangen.

1.1. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge het tweede lid, is bij verzending per post een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn per post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, bevat een beroepschrift de gronden van het beroep.

Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 6:24 zijn deze artikelen van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep kan worden ingesteld.

1.2. Het college heeft de gronden van het hoger beroep niet in het beroepschrift vermeld. De Afdeling heeft het college tot en met 26 maart 2014 in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. Uit de stukken blijkt dat de brief waarin de gronden zijn vermeld, op 26 maart 2014 en derhalve voor afloop van de gestelde termijn bij PostNL ter post is bezorgd en dat deze op 27 maart 2014 door de Afdeling is ontvangen. Nu de gronden binnen een week na afloop van de gestelde termijn zijn ontvangen, zijn de gronden van het hoger beroep tijdig ontvangen, zodat het hoger beroep ontvankelijk is.

INHOUDELIJKE BEOORDELING HOGER BEROEPEN

2. Bij het besluit van 19 maart 2013 is vergunning verleend voor trainingen op de dinsdagavond van 17.30 tot 19.00 uur in de periode van 1 april tot en met 30 september en op de zaterdagmiddag van 13.30 tot 17.00 uur in de periode van 1 maart tot 31 oktober. Bij deze trainingen mogen maximaal 30 renners tegelijk in de motorcrossbaan rijden. Verder zijn de volgende activiteiten vergund:

- Motorcrosswedstrijden, maximaal twee dagen per kalenderjaar tijdens het motorcrossseizoen op zaterdag en/of zondag van 08.30 tot 18.00 uur, waarbij maximaal 40 renners tegelijk in de motorcrossbaan mogen rijden.

- Clubcross, maximaal zes dagen per kalenderjaar tijdens het motorcrossseizoen op zaterdag van 13.30 tot 17.00 uur, waarbij maximaal 30 renners tegelijk in de motorcrossbaan mogen rijden.

- Uitwisselingscross voor de jeugd, maximaal één dag per kalenderjaar tijdens het motorcrossseizoen op zaterdag van 13.30 tot 17.00 uur, waarbij maximaal 30 renners tegelijk in de motorcrossbaan mogen rijden.

- Bromfietscross, maximaal één dag per kalenderjaar tijdens het motorcrossseizoen op zaterdag van 13.30 tot 17.00 uur, waarbij maximaal 30 renners tegelijk in de motorcrossbaan mogen rijden.

- Twee-uurscross, maximaal één dag per kalenderjaar tijdens het motorcrossseizoen op zaterdag van 13.30 tot 17.00 uur, waarbij maximaal 30 renners tegelijk in de motorcrossbaan mogen rijden.

- Benefietevenement, maximaal één dag per kalenderjaar tijdens het motorcrossseizoen op maandag, woensdag, donderdag of vrijdag van 13.30 tot 17.00 uur, waarbij maximaal 30 renners tegelijk in de motorcrossbaan mogen rijden.

3. BMAC en het college betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college nader had moeten motiveren waarom de bepaling van de geluidbelasting als gevolg van het motorcrossterrein slechts kon plaatsvinden op basis van berekeningen. Volgens hen is in het op 26 juni 2012 uitgebrachte rapport 'Geluidbelasting omgeving crossterrein BMAC Borculo te Borculo' dat door Adviesburo Van der Boom B.V. is opgesteld (hierna: het akoestisch rapport) zowel van berekeningen als van metingen gebruik gemaakt. Daarbij is, net als in het kader van een eerder voor de inrichting verleende milieuvergunning, voor de bepaling van de geluidbelasting onder meer methode II.10 uit de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 (hierna: de Handleiding) gehanteerd, omdat, vanwege de afstand tussen de bron (het circuit) en het meetpunt, uit de meetresultaten niet betrouwbaar via de geconcentreerde bronmethode kan worden bepaald wat het bronvermogen is van de crossactiviteiten. Zij verwijzen ter onderbouwing van hun standpunt dat die methode in dit geval gehanteerd mocht worden voorts naar een deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening van 27 oktober 2011, dat in het kader van de beroepsprocedure tegen de eerder verleende milieuvergunning is opgesteld.

3.1. Op grond van de Handleiding kan de geluidimmissie door middel van metingen of berekeningen worden bepaald. Uit het akoestisch rapport blijkt dat bij de bepaling van de geluidbelasting als gevolg van het motorcrossterrein gebruik is gemaakt van metingen en berekeningen en dat daarbij onder meer methode II.10 van de Handleiding, de zogenoemde hybride methode, is gehanteerd. In het door BMAC en het college genoemde deskundigenbericht is vermeld dat met deze methode het bronvermogen van het circuit wordt bepaald via de zogenoemde geconcentreerde bronmethode. Met deze methode wordt met behulp van het rekenmodel het immissieniveau in het meetpunt bepaald. Vervolgens wordt het indicatief bepaalde bronvermogen gecorrigeerd voor het berekende verschil tussen meting en berekening. Met het gecorrigeerde bronvermogen wordt ten slotte de geluidbelasting op de omgeving bepaald. In het deskundigenbericht is verder geconcludeerd dat deze methode niet ongebruikelijk is bij circuits, omdat daar geen gelijkmatig uitstralende geluidsbron is.

Bij de bepaling van de geluidbelasting is derhalve niet slechts gebruik gemaakt van berekeningen, maar ook van metingen conform methode II.10 van de Handleiding. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat methode II.10 volgens het deskundigenbericht niet ongebruikelijk is bij circuits, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, het college nader had moeten motiveren waarom de bepaling van de geluidbelasting slechts kon plaatsvinden op basis van berekeningen.

Voor zover [wederpartij] en anderen ter zitting naar voren hebben gebracht dat de door het college uitgevoerde metingen ondeugdelijk zijn, omdat niet gedurende het gehele jaar is gemeten, overweegt de Afdeling dat het college niet gehouden was gedurende het gehele jaar metingen te verrichten. Niet aannemelijk is gemaakt dat de gedane metingen tezamen met de uitgevoerde berekeningen geen representatief beeld geven van de geluidbelasting als gevolg van de inrichting.

Het betoog slaagt.

4. BMAC en het college betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het akoestisch rapport geen beschrijving bevat van de representatieve bedrijfssituatie. Daartoe voeren zij aan dat in bijlage II van het akoestisch rapport de uitgangspunten van de berekeningen zijn weergegeven en daaruit volgt welke activiteiten onder de representatieve bedrijfssituatie vallen.

4.1. In paragraaf 1.1 van het akoestisch rapport zijn de aangevraagde activiteiten beschreven. Uit tabel 1.2 van het akoestisch rapport blijkt welke maatgevende activiteiten bij de berekening van de geluidbelasting zijn betrokken. Uit bijlage II bij het akoestisch rapport blijkt dat de trainingen en onderhoud tot de representatieve bedrijfssituatie behoren en dat de motorcrosswedstrijden en clubcross tot de afwijkende bedrijfssituatie behoren en ook als zodanig bij de berekening van de geluidbelasting zijn betrokken.

Gelet hierop is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat uit het akoestisch rapport blijkt welke activiteiten tot de representatieve en welke tot de afwijkende bedrijfssituatie behoren.

Het betoog slaagt.

5. BMAC en het college betogen dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2006, in zaak nr. 200509908/1, heeft overwogen dat crosswedstrijden in beginsel deel uitmaken van de representatieve bedrijfssituatie en dat het college nader had moeten motiveren waarom dat in dit geval niet zo is. Volgens hen zag de door de rechtbank genoemde uitspraak op een andere situatie. De crosswedstrijden zijn geen kernactiviteiten van de inrichting en zijn met betrekking tot het aantal en de tijdsduur ondergeschikt aan de andere activiteiten, zodat deze terecht van de representatieve bedrijfssituatie zijn uitgezonderd, aldus BMAC.

5.1. Het college heeft bij de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt genomen. In paragraaf 5.3 van de Handreiking is vermeld dat een ontheffing kan worden verleend om maximaal twaalf keer per jaar activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie.

5.2. De rechtbank heeft ten onrechte onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2006 overwogen dat de crosswedstrijden hier deel uitmaken van de representatieve bedrijfssituatie. Die uitspraak zag op een motorcrossterrein waarop de Wet geluidhinder (oud) van toepassing was. De Afdeling heeft in die uitspraak overwogen dat de activiteiten die waren uitgezonderd van de geluidgrenswaarden voor de representatieve bedrijfssituatie, waaronder een aantal wedstrijden, op zichzelf beschouwd al voldeden aan de omschrijving van inrichtingen in categorie 19.2 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer die krachtens artikel 2.4 van dat besluit zijn aangewezen als inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder. Voor de uitvoering van zelfs alleen deze activiteiten zou aldus de verplichting gelden een zone vast te stellen en de verplichting de door deze activiteiten veroorzaakte geluidbelasting aan die zone te toetsen. Door dezelfde activiteiten uit te zonderen van de toetsing aan de zonegrenswaarden wordt het wettelijk systeem doorkruist, aldus de Afdeling. Een dergelijke situatie doet zich in deze zaak niet voor.

De crosswedstrijden zijn beperkt tot twaalf keer per jaar en zijn, gezien het aantal en de duur van de activiteiten, ondergeschikt aan de trainingen die onder de representatieve bedrijfssituatie vallen. Verder zijn de crosswedstrijden geen kernactiviteiten van de inrichting. Gelet hierop heeft het college de crosswedstrijden in redelijkheid kunnen uitzonderen van de representatieve bedrijfssituatie.

Het betoog slaagt.

6. BMAC en het college betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau tijdens de representatieve bedrijfssituatie die hoger zijn dan de richtwaarden van de Handreiking, aanvaardbaar heeft geacht. Daartoe voeren zij aan dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat de in de voor de inrichting verleende vergunning van 27 september 2005 (hierna: de oprichtingsvergunning) opgenomen geluidgrenswaarden van meet af aan zijn overschreden en die waarden derhalve niet maatgevend zijn voor de geluidemissie in de periode vanaf 2005. Voorts voeren zij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de geluidwinst als gevolg van de afname van de geluidemissie van motoren niet is aangewend in het voordeel van omwonenden. Volgens hen heeft het college in het besluit van 19 maart 2013 uitgebreid gemotiveerd waarom het verlenen van de vergunning aanvaardbaar is

6.1. In hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die tot uitgangspunt worden genomen bij het stellen van geluidgrenswaarden. Voor landelijk gebied zijn richtwaarden aanbevolen van 40, 35 en 30 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor bestaande inrichtingen beveelt de Handreiking aan om bij herziening van vergunningen opnieuw te toetsen aan de richtwaarden. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan volgens de Handreiking in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

6.2. Uit het akoestisch rapport blijkt dat de richtwaarden van 40 en 35 dB(A) in onderscheidenlijk de dag- en avondperiode op de dinsdag en zaterdag met onderscheidenlijk 9 en 6 dB(A) worden overschreden. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid niet is gemeten, omdat verwacht wordt dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid niet boven de richtwaarde zal liggen. Daarbij heeft het college van belang geacht dat de inrichting is gelegen in een landelijke omgeving en dat er geen wegen in de directe omgeving zijn, waarvan een hoger achtergrondgeluid is af te leiden.

6.3. Het college heeft de overschrijding van de richtwaarden toelaatbaar geacht op grond van een bestuurlijke afweging. Daarbij heeft het in aanmerking genomen dat BMAC een geluidwal van 6 m heeft opgericht tussen de motorcrossbaan en de dichtstbij gelegen woning en een geluidwal van 3 m aan de oostzijde van de motorcrossbaan heeft aangelegd. Volgens het college is de motorcrossbaan voorzien van extra bochten om de snelheid van de renners en de daarmee veroorzaakte geluidbelasting te verminderen en de ligging van de motorcrossbaan dusdanig aangepast dat een akoestisch zo gunstig mogelijke situatie is ontstaan. Verder draagt BMAC er zorg voor dat alleen motoren op de motorcrossbaan worden toegelaten die aan de normen van de Koninklijke Nederlandse Motorrijders Vereniging voldoen en wordt met behulp van een transpondersysteem het aantal renners en hun crosstijden bijgehouden, aldus het college. Het college heeft verder van belang geacht dat de motorcrossbaan al sinds eind jaren tachtig van de vorige eeuw in werking is, dat de motorcrossbaan een maatschappelijk belang dient en dat er ten opzichte van de oprichtingsvergunning een kleine afname van de geluidbelasting wordt gerealiseerd. Bij de afweging is tevens betrokken dat het aantal renners dat gelijktijdig in de motorcrossbaan aanwezig mag zijn is beperkt, dat het motorcrossterrein wat betreft de representatieve bedrijfssituatie slechts twee dagdelen per week is opengesteld en dat voor de overige dagen per week aan de richtwaarden van de Handreiking moet worden voldaan. Volgens het college brengen aanvullende maatregelen buitensporig hoge kosten met zich mee die niet in redelijke verhouding staan tot de daarmee verkregen geluidwinst.

6.4. Het college heeft, omdat een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning was aangevraagd, de geluidbelasting als gevolg van de inrichting opnieuw aan de hand van de Handreiking beoordeeld. Daargelaten dat het college en BMAC in hoger beroep aannemelijk hebben gemaakt dat de geluidgrenswaarden van de oprichtingsvergunning niet van meet af aan zijn overschreden, zoals de rechtbank heeft overwogen, is bij die beoordeling, anders dan waar de rechtbank van uit is gegaan, niet van belang wat de feitelijke geluidbelasting als gevolg van de inrichting in het verleden was. Van belang is of de activiteiten zoals die thans zijn aangevraagd vergunbaar zijn met inachtneming van de toepasselijke regelgeving. Daarbij geldt niet als eis dat de inrichting in een maatschappelijke behoefte voorziet.

Bij het vaststellen van de grenswaarden komt het college een zekere vrijheid toe. De Afdeling is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het college met de hiervoor weergegeven bestuurlijke afweging deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het ervoor heeft gekozen om hogere grenswaarden dan de richtwaarden van de Handreiking aan de vergunning te verbinden.

Het betoog slaagt.

7. BMAC en het college betogen dat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat bij het besluit van 19 maart 2013 een grenswaarde voor het maximale geluidniveau van 75 dB(A) is gesteld.

7.1. Het betoog slaagt. In voorschrift 3.4.1 zijn grenswaarden voor het maximale geluidniveau op dinsdag en zaterdag, alsmede op zondag tijdens een motorcrosswedstrijd en tijdens een benefietevenement vanwege de inrichting ter plaatse van woningen van derden gesteld van ten hoogste 70, 65 en 40 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Deze grenswaarden zijn niet hoger dan de volgens de Handreiking ten hoogste aanvaardbare waarden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

8. BMAC en het college betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het aantal crossuren van de trainingen en de motorcrosswedstrijd in de voorschriften had moeten opnemen. Daartoe voeren zij aan dat het aantal crossuren blijkt uit het akoestisch rapport, dat onderdeel uitmaakt van de verleende vergunning.

8.1. Op grond van voorschrift 1.1.1 moet de inrichting in werking zijn in overeenstemming met de bij de vergunningaanvraag behorende gegevens en tekeningen, tenzij de voorschriften anders bepalen. Uit paragraaf 1.1 van het akoestisch rapport, dat onderdeel uitmaakt van de verleende vergunning, volgt dat op dinsdag 30 crossers 1,5 uur trainen, wat neerkomt op 45 crossuren, dat op zaterdag 30 crossers 2 uur trainen, wat neerkomt op 60 crossuren en bij wedstrijden 250 crossers 1 uur rijden, wat neerkomt op 250 crossuren. Verder is in voorschrift 1.1.2 opgenomen wanneer de motorcrossbaan geopend mag zijn en is het aantal renners dat gelijktijdig in de motorcrossbaan mag rijden, in de voorschriften 3.8.1 en 3.9.2 beperkt tot het in het akoestisch rapport vermelde aantal. Gelet hierop heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat het niet nodig was het aantal crossuren in de voorschriften op te nemen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Het betoog slaagt.

9. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het een voorschrift aan de vergunning had moeten verbinden inhoudend dat het motorenbestand ten minste 75% uit viertaktmotoren moet bestaan. Volgens het college is in de aanvraag en het akoestisch rapport, die onderdeel uitmaken van de verleende vergunning, voldoende gewaarborgd dat tijdens trainingen en wedstrijden hoofdzakelijk met viertaktmotoren wordt gereden.

9.1. Aangevraagd zijn zowel tweetakt als viertaktmotoren. In het akoestisch rapport is vermeld dat bij trainingen minimaal 75% van de aanwezige motoren, viertaktmotoren moeten zijn. In het akoestisch rapport, noch in de aanvraag is opgenomen dat ook bij wedstrijden ten minste 75% van de aanwezige motoren, viertaktmotoren zullen zijn. Gelet hierop heeft de rechtbank, anders dan het college betoogt, terecht geoordeeld dat in het bestreden besluit, waarvan de aanvraag en het akoestisch rapport deel uitmaken, onvoldoende is gewaarborgd dat tijdens trainingen en wedstrijden minimaal 75% van de motoren viertaktmotoren zijn. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2, van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen.

Het betoog faalt.

10. De hoger beroepen zijn gegrond. Nu de rechtbank evenwel het beroep terecht gegrond heeft verklaard, dient de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

12. Met toepassing van artikel 8:114, tweede lid, van de Awb zal de Afdeling bepalen dat het in hoger beroep door BMAC betaalde griffierecht door de griffier wordt terugbetaald.

BEROEP TEGEN HET BESLUIT VAN 27 JUNI 2014

13. Bij besluit van 27 juni 2014 heeft het college het besluit van 19 maart 2013 gewijzigd. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

14. In het besluit van 27 juni 2014 is een aantal voorschriften gewijzigd. Voor het overige is dit besluit inhoudelijk gelijk aan het besluit van 19 maart 2013. In voorschrift 3.6.1 is opgenomen dat per renner geregistreerd moet worden of zijn of haar crossmotor voorzien is van een viertakt motor. In voorschrift 3.15.2 is opgenomen dat het rennersveld tijdens crossactiviteiten voor minimaal 75% uit viertaktmotoren moet bestaan. Ter zitting heeft het college toegelicht dat onder crossactiviteiten zowel de trainingen als de crosswedstrijden moeten worden verstaan.

Gelet hierop is in het besluit van 27 juni 2014 voldoende gewaarborgd dat tijdens trainingen en wedstrijden minimaal 75% met viertaktmotoren moet worden gereden.

15. [wederpartij] en anderen betogen dat in het akoestisch rapport bij de berekening van de geluidbelasting ten onrechte is uitgegaan van geluidwallen, nu deze feitelijk niet zijn gerealiseerd.

15.1. De geluidwallen zijn opgenomen in het akoestisch rapport. Op grond van het besluit van 27 juni 2014 maakt het akoestisch rapport onderdeel uit van de vergunning. Ingevolge vergunningvoorschrift 1.1.1 moet de inrichting in overeenstemming zijn met de bij de vergunningaanvraag behorende gegevens. Tot die gegevens behoort het akoestisch rapport. Gelet hierop, is BMAC gehouden de in het akoestisch rapport vermelde geluidwallen te realiseren. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de geluidwallen ten onrechte zijn betrokken bij de beoordeling van de geluidbelasting. Indien de geluidwallen niet worden gerealiseerd, kan het college bestuurlijke handhavingsmaatregelen treffen.

Het betoog faalt.

16. Voor het overige hebben [wederpartij] en anderen tegen het besluit van 27 juni 2014 geen nieuwe beroepsgronden naar voren gebracht. Nu dit besluit inhoudelijk niet is gewijzigd ten opzichte van het besluit van 19 maart 2013, geeft hetgeen [wederpartij] en anderen hebben aangevoerd, gelet op hetgeen hiervoor bij de beoordeling van de hoger beroepen is overwogen, geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 27 juni 2014 onrechtmatig is.

17. Het beroep van [wederpartij] en anderen tegen het besluit van 27 juni 2014 is ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak;

III. verklaart het beroep van [wederpartij] en anderen tegen het besluit van 27 juni 2014 ongegrond;

IV. bepaalt dat de griffier het door de vereniging Vereniging Borculose Motor- en Autoclub voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 493,00 (zegge: vierhonderddrieënnegentig euro) aan haar terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Roessel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2014

457-720.