Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3030

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
201400068/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:15486, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2013 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Overslag Terminal Alphen B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van een inrichting voor de op- en overslag van afvalstoffen aan de Boskoopseweg 14 te Alphen aan den Rijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/850

Uitspraak

201400068/1/A4.

Datum uitspraak: 13 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Alphen aan den Rijn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 november 2013 in zaak nr. 13/3369 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2013 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Overslag Terminal Alphen B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van een inrichting voor de op- en overslag van afvalstoffen aan de Boskoopseweg 14 te Alphen aan den Rijn.

Bij uitspraak van 20 november 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. van der Zwan, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Contant, ir. L.P.M. Hertsig, ing. A.J. Oudijk, ing. H.J.A. van Veen, allen werkzaam bij de Omgevingsdienst West-Holland en K. Schoonderwoerd, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is Overslag Terminal Alphen B.V., vertegenwoordigd door mr. H.T. Kernkamp, advocaat te Rotterdam, en ir. D.J. Antvelink, als partij gehoord.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de in voorschrift 1.3.2 van de verleende vergunning opgenomen grenswaarden voor het maximale geluidniveau bij de beoordelingspunten De Schans 2 en 4 naleefbaar zijn. Daartoe voert hij aan dat - anders dan de rechtbank heeft overwogen - de uitgangspunten en de conclusies van het op 1 augustus 2012 uitgebrachte rapport "Overslag Terminal Alphen B.V. Akoestisch onderzoek overkoepelende aanvraag", van LBP Sight (hierna: het akoestisch rapport), dat onderdeel uitmaakt van de vergunning en waaruit volgens het college die naleefbaarheid blijkt, onjuist zijn. Volgens hem is het niet mogelijk dat de vergunde veranderingen geen gevolgen hebben voor het maximale geluidniveau. Verder voert hij aan dat uit de door hem overgelegde geluidmetingen van Peutz en van de Omgevingsdienst West-Holland blijkt dat de grenswaarden voor het maximale geluidniveau feitelijk worden overschreden. [appellant] betoogt ten slotte dat van hem niet verwacht kan worden dure contra-expertises te laten opstellen. Volgens hem heeft de rechtbank de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) dan ook ten onrechte niet als deskundige benoemd.

1.1. Ingevolge voorschrift 1.3.2 van de verleende vergunning mag het maximale geluidniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, bij de beoordelingspunten De Schans 2 en 4 niet meer bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

1.2. Uit het akoestisch rapport blijkt dat maatregelen getroffen zijn om de sterkte van de bronnen die de maximale geluidniveaus veroorzaken te beperken en dat bij naleving van deze maatregelen aan de in voorschrift 1.3.2 opgenomen grenswaarden voor het maximale geluidniveau kan worden voldaan. Deze maatregelen bestaan er onder meer uit dat de spreader op de portaalkranen en de nieuwe reach stackers zijn voorzien van een softlandingsysteem, de barge stacker is voorzien van camera's om zorgvuldig in het schip te kunnen werken, het vrachtwagenchassis bij het afhalen en opzetten van de containers in de laagste stand staat ter beperking van stoten, de twistlocks van het chassis wit worden geschilderd om in de nacht beter te kunnen richten, het personeel goed opgeleid en getraind wordt, er een geluidmonitoringssysteem wordt toegepast op al het materieel met een real time terugkoppeling naar de operators en er afspraken zijn gemaakt ten aanzien van het gedrag van chauffeurs van derden. Verder is in de voorschriften opgenomen dat de werkzaamheden in de avond- en nachtperiode slechts op een beperkt deel van het terrein zijn toegestaan en dat aan de noord-, zuid- en westzijde van het terrein een wand van drie containers hoog aanwezig dient te zijn om de geluidbelasting te beperken.

1.3. [appellant] heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan moet worden betwijfeld dat de hiervoor genoemde maatregelen getroffen kunnen worden. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat met het treffen van deze maatregelen niet aan de in voorschrift 1.3.2 opgenomen geluidgrenswaarden kan worden voldaan. De enkele stelling dat de vergunde veranderingen niet mogelijk zijn zonder dat dit gevolgen heeft voor het maximale geluidniveau is daarvoor onvoldoende. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat het akoestisch rapport onjuist te achten. De door [appellant] overgelegde geluidmetingen van Peutz en de Omgevingsdienst West-Holland leiden niet tot een ander oordeel. Daaruit kan worden afgeleid dat op een aantal dagen de geluidgrenswaarden van voorschrift 1.3.2 zijn overschreden, maar niet dat, indien de inrichting in werking is overeenkomstig de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften, die grenswaarden niet naleefbaar zijn. Als blijkt dat de geluidgrenswaarden feitelijk worden overschreden, betreft dat een kwestie van handhaving.

Voor zover [appellant] betoogt dat van hem niet verwacht kan worden dure contra-expertises te laten opstellen, overweegt de Afdeling als volgt. Hoewel [appellant] niet verplicht is een contra-expertise te laten opstellen, dient hij op zijn minst op andere wijze concrete aanknopingspunten naar voren te brengen voor twijfel aan de juistheid van het akoestisch rapport. Nu hij dit niet heeft gedaan, bestaat reeds daarom geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien de StAB als deskundige te benoemen.

Het betoog faalt.

2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Roessel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2014

457-720.