Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3018

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
201309657/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie1]-[locatie 2] Bennebroek" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309657/1/R1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant A] en [appellant B] (hierna in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Bennebroek, gemeente Bloemendaal,

2. de stichting Stichting Pré Wonen, gevestigd te Haarlem,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Bloemendaal,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie1]-[locatie 2] Bennebroek" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en Pré Wonen beroep ingesteld.

Bij besluit van 19 december 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie1]-[locatie 2] Bennebroek" gewijzigd vastgesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. C. Lubben, Pré Wonen, vertegenwoordigd door A.R. van der Velde, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.T.M. de Haan-Bergisch en R.P. Perquin, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Het besluit van 19 december 2013 is een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb. Nu dat besluit niet geheel aan het beroep tegemoet komt, heeft het beroep daarop mede betrekking.

Besluit van 19 december 2013

3. [appellant] en Pré Wonen betogen dat er binnen het bouwvlak te weinig ruimte is voor een standplaats voor een tweede woonwagen. Moderne woonwagens hebben standaard een lengte van 13 tot 15 m en een breedte van 4 tot 7 m. Op grond van het plan is slechts een woonwagen van 9 bij 10 m mogelijk, nu deze voor de bestaande berging moet worden geplaatst en een minimale afstand tot de berging van 1 m moet worden aangehouden. Om reden van brandveiligheid dient tot de al bestaande woonwagen een minimale afstand van 5 m worden aangehouden. Een verdieping op de woonwagen is op grond van het plan mogelijk, maar ook dan gaat het in de regel om grotere woonwagens wat oppervlakte betreft. In dit verband voert [appellant] aan dat onvoldoende is gemotiveerd dat uitbreiding inbreuk zou maken op de voorgevelrooilijn van de naastgelegen woning en op de stedenbouwkundige waarden van het gebied. De raad verwijst ook ten onrechte naar de eigendomsrechten van derden.

3.1. De raad stelt dat de standplaats voor een tweede woonwagen is bestemd overeenkomstig de bestaande afmetingen. Het bouwvlak is afgestemd op het reëel plaatsen van twee woonwagens. Naast de woonwagen die er al staat kan een woonwagen worden geplaatst met een oppervlakte van meer dan 90 m2. Aangezien binnen het bouwvlak een woonwagen in twee bouwlagen met een kap mogelijk is, acht de raad die oppervlakte voldoende. Voorts zijn er privaatrechtelijke belemmeringen om gronden aan de oost- en zuidzijde binnen het bouwvlak te trekken. Uitbreiding aan de noordoostzijde is vanuit stedenbouwkundig oogpunt ongewenst. De kwaliteit van wonen voor de bewoners van de woning Binnenweg 1 wordt aangetast bij uitbreiding aan de noordoostzijde, omdat dan op de perceelgrens met die woning bebouwing met een hoogte van 9 m kan worden gerealiseerd. Het plaatsen van een tweede woonwagen beschouwt de raad als een nieuwe ontwikkeling, zodat met de bestaande woningen rekening dient te worden gehouden.

3.2. Aan de percelen [locatie1] en [locatie 2] zijn de bestemmingen "Wonen" en "Tuin" toegekend. Voor de gronden met de bestemming "Wonen" is een bouwvlak opgenomen, alsmede de aanduiding "Woonwagen". Het maximum aantal woonwagens bedraagt twee. De maximale bouw- en goothoogte bedraagt 9 onderscheidenlijk 6 m.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen,

met daaraan ondergeschikt:

b. aan huis gebonden beroepen;

met de daarbij behorende:

c. tuinen, terreinen en erven

d. water.

Ingevolge lid 4.1.2 zijn ter plaatse van de aanduiding "Woonwagen" (sba-ww) de in lid 4.1.1 bedoelde gronden uitsluitend bestemd voor maximaal twee woonwagens per bouwvlak.

Ingevolge lid 4.2.1 geldt ten aanzien van de in lid 4.1 bedoelde gronden dat:

a. hoofdgebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak;

b. ter plaatse van de aanduiding 'Maximale goothoogte' ten hoogste de aangegeven goothoogte is toegestaan;

c. ter plaatse van de aanduiding 'Maximale bouwhoogte' ten hoogste de aangegeven bouwhoogte is toegestaan;

d. indien de bestaande goothoogte dan wel de bestaande bouwhoogte van hoofdgebouwen meer bedraagt dan de onder b en c aangegeven hoogte, de afwijking niet mag worden vergroot.

3.3. De Afdeling overweegt dat de raad zich weliswaar op het standpunt stelt dat ter plaatse een tweede woonwagen planologisch mogelijk dient te worden gemaakt, maar dat de raad niet heeft weersproken het ter zitting nader toegelichte betoog van [appellant] dat binnen het bouwvlak niet voldoende ruimte is voor een tweede woonwagen met afmetingen zoals die thans gebruikelijk zijn. Hoewel de raad ter zitting heeft gesteld dat uit hoofde van de brandveiligheid niet langer een onderlinge afstand van 5 m hoeft te worden gewaarborgd, heeft de raad niet aannemelijk gemaakt dat een plaatsing van de tweede woonwagen haaks op de naastgelegen woning, waardoor deze zeer dicht bij de al bestaande woonwagen zal komen, uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is. De raad heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat ruimtelijke motieven zich verzetten tegen plaatsing van de tweede woonwagen evenwijdig aan de naastgelegen woning, waarbij de woonwagen gedeeltelijk komt te staan op een bestraat gedeelte van de gronden waaraan de bestemming "Tuin" is toegekend. Ter zitting is in dit verband onweersproken gesteld dat aan de Van Verschuer Brantslaan ook sprake is van een verder naar voren gelegen voorgevelrooilijn. De Afdeling acht ook van belang dat de aanwezige beplanting naast de naastgelegen woning het zicht op een daarnaast geplaatste woonwagen zal wegnemen. Daarbij is in aanmerking genomen dat voor [appellant] een maximale bouwhoogte van 4,5 m voldoende is. Van privaatrechtelijke belemmeringen om een bouwvlak op te nemen waarbij een tweede woonwagen evenwijdig aan de naastgelegen woning kan worden geplaatst, is niet gebleken.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening te worden vernietigd.

4. Gelet op het voorgaande behoeft aan de overige beroepsgronden niet te worden toegekomen.

Besluit van 26 september 2013

5. [appellant] en Pré Wonen betogen dat de raad ten onrechte de zienswijze van Pré Wonen bij de vaststelling van het plan op 26 september 2013 niet heeft meegenomen.

5.1. De raad erkent dat de zienswijze van Pré Wonen ten onrechte buiten beschouwing is gebleven. Om dit gebrek te herstellen is bij besluit van 19 december 2013 het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld.

5.2. De Afdeling overweegt dat het besluit van 26 september 2013 door geen acht te slaan op de zienswijze van Pré Wonen niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De daartegen gerichte beroepen zijn gegrond. Het besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Opdracht

6. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Proceskosten

7. De raad dient ten aanzien van [appellant] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van Pré Wonen is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen tegen het besluit van 19 december 2013 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie1]-[locatie 2] Bennebroek" gegrond;

II. vernietigt dat besluit;

III. verklaart de beroepen tegen het besluit van 26 september 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie1]-[locatie 2] Bennebroek" gegrond;

IV. vernietigt dat besluit;

V. draagt de raad van de gemeente Bloemendaal op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Bloemendaal tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Bloemendaal aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant A] en [appellant B] en € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de stichting Stichting Pré Wonen vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Zwemstra

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2014

91.