Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3017

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
201309747/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2012 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast om het (laten) gebruiken van de appartementen aan de [locaties] te Noordwijk (hierna: het perceel) ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten te beëindigen en tevens beëindigd te houden.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2014/59 met annotatie van ing. W. Vos

Uitspraak

201309747/1/A1.

Datum uitspraak: 13 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 september 2013 in zaak nr. 13/5617 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk.

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2012 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast om het (laten) gebruiken van de appartementen aan de [locaties] te Noordwijk (hierna: het perceel) ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten te beëindigen en tevens beëindigd te houden.

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door A.L.J. Slobbe en mr. S. Pronk, advocaat te Delft, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Jonkhout, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] is eigenaresse van elf appartementen aan de [locaties] te Noordwijk. De appartementen maken deel uit van in totaal vierentwintig appartementen die zijn afgesplitst van het voormalige motel, thans weer hotel, "De Witte Raaf".

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Duinrand" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatie".

Ingevolge artikel 8.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de voor "Recreatie-Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen.

Ingevolge artikel 18.2, onder a, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge het bepaalde onder d is het gestelde onder a niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Ingevolge het voorheen ter plaatse als bestemmingsplan geldende "Uitbreidingsplan in onderdelen Duinrand" (hierna: het uitbreidingsplan) rustte op het perceel de bestemming "Horecabedrijven".

Ingevolge artikel I, onder 1, van bijlage IV van het uitbreidingsplan mogen op gronden bestemd voor horecabedrijven uitsluitend gebouwen ten dienste van een hotel-, café- of restaurantbedrijf worden gebouwd.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het college bevoegd was handhavend op te treden tegen het gebruik van de appartementen voor de huisvesting van arbeidsmigranten, niet heeft onderkend dat dat gebruik op grond van het gebruiksovergangsrecht mag worden voortgezet. Daartoe voert zij aan dat het gebruik niet in strijd is met de voorheen op het perceel rustende bestemming "Horecabedrijven", omdat het hoofddoel van het gebruik het verstrekken van (tijdelijke) logies tegen betaling betreft, hetgeen past binnen een hotelbedrijf, als bedoeld in het uitbreidingsplan. In dit verband verwijst zij naar de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2011 in zaak nr. 201100886/1/H1. Dat er geen sprake is van recreatief gebruik, er geen consumpties worden verstrekt en niet wordt voorzien in een voor het algemeen publiek openstaande verblijfsmogelijkheid, maakt het voorgaande niet anders, nu het begrip hotelbedrijf in het uitbreidingsplan niet nader is gedefinieerd en het aldus ruim dient te worden uitgelegd, aldus [appellante].

3.1. De op het perceel aanwezige appartementen werden ten tijde van het besluit van 26 november 2012 gebruikt voor de huisvesting van bij [appellante] werkzame arbeidsmigranten. Dit is, naar ook niet in geschil is, in strijd met de op het perceel rustende bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatie". Tussen partijen is voorts niet in geschil dat dit gebruik is aangevangen vóór de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Gelet op artikel 18.2 van de planvoorschriften is vervolgens voor de vraag of dit gebruik wordt beschermd door het overgangsrecht van belang of het gebruik in overeenstemming was met het uitbreidingsplan, en indien deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord, of het gebruik niettemin op grond van het overgangsrecht van dat plan mocht worden voortgezet.

Gelet op artikel 1, onder 1, van bijlage IV van het uitbreidingsplan was op het perceel, voor zover hier van belang, een hotelbedrijf toegestaan. In het uitbreidingsplan is geen definitie van het begrip "hotelbedrijf" opgenomen, zodat voor de uitleg van dit begrip aansluiting dient te worden gezocht bij de betekenis die daaraan in het normale spraakgebruik wordt gegeven. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het, gelet op hetgeen in het normale spraakgebruik onder "hotelbedrijf" wordt begrepen, bij een hotelbedrijf gaat om een verblijf van korte duur, ongeacht de aard van het verblijf, te weten doorreis, vakantie en zakelijk en dat bij een hotelbedrijf verzorging wordt aangeboden, zoals roomservice, verstrekking van consumpties en maaltijden. Gelet op de zich in het dossier bevindende verklaringen van enkele arbeidsmigranten en het verhandelde ter zitting betreft het hier geen verblijf van korte duur, nu de arbeidsmigranten voor enkele weken tot enkele maanden in de appartementen worden gehuisvest. Voorts is er geen roomservice en wordt er ook anderszins geen bij een hotel passende verzorging aangeboden. Het betreft hier geen hotel en het gebruik kan daarmee niet op één lijn worden gesteld. Het gebruik is derhalve, gelet op artikel I, onder 1, van bijlage IV van het uitbreidingsplan, gelezen in verbinding met artikel 7.3.1, eerste lid, van de Bouwverordening gemeente Noordwijk 2008, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in strijd met het uitbreidingsplan. Aan de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2011 kan niet de betekenis worden toegekend die [appellante] daaraan gehecht wil zien, aangezien die uitspraak ziet op een andere situatie en de Afdeling daarin geen algemene definitie heeft gegeven van het begrip "hotel" maar uitsluitend een uitleg heeft gegeven over het begrip "hotel" als in die zaak aan de orde. Vaststaat dat het gebruik is aangevangen nadat het uitbreidingsplan in werking is getreden, zodat het gebruik reeds daarom niet op grond van het overgangsrecht van dat plan mocht worden voortgezet.

Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het gebruik niet op grond van artikel 18.2 van het bestemmingsplan mocht worden voortgezet. Derhalve is in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo gehandeld en heeft de rechtbank het college terecht bevoegd geacht ter zake handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Van Dorst

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2014

531-712.