Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3006

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
201305375/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Stationsstraat" vastgesteld en besloten om geen exploitatieplan vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201305375/1/R4.

Datum uitspraak: 13 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Hardinxveld-Giessendam,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Hardinxveld-Giessendam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Stationsstraat" vastgesteld en besloten om geen exploitatieplan vast te stellen.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2014, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant], bijgestaan door [gemachtigde] en ir. O.H. Norbruis, werkzaam bij Norbruis Stedebouw&Advies, en de raad, vertegenwoordigd door B. van Dorp MSc, mr. G.J. Nieuwland en mr. J.M. Markesteijn, allen werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door ir. M.J.C.A. van de Klundert, werkzaam bij het stedenbouwkundig adviesbureau Spacevalue, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting woningstichting Omnivera, vertegenwoordigd door C. de Vreede en J.C. van Hunnik, en het Lokaal Centrum voor Gezondheidszorg Hardinxveld-Giessendam, vertegenwoordigd door drs. J.B. Braken, gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de ontwikkeling van een gezondheidscentrum met 26 zorgwoningen op het perceel aan de kruising van de Stationsstraat met de Molenstraat te Hardinxveld-Giessendam en de uitbreiding van het parkeerterrein van het station op het perceel hier tegenover.

Goede procesorde

3. [appellant] en anderen voeren aan dat het nadere stuk van de raad, gedateerd 13 februari 2014, bij de Raad van State binnengekomen op 14 februari 2014, te laat is ingediend en wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet blijven.

3.1. Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Ook indien een stuk niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend, is het - zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 oktober 2013 in zaken nrs. 201300837/1/R1 en 201302394/1/R1) - aan de rechter om te beslissen of de goede procesorde zich ertegen verzet dat het desbetreffende stuk bij de beoordeling van het bestreden besluit wordt betrokken. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat door de late indiening van het nadere stuk van de raad van 13 februari 2014 [appellant] en anderen zijn belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins is belemmerd. Het nadere stuk van de raad wordt derhalve niet wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing gelaten. Hierbij betrekt de Afdeling dat het nadere stuk, inhoudende het rapport ‘Giessenschoollocatie; Parkeersituatie ontwikkeling gebied’ van 12 februari 2014, een reactie bevat op de door [appellant] en anderen aangevoerde beroepsgrond over de parkeersituatie. Het rapport heeft niet een zodanige inhoud of omvang dat het voor [appellant] en anderen niet meer mogelijk was om hierop inhoudelijk te kunnen reageren, hetgeen zij ter zitting ook hebben gedaan.

Gemeentelijk, regionaal en provinciaal beleid

4. [appellant] en anderen voeren aan dat het realiseren van een gezondheidscentrum met 26 zorgwoningen op deze locatie in strijd is met het gemeentelijk, het regionaal en het provinciaal beleid. Volgens [appellant] en anderen volgt uit de structuurvisie Zuid-Holland, de structuurvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden en de structuurvisie Hardinxveld-Giessendam dat op een locatie in de nabijheid van het station bedrijven dan wel kantoren, woningen of grootschalige voorzieningen met een regionaal karakter dienen te worden gerealiseerd.

4.1. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden is aan beleid van de provincie dat is opgenomen in een structuurvisie. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. Anders dan [appellant] en anderen aanvoeren volgt niet uit de structuurvisie Zuid-Holland dat een gezondheidscentrum met zorgwoningen niet op een locatie in de nabijheid van het station is toegestaan.

4.2. Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat in de structuurvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden is vermeld dat de regio bij de invulling van bebouwing rondom het station in Hardinxveld-Giessendam denkt aan appartementen en (kleinschalige) kantoorontwikkelingen en dat in de structuurvisie Hardinxveld-Giessendam voor het herstructureringsgebied Stationsstraat-Damstraat is vermeld dat overeenkomstig de regionale structuurvisie de ontwikkeling van kantoren kan worden genoemd als ontwikkelingsmogelijkheid in het stationsgebied, overweegt de Afdeling dat in de structuurvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden en de structuurvisie Hardinxveld-Giessendam het plangebied is aangewezen voor herstructurering. Uit deze structuurvisies volgt niet dat een gezondheidscentrum met zorgwoningen niet op een locatie in de nabijheid van het station is toegestaan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het vorige bestemmingsplan "Giessendam 2004" aan het perceel waarop het gezondheidscentrum met zorgwoningen is voorzien voor het grootste gedeelte al de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" was toegekend en ter plaatse reeds het Lokaal Centrum voor Gezondheidszorg Hardinxveld-Giessendam is gevestigd. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet in overeenstemming is met de structuurvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden en de structuurvisie Hardinxveld-Giessendam.

4.3. De betogen falen.

Behoefte en definitie zorgwoningen

5. [appellant] en anderen betogen dat de noodzaak van de voorziene zorgwoningen onvoldoende is aangetoond. Daartoe voeren zij aan dat uit de gemeentelijke Nota Wonen 2012-2022 volgt dat er getalsmatig voldoende woningen voor ouderen zijn, ook al zijn deze nog niet allemaal kwalitatief geschikt. Volgens [appellant] en anderen moet op grond van provinciaal beleid de bestaande woningvoorraad worden benut en is in het gemeentelijk actieplan Welzijn, Wonen en Zorg de ambitie opgenomen om bestaande woningen toegankelijk te maken voor zorgleveranties aan huis. Voorts voeren zij aan dat uit de structuurvisie Hardinxveld-Giessendam volgt dat vooral behoefte is aan welzijnsdiensten aan huis. Volgens hen blijven steeds meer mensen thuis wonen en ontvangen zij daar de benodigde zorg.

Voorts betogen [appellant] en anderen dat de in de planregels opgenomen definitie van zorgwoning te ruim en daardoor in strijd met de rechtszekerheid is. Volgens hen kan niet worden voorkomen dat de woningen tevens worden bewoond door mensen waarvoor de woningen niet zijn bedoeld. Naar hun mening is onder meer niet uitgesloten dat de niet-zorggeïndiceerde medebewoner na het overlijden van een zorggeïndiceerde bewoner van de woning gebruik blijft maken en dat de woningen worden gebruikt door mensen die wel een zorgbehoefte hebben, maar niet in zodanige mate dat zij een zorgwoning nodig hebben. In dit verband voeren [appellant] en anderen aan dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn om handhavend op te kunnen treden bij strijdig gebruik.

5.1. Blijkens de verbeelding is aan een deel van de gronden de bestemming "Maatschappelijk" met de aanduiding "zorgwoning" toegekend. Ter plaatse zijn maximaal 26 zorgwoningen toegestaan.

Ingevolge artikel 1, lid 1.41, van de planregels wordt onder zorgwoning verstaan een woning die gekoppeld is aan een zorgfunctie ten behoeve van de bewoner(s) met een geïndiceerde zorgbehoefte.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor zorgwoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "zorgwoning".

Ingevolge artikel 7, aanhef en onder c, wordt onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in ieder geval begrepen het gebruik van zorgwoningen als (reguliere) woningen.

5.2. In de plantoelichting is vermeld dat het hier gaat om een ontwikkeling met zorgwoningen in de zwaardere 24-uurszorg oftewel het verzorgd en beschut wonen. De vorm is zelfstandig wonen met zorg die 24 uur per dag beschikbaar is. Volgens de plantoelichting is de doelgroep ouderen vanaf 65 jaar of mensen met een lichamelijke beperking. De indicaties om voor een dergelijke zorgwoning in aanmerking te komen zijn AWBZ-indicatie en/of WMO-indicatie, leeftijd boven 65 jaar of jonger met een chronische ziekte of lichamelijke beperking met een AWBZ-indicatie.

In de structuurvisie Hardinxveld-Giessendam staat dat het kwalitatieve bouwprogramma eveneens ruimte dient te geven voor mogelijkheden om te komen tot de gewenste modernisering van (met name) de ouderenzorg in de zin van extramuralisering. In dit kader wordt voorgesteld voldoende levensloopbestendige woningen met bijbehorende welzijnsvoorzieningen en ruimte voor extramurale zorgvoorzieningen te verwezenlijken. Deze woningen kunnen beschikbaar komen door herstructurering van de bestaande voorraad of door nieuwbouw. Een deel van de woningbehoefte zal dan ook kwalitatief worden ingevuld met aanpasbare dan wel levensloopbestendige woningen, waardoor steeds meer intensieve zorg thuis kan worden verleend. Voorts is in de Nota Wonen 2012-2022 als ambitie opgenomen het goed huisvesten van de groepen die dat zelfstandig niet kunnen zoals mensen met een beperking. In dit verband volgt uit het gemeentelijk actieplan Welzijn, Wonen en Zorg dat er een tekort aan woningen voor verzorgd en beschut wonen is. De raad heeft toegelicht dat de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte zorgwoningen aansluiten bij de veronderstelde woningbehoefte in het gemeentelijk beleid. In dit verband wijst de raad op het landelijke beleid inzake extramuralisering van de zorg. Ter zitting heeft de raad onweersproken gesteld dat eind december 2013 53 in de gemeente woonachtige personen op de wachtlijst stonden voor extramurale zorgverlening. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat behoefte bestaat aan de in het plan voorziene zorgwoningen.

5.3. Zoals in de plantoelichting is vermeld en de raad uiteen heeft gezet zijn de zorgwoningen bedoeld voor mensen met een AWBZ-indicatie en/of WMO-indicatie, leeftijd boven 65 jaar of jonger met een chronische ziekte of lichamelijke beperking met een AWBZ-indicatie. In artikel 1, lid 1.41, van de planregels is bepaald dat onder een zorgwoning wordt verstaan een woning die gekoppeld is aan een zorgfunctie ten behoeve van de bewoner(s) met een geïndiceerde zorgbehoefte. De Afdeling is van oordeel dat voornoemde planregel voldoende concreet en voldoende geobjectiveerd is om duidelijkheid te verschaffen omtrent het gebruik dat is toegelaten op de gronden met de aanduiding "zorgwoning", namelijk wonen in combinatie met zorg. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat in het plan dient te worden opgenomen welke specifieke indicatie - bijvoorbeeld ZZP 3 of 4 - de bewoner dient te hebben, overweegt de Afdeling dat in het kader van een bestemmingsplan die specifieke indicatie niet van belang is, nu dit niet leidt tot een ruimtelijk relevant onderscheid. Voorts overweegt de Afdeling dat tegen het eventuele gebruik van de zorgwoning door de niet-zorggeïndiceerde bewoner als gewone woning na overlijden van de zorggeïndiceerde bewoner op grond van artikel 7, aanhef en onder c, van de planregels handhavend kan worden opgetreden.

5.4. De betogen falen.

Stedenbouwkundige inpasbaarheid

6. [appellant] en anderen hebben ter zitting toegelicht dat hun beroepsgrond betreffende de stedenbouwkundige inpasbaarheid zo moet worden opgevat dat zij zich niet kunnen verenigen met de in het plan mogelijk gemaakte bouwmassa en de ligging van het bouwvlak. Volgens hen is het plan stedenbouwkundig niet aanvaardbaar. Daartoe voeren zij aan dat het vorige plan, waar tevens stedenbouwkundige onderzoeken aan ten grondslag lagen, veel minder mogelijk maakte. Voorts voeren zij aan dat de in het plan opgenomen bouwhoogten niet passend zijn in de omgeving. In dit verband voeren zij aan dat het stedenbouwkundig programma van eisen ‘Stationsstraat-Molenstraat’ (hierna: SPvE) niet objectief is nu de stedenbouwkundige randvoorwaarden zijn aangepast aan het voorgenomen bouwplan.

[appellant] en anderen kunnen zich evenmin verenigen met artikel 8, lid 8.1, onder a en b, van de planregels. Volgens hen kan hierdoor een nog hoger en breder gebouw op het perceel worden gerealiseerd. Zij voeren aan dat uit het SPvE volgt dat het bouwplan grenst aan het maximum bouwvolume op het perceel en dat wordt aanbevolen om, indien zich tijdens het ontwikkelingsproces een vermindering van de benodigde hoeveelheid m2 voordoet, de reductie van het bouwplan gepaard te laten gaan met een vermindering van het totale bouwvolume.

6.1. Blijkens de verbeelding is het bouwvlak gelegen aan de zuidzijde van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" en varieert de maximale bouwhoogte van 4,5 m tot 14 m.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van:

a. in het plan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen en afstandseisen, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen en afstandseisen;

b. de regels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,5 m, en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing.

Ingevolge lid 8.2 kan een omgevingsvergunning om af te wijken als bedoeld in lid 8.1 slechts worden verleend, mits:

a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;

b. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.

6.2. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

Ten behoeve van het plan is het SPvE vastgesteld. In het SPvE zijn de stedenbouwkundige randvoorwaarden voor de ontwikkeling opgenomen. In het SPvE is vermeld dat het gebouw aan de zuidzijde van het perceel dient te worden gesitueerd, zodat er een entreegebied voor de nieuwe ontwikkeling ontstaat en de zichtlijn richting het station blijft gehandhaafd. Dit heeft tot gevolg dat de publieksgerichte dynamiek van het voorplein wordt afgeschermd van de rust van het wonen in de tuinen van het binnengebied. Daarnaast is in het SPvE vermeld dat de bouwhoogte op de hoek aan de Stationsstraat, gezien de positie in de lijn van de Stationsstraat, een accent kan vormen van vier bouwlagen, dat de overige maximale hoogte aan de Stationsstraat drie bouwlagen is en dat ter plaatse van de overgang naar de bestaande bebouwing aan de Molenstraat de maximale hoogte twee bouwlagen is. Volgens het SPvE wordt met deze gestaffelde hoogtes enerzijds een relatie gelegd met het omliggende landschap en wordt anderzijds aansluiting gezocht bij de maat van de belendende bebouwing. Voorts is in het SPvE vermeld dat door het aanbrengen van verspringende rooilijnen in het gebouw, de hoofdbouwmassa wordt opgedeeld in onderdelen. Uit de verbeelding volgt dat het plan aan de vorenstaande stedenbouwkundige randvoorwaarden voldoet. Gelet hierop heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan wat betreft de bouwmassa en de ligging van het bouwvlak uit een stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de enkele stelling van [appellant] en anderen dat de stedenbouwkundige randvoorwaarden zijn aangepast aan het voorgenomen bouwplan, onvoldoende is voor het oordeel dat de raad zich niet op het SPvE heeft mogen baseren.

6.3. Voor zover [appellant] en anderen zich niet kunnen verenigen met de in artikel 8, lid 8.1, onder a en b, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid overweegt de Afdeling dat het vorige plan eveneens een dergelijke bepaling bevatte. De raad heeft toegelicht dat deze afwijkingsbevoegdheid noodzakelijk is om enige flexibiliteit te waarborgen. Gelet op de in artikel 8, lid 8.2, van de planregels aan de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid verbonden voorwaarden wordt in het aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat de raad niet in deze afwijkingsbevoegdheid heeft kunnen voorzien. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het SPvE uitsluitend een aanbeveling bevat en dat deze aanbeveling ziet op het bijstellen van de ruimtebehoefte tijdens het ontwikkelingsproces.

6.4. De betogen falen.

Parkeren

7. [appellant] en anderen betogen dat in het plan in onvoldoende parkeerplaatsen, waaronder gehandicaptenparkeerplaatsen, is voorzien. Daartoe voeren zij aan dat de raad in strijd met het Gemeentelijk Verkeers- en vervoerplan 2012-2022 (hierna: GVVP) niet de nieuwe parkeerkencijfers overeenkomstig de ‘ASVV 2012; Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom’ (hierna: ASVV 2012) als uitgangspunt heeft gehanteerd. Daarnaast voeren zij aan dat de raad ten onrechte is uitgegaan van minder functies en behandelkamers dan zijn voorzien in het definitief ontwerp van 28 november 2012. In dit verband voeren [appellant] en anderen aan dat uitgegaan dient te worden van de functie restaurant in plaats van ontmoetingsruimte. Voorts voeren zij aan dat de raad ten onrechte niet is uitgegaan van de maximum parkeerkencijfers. In dit verband voeren [appellant] en anderen aan dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een lager parkeerkencijfer voor zorgwoningen wordt gehanteerd. Volgens [appellant] en anderen kan het tekort aan parkeerplaatsen gelet op het bestaande tekort, niet worden opgevangen in het openbare gebied.

Voorts betogen [appellant] en anderen dat het plan in strijd is met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening, omdat niet in de parkeerbehoefte kan worden voorzien op eigen terrein.

7.1. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder b, van de planregels blijven de voorschriften van de Bouwverordening ten aanzien van de stedenbouwkundige aard overeenkomstig het gestelde in artikel 9, lid 2, van de Woningwet buiten toepassing, behoudens ten aanzien van de parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden.

Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening moet indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het vierde lid, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid:

a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

7.2. In het GVVP is vermeld dat in nieuwe situaties de parkeerkencijfers in de ASVV 2004 en de CROW-publicatie 182 als uitgangspunt worden gebruikt bij de raming van de parkeerbehoefte. In hoeverre de boven- of ondergrens wordt gehanteerd, moet per situatie worden bepaald, aldus het GVVP. Voorts is in het GVVP vermeld dat na het verschijnen van de ASVV 2012, de nieuwe parkeerkencijfers overeenkomstig de ASVV 2012 als uitgangspunt worden gehanteerd.

De raad heeft volgens de plantoelichting ten aanzien van het benodigd aantal parkeerplaatsen voor de voorziene ontwikkeling de parkeerkencijfers van de CROW-publicatie 182 gehanteerd. Uit de plantoelichting volgt dat op basis van de gemaakte parkeerbalans voor de voorziene ontwikkeling er een parkeerbehoefte is van minimaal 49 parkeerplaatsen en maximaal 74 parkeerplaatsen. Voorts volgt uit de plantoelichting dat in de benodigde parkeerruimte wordt voorzien op eigen terrein en op het aan te leggen parkeerterrein aan de overzijde van het perceel waarop het gezondheidscentrum met zorgwoningen is voorzien. Volgens de plantoelichting voorziet het plan in 27 parkeerplaatsen op eigen terrein en 44 parkeerplaatsen op het aan te leggen parkeerterrein, waarmee aan de parkeerbehoefte wordt voldaan. De raad heeft toegelicht dat ook wanneer de nieuwe parkeerkencijfers overeenkomstig de ASVV 2012 worden gehanteerd, deze parkeerkencijfers volgens het rapport ‘Giessenschoollocatie; Parkeersituatie ontwikkeling gebied’ van 12 februari 2014 (hierna: rapport) niet leiden tot een grotere parkeerbehoefte dan waarvan is uitgegaan in de parkeerbalans.

7.3. De Afdeling overweegt dat de raad bij het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen uit dient te gaan van een representatieve invulling van hetgeen ingevolge het plan planologisch maximaal mogelijk is. Niet in geschil is dat de raad wat betreft het aantal benodigde parkeerplaatsen is uitgegaan van de concrete plannen van woningstichting Omnivera. In het rapport is uitgegaan van een gezondheidscentrum met 26 behandelkamers, een apotheek, 26 zorgwoningen, een gemeenschapsruimte van 168 m2 en diverse ondersteunende ruimtes. De Afdeling acht in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd onvoldoende grond gelegen voor het oordeel dat wat het aspect parkeren betreft dit niet overeenkomt met een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden.

7.4. Uit het rapport volgt dat ten aanzien van de parkeerkencijfers is uitgegaan van het gemiddelde van het minimum en maximum parkeerkencijfer, tenzij de specifieke situatie afwijken rechtvaardigt. Volgens het rapport hoeft niet te worden uitgegaan van de maximum parkeerkencijfers, nu de parkeerkencijfers zojuist zijn geactualiseerd. Voorts volgt uit het rapport dat is gerekend met aanwezigheidspercentages overeenkomstig de ASVV 2012. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om uit te gaan van gemiddelde parkeerkencijfers. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het gebouw verschillende functies zijn beoogd.

Ten aanzien van de zorgwoningen is in het rapport vermeld dat voor zorgwoningen geen parkeerkencijfer is opgenomen. Volgens het rapport is derhalve aansluiting gezocht bij het gemiddelde parkeerkencijfer van 1,1 onderscheidenlijk 0,6 voor een aanleunwoning en serviceflat dan wel een verpleeg- en verzorgingstehuis. Nu een zorgwoning tussen beide groepen in zit, is als uitgangspunt gehanteerd dat per zorgwoning 0,85 parkeerplaats dient te worden aangelegd. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit uitgangspunt onredelijk is.

7.5. Met betrekking tot het betoog van [appellant] en anderen dat uitgegaan dient te worden van een restaurant in plaats van een gemeenschapsruimte, volgt uit het rapport dat voor de berekening van de parkeerbehoefte aansluiting is gezocht bij het minimum parkeerkencijfer voor een café/bar/cafetaria, nu de gemeenschapsruimte zich richt op (dagbestedings)activiteiten ten behoeve van de eigen bewoners en andere gebruikers van het gebouw en zich daarnaast leent om in de avonden ontmoetingsactiviteiten te organiseren waar mensen van buiten het gebouw ook deel aan kunnen nemen. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid bij het parkeerkencijfer voor een café/bar/cafetaria heeft kunnen aansluiten. Daarbij betrekt de Afdeling dat in het plan op grond van artikel 1, lid 27, van de planregels horeca alleen als ondergeschikte nevenactiviteit ten dienst van de maatschappelijke voorziening is toegestaan.

7.6. Gelet op het vorenstaande biedt hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in voldoende parkeerplaatsen voorziet. Anders dan [appellant] en anderen veronderstellen, volgt uit het enkele feit dat het rapport door DUSS advies in plaats van Goudappel Coffeng is opgesteld, niet dat hieraan in deze procedure geen betekenis kan worden toegekend.

7.7. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat het plan door het niet voorzien op eigen terrein in de parkeerbehoefte in strijd is met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening, heeft de raad zich onweersproken op het standpunt gesteld dat het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 2.5.30, vierde lid, van de Bouwverordening de omgevingsvergunning kan verlenen in afwijking van de desbetreffende bepaling nu op andere wijze in de benodigde parkeerruimte wordt voorzien.

7.8. De betogen falen.

Verkeersveiligheid

8. [appellant] en anderen hebben ter zitting toegelicht dat hun beroepsgrond betreffende de verkeersveiligheid zo moet worden opgevat dat zij betogen dat de gevolgen van de toename van de verkeersbewegingen en de realisering van een extra uitrit voor de verkeersveiligheid ter plaatse van de Stationsstraat ten onrechte niet zijn onderzocht. Volgens [appellant] en anderen deugen de adviezen van de Verkeerscommissie en de ambtelijke werkgroep Verkeer niet. Zij voeren aan dat de Verkeerscommissie en de werkgroep Verkeer uitsluitend hebben gekeken naar de uitrit vanuit het gezondheidscentrum met de zorgwoningen. In dit verband voeren zij aan dat de wethouder tevens de voorzitter van de Verkeerscommissie is.

8.1. Uit de plantoelichting volgt dat het gezondheidscentrum met de zorgwoningen wordt ontsloten aan de noordzijde van het plan via de Stationsstraat. De Stationsstraat is een gebiedsontsluitingsweg, aldus de plantoelichting. De raad heeft uiteengezet dat ten behoeve van het gezondheidscentrum met de zorgwoningen één nieuwe uitrit op de Stationsstraat wordt gerealiseerd en dat als gevolg van de realisatie van het gezondheidscentrum met de zorgwoningen de verkeersbewegingen op de Stationsstraat toenemen. De ontsluiting van het gezondheidscentrum met de zorgwoningen via de Stationsstraat en het inrichtingsvoorstel voor het parkeren aan de overzijde van de Stationsstraat zijn voorgelegd aan de Verkeerscommissie en de werkgroep Verkeer, aldus de raad. De Verkeerscommissie en de werkgroep Verkeer hebben de verkeerskundige inrichting zowel verkeerstechnisch als uit het oogpunt van verkeersveiligheid aanvaardbaar geacht.

8.2. [appellant] en anderen kunnen niet worden gevolgd in hun betoog dat de Verkeerscommissie en de werkgroep Verkeer uitsluitend hebben gekeken naar de uitrit vanuit het gezondheidscentrum met de zorgwoningen. Uit de adviezen van de Verkeerscommissie en de werkgroep Verkeer kan worden afgeleid dat de Verkeerscommissie en de werkgroep Verkeer de gehele verkeerssituatie in hun beoordelingen hebben betrokken. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de beoordelingen van de Verkeerscommissie en de werkgroep Verkeer van de gevolgen van het plan voor de verkeersveiligheid overigens onjuist of onvolledig zijn. Anders dan [appellant] en anderen veronderstellen, volgt uit het enkele feit dat de wethouder tevens de voorzitter van de Verkeerscommissie is, niet dat aan het advies van de Verkeerscommissie in deze procedure geen betekenis kan worden toegekend. Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de Afdeling de verkeerssituatie ter plaatse in voldoende mate onderzocht. De raad heeft zich, onder verwijzing naar de adviezen van de Verkeerscommissie en de werkgroep Verkeer, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersveiligheid zal hebben.

Het betoog faalt.

Eigendomssituatie en erfafscheiding

9. [appellant] en anderen voeren aan dat het plan in strijd is met het Burgerlijk Wetboek, omdat het gebouw op minder dan 2 m van de daadwerkelijke erfgrens van het perceel van [persoon A] zal worden gebouwd. In dit verband voeren zij aan dat [persoon A] door verjaring eigenaar is geworden van een deel van de gronden waarop het plangebied ziet.

Voorts voeren [appellant] en anderen aan dat artikel 3, lid 3.3.2, van de planregels in strijd is met artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek. Zij stellen dat een erfafscheiding van 4 m hoog onrechtmatige hinder toebrengt aan hun percelen. Tevens veroorzaakt de afweging in artikel 3, lid 3.3.2, van de planregels volgens hen rechtsongelijkheid nu aan hen in tegenstelling tot de bewoners van de zorgwoningen geen omgevingsvergunning ten behoeve van een erfafscheiding van 4 m hoog zal worden verleend vanwege een onevenredige aantasting van de lichtinval en bezonningssituatie op de aangrenzende percelen.

9.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.3.2, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2, onder e, ten behoeve van erfafscheidingen tot een hoogte van 4 m, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - afwijkingsgebied erfafscheiding", mits

a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;

b. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad;

c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving;

d. de erfafscheiding niet leidt tot een onevenredige aantasting van de lichtinval en bezonningssituatie op de aangrenzende percelen.

Ingevolge artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek mag de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 162 van Boek 6 onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun.

9.2. De Afdeling stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 juli 2010 in zaak nr. 200903222/1/R3) voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling en de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan in de weg staat, slechts aanleiding is indien deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerstaangewezen rechter om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. Onder verwijzing naar de uitspraak van 17 oktober 2012 in zaak nr. 201200094/1/A1 overweegt de Afdeling voorts dat de in het onderhavige geval gestelde privaatrechtelijke belemmering eerst evident is in evenbedoelde zin, indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat een ontwikkeling voorzien is op grond die in eigendom aan een ander toebehoort en die ander daarin niet berust en niet hoeft te berusten.

Niet in geschil is dat de bestemming "Maatschappelijk" is toegekend aan gronden binnen de kadastrale grenzen van het perceel aan de Giessenschoollocatie en de percelen aan de Stationsstraat 23, 23a en 25 te Hardinxveld-Giessendam. Blijkens de verbeelding is het bouwvlak gelegen op een afstand van minimaal 2 m van deze kadastrale grenzen. De door [appellant] en anderen gestelde eigendomsverkrijging van [persoon A] is niet kadastraal vastgelegd en de vraag of zij door verjaring eigenaar is geworden, kan niet zonder meer bevestigend worden beantwoord. Deze vraag zal ter beantwoording moeten worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter. Nu gelet hierop niet zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat het plan is voorzien op grond die in eigendom aan [persoon A] toebehoort en dat het plan het mogelijk maakt om binnen 2 m van de erfgrens van het perceel van [persoon A] een gebouw te realiseren, is de door [appellant] en anderen gestelde privaatrechtelijke belemmering niet evident.

9.3. Voor zover [appellant] en anderen hebben aangevoerd dat artikel 3, lid 3.3.2, van de planregels in strijd is met artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek, overweegt de Afdeling dat [appellant] en anderen niet met concrete gegevens hebben onderbouwd dat artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek in de weg staat aan de eventuele realisering van een erfafscheiding tot een hoogte van 4 m. Reeds hierom is geen sprake van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter die in de weg staat aan het verlenen van een omgevingsvergunning. Voorts ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat rechtsongelijkheid aan de orde is.

9.4. De betogen falen.

Aantasting woon- en leefklimaat

10. [appellant] en anderen betogen dat het plan leidt tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Daartoe voeren zij aan dat als gevolg van het voorziene gebouw op korte afstand van hun woningen alsmede als gevolg van het verwijderen van zeven beeldbepalende bomen en al het overige groen in het plangebied, hun privacy ernstig zal worden aangetast, sprake zal zijn van een vermindering van lichttoetreding, hun uitzicht zal worden aangetast en het gevoel van opgesloten zijn ontstaat. Daarbij wijzen [appellant] en anderen op het feit dat zij wonen op de eerste verdieping van hun huizen en beschikken over dakterrassen. Voorts voeren zij aan dat de toename van het aantal verkeersbewegingen ter plaatse gezondheidsrisico's met zich zal brengen. Volgens [appellant] en anderen heeft de raad hun belangen onvoldoende in zijn afweging betrokken.

10.1. Gelet op de verschillen tussen de bouwmogelijkheden voor de gronden in het plan ten opzichte van het vorige plan, valt niet uit te sluiten dat door het plan het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen in enige mate zal worden aangetast, in de vorm van enige vermindering van privacy, lichtinval en uitzicht. Nu echter rekening is gehouden met omwonenden door aan de zuidzijde van het bouwvlak lagere maximale bouwhoogten toe te kennen en de raad heeft toegelicht dat een nieuwe groenstructuur is geborgd in de overeenkomst met de ontwikkelaar overeenkomstig het inrichtingsplan alsmede gelet op de afstand tussen de woningen en het bouwvlak, de ligging van het perceel in een centrumomgeving met verschillende functies op relatief korte afstand van elkaar en de ligging van het bouwvlak aan de noordzijde van de woningen, is de Afdeling van oordeel dat [appellant] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat het plan tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat leidt. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit het rapport ‘Nieuwbouw gezondheidscentrum en zorgwoningen Hoedaf; onderzoek luchtkwaliteit’ van 25 juni 2012 volgt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Het betoog faalt.

Financieel-economische uitvoerbaarheid

11. [appellant] en anderen betogen dat de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende vaststaat. Zij voeren aan dat onder meer niet duidelijk is of de gronden voor een marktconforme prijs zullen worden verkocht en derhalve of volledig kostenverhaal zal plaatsvinden. Daarnaast voeren zij aan dat niet blijkt dat de gronden zijn getaxeerd door een onafhankelijke taxateur, nu de taxateur tevens de planschaderisicoanalyse heeft opgesteld. In dit verband wijzen zij er op dat de taxatie uitgaat van onjuiste gegevens, omdat daarin niet is betrokken dat een commercieel gezondheidscentrum wordt gerealiseerd. Voorts voeren zij aan dat het onderzoek naar mogelijke planschade onjuist is, omdat één woning niet in de planschaderisicoanalyse is meegenomen. Hierdoor is ongeoorloofde staatssteun ten behoeve van woningstichting Omnivera volgens hen niet uit te sluiten. Als de staatssteun moet worden teruggevorderd, dan is het plan niet uitvoerbaar, aldus [appellant] en anderen.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun. In dit verband betoogt de raad dat met woningstichting Omnivera een anterieure overeenkomst is gesloten waarin is verzekerd dat alle kosten met betrekking tot de ontwikkeling verhaald kunnen worden op woningstichting Omnivera. Volgens de raad zijn er geen redenen om te twijfelen aan de deskundigheid van de taxateur, was de taxateur ermee bekend dat de ontwikkeling voorziet in een gezondheidscentrum met zorgwoningen en is het planschadebedrag voor de door [appellant] en anderen bedoelde woning alsnog meegenomen in de exploitatie door woningstichting Omnivera. Voor zover sprake is van ongeoorloofde staatssteun staat dit de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg, aldus de raad.

11.2. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financieel-economische uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen een periode van in beginsel tien jaar. Aan dit criterium is in beginsel niet reeds voldaan, indien aannemelijk wordt gemaakt dat staatssteun die plaats heeft of heeft gehad kan worden teruggevorderd. Daarnaast dient ook aannemelijk te worden gemaakt dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat als gevolg daarvan het plan niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd op een wijze zonder dat ongeoorloofde staatssteun wordt verleend.

In dit kader is van belang dat in dit geval voor de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan de gestelde bevoordeling van woningstichting Omnivera, wat daarvan ook zij, niet van doorslaggevende betekenis is. De enkele omstandigheid dat mogelijk ongeoorloofd verleende staatssteun zou worden teruggevorderd en de betrokken ondernemer als gevolg daarvan zich geheel of gedeeltelijk zou moeten terugtrekken uit de door hem beoogde ontwikkeling, brengt nog niet met zich dat het niet mogelijk zal zijn om tot de realisering van de in het plan voorziene ontwikkeling te komen. Het is immers mogelijk dat een andere marktpartij - al dan niet in een aangepaste vorm die binnen het plan past - de realisering van de in het plan voorziene ontwikkeling kan uitvoeren. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke omstandigheden zich in dit geval niet kunnen voordoen.

Gelet op het voorgaande hebben [appellant] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het plan niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd op een wijze zonder dat ongeoorloofde staatssteun wordt verleend.

Het betoog faalt.

Uitvoering

12. Voor zover [appellant] en anderen zich richten tegen de verschijningsvorm en de indeling van het voorziene gebouw en de situering van de gehandicaptenparkeerplaatsen, overweegt de Afdeling dat dit geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond moet derhalve buiten beschouwing blijven.

Alternatieven

13. [appellant] en anderen voeren aan dat het gezondheidscentrum en de 26 zorgwoningen ook op een andere locatie kunnen worden gerealiseerd. Volgens [appellant] en anderen zijn alternatieve locaties aanwezig, zoals het gebied ’t Oog, de Blauwe Zoom, Tienmorgen Noord, Buitendams voormalig kerkgebouw, de Wilhelminaschool nabij de Jupiterflat en het Peulenplein, waar het gezondheidscentrum en de 26 zorgwoningen, gezamenlijk dan wel gesplitst, kunnen worden gerealiseerd, maar is hier onvoldoende onderzoek naar gedaan.

13.1. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

De raad heeft het bouwplan van woningstichting Omnivera om op het perceel aan de kruising van de Stationsstraat met de Molenstraat te Hardinxveld-Giessendam een gezondheidscentrum met 26 zorgwoningen te realiseren, beoordeeld. Blijkens de Zienswijzennota bestemmingsplan "Stationsstraat" heeft de raad de door [appellant] en anderen in hun zienswijze aangedragen alternatieve locaties voor het realiseren van het bouwplan, te weten het gebied ’t Oog, de Blauwe Zoom, Tienmorgen-Noord, Buitendams voormalig kerkgebouw en de Wilhelminaschool nabij de Jupiterflat, in zijn besluitvorming betrokken. Volgens de raad kan ter plaatse van deze alternatieve locaties geen gelijkwaardig resultaat worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Gelet op de door de raad in beschouwing genomen alternatieve locaties en de afweging van deze alternatieve locaties, ziet de Afdeling, gezien de stukken en het verhandelde ter zitting, in hetgeen [appellant] en anderen over de afweging van alternatieven hebben aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar alternatieve locaties. De Afdeling acht daarin evenmin grond gelegen voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de betrokken belangen aldus heeft mogen wegen. In dit kader overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat de raad een andere weging van de betrokken belangen heeft gemaakt dan [appellant] en anderen voorstaan, ontoereikend is voor het oordeel dat de keuze van de raad leidt tot een zodanig onevenwichtige afweging van de betrokken belangen, dat de raad niet in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten.

Het betoog faalt.

Het besluit om geen exploitatieplan vast te stellen

14. [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte geen exploitatieplan is vastgesteld. Volgens hen heeft de raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat kostenverhaal anderszins is verzekerd. Daartoe voeren zij aan dat woningstichting Omnivera de anterieure overeenkomst nog kan beëindigen en dat nog geen overeenkomst is gesloten met de NS tot aankoop van de gronden voor het voorziene parkeerterrein alsmede dat nog geen overeenkomst is gesloten met het Lokaal Centrum voor Gezondheidszorg Hardinxveld-Giessendam tot aankoop van haar gronden.

14.1. Ingevolge artikel 6.12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor zover hier van belang, kan de raad, in afwijking van het eerste lid, bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is.

Ingevolge artikel 8.2, vierde lid, voor zover hier van belang, wordt als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 6.12, eerste en tweede lid, in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 8:1, in samenhang gelezen met artikel 8:6 en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan.

14.2. Het beroep van [appellant] en anderen is in zoverre gericht tegen het niet vaststellen van financiële delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. Indien de raad in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld voor de gronden waarop de beoogde ontwikkelingen zijn voorzien, zouden [appellant] en anderen niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij het exploitatieplan. Daartoe is van belang dat [appellant] en anderen geen eigenaren zijn van voornoemde gronden in het exploitatiegebied en evenmin een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vierde lid, van de Wro hebben gesloten met betrekking tot gronden in het exploitatiegebied. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen van [appellant] en anderen, die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van een exploitatieplan, kunnen zij niet worden aangemerkt als belanghebbenden bij het niet vaststellen van de desbetreffende delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. Het beroep van [appellant] en anderen, voor zover gericht tegen het niet vaststellen van financiële delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro, is niet-ontvankelijk.

Relativiteit

15. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 8:69a van de Awb van toepassing is.

Conclusie

16. Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet vaststellen van een exploitatieplan;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Lodeweges

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2014

625.