Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2998

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
201307938/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Wegrestaurant Maas en Waalweg Afferden" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307938/2/R2.

Datum uitspraak: 13 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Afferden, gemeente Druten,

en

de raad van de gemeente Druten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Wegrestaurant Maas en Waalweg Afferden" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2014, waar [appellant], bijgestaan door C.J. van Wegen, en de raad, vertegenwoordigd door I. Verploegen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 19 maart 2014 in zaak nr. 201307938/1/R2 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending daarvan het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 21 mei 2014 heeft de raad het plan opnieuw en gewijzigd vastgesteld (hierna: het herstelplan).

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het besluit van 4 juli 2013

2. De Afdeling heeft in rechtsoverweging 13.2 van de tussenuitspraak overwogen dat de raad dat ten onrechte niet de aanleg en instandhouding van een hekwerk rond het vrachtautoparkeerterrein en een voorziening waarmee de toegang tot het vrachtautoparkeerterrein kan worden gecontroleerd in het plan heeft geregeld. Gelet hierop heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan dat is vastgesteld bij het bestreden besluit van 4 juli 2013 strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Dit besluit is derhalve genomen in strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Gelet hierop is het beroep van [appellant] tegen dit besluit van gegrond. Het besluit van 4 juli 2013 dient te worden vernietigd.

3. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zesentwintig weken na verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van rechtsoverweging 13.2 daarvan, zijn besluit te wijzigen door een bepaling in de planregels op te nemen, die ertoe strekt dat het gebruik van het vrachtautoparkeerterrein alleen dan is toegestaan indien een hekwerk rond het vrachtautoparkeerterrein en een voorziening waarmee de toegang tot het vrachtautoparkeerterrein kan worden gecontroleerd worden geplaatst en in stand gehouden.

Het besluit van 21 mei 2014

4. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad bij het besluit van 21 mei 2014 het herstelplan vastgesteld. In artikel 5.3 van de planregels van het herstelplan is bepaald dat het gebruik van gronden als vrachtautoparkeerterrein zoals bedoeld in artikel 5.1 alleen dan is toegestaan indien een hekwerk rond het vrachtautoparkeerterrein en een voorziening waarmee de toegang tot het vrachtautoparkeerterrein kan worden gecontroleerd, worden geplaatst en in stand gehouden.

5. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het beroep van [appellant] van rechtswege mede betrekking op het besluit van 21 mei 2014.

6. [appellant] heeft naar aanleiding van het besluit van 21 mei 2014 een zienswijze naar voren gebracht. Zij betoogt dat de raad haar ten onrechte niet persoonlijk in de gelegenheid heeft gesteld te reageren voordat het herstelplan werd vastgesteld.

6.1. Niet in geschil is dat afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw behoefde te worden toegepast bij de voorbereiding van het herstelplan, zoals de Afdeling ook onder rechtsoverweging 15 van de tussenuitspraak heeft overwogen. Voorts staat vast dat de bekendmaking van het herstelplan overeenkomstig de wettelijke voorschriften heeft plaatsgevonden. In de Wro noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan [appellant] in deze situatie persoonlijk in de gelegenheid had moeten worden gesteld een reactie naar voren te brengen alvorens het herstelplan werd vastgesteld.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt dat onvoldoende is verzekerd dat de voorziening als bedoeld in artikel 5.3 van de planregels daadwerkelijk in gebruik wordt genomen om de toegang tot het vrachtautoparkeerterrein te controleren. Het woord "kan" dient volgens haar te worden vervangen door "moet".

7.1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 15 overwogen waartoe een door de raad vast te stellen wijzing van de planregels dient te strekken. Gelet op de door de raad gegeven toelichting dat het vrachtautoparkeerterrein alleen na toegangscontrole toegankelijk dient te zijn, moet de voorwaarde in artikel 5.3 van de planregels zo worden begrepen dat daaraan alleen is voldaan indien de toegang tot het vrachtautoparkeerterrein wordt gecontroleerd. Het woord ‘kan’ in artikel 5.3 brengt derhalve, anders dan [appellant] meent, slechts met zich dat door de raad niet op voorhand is bepaald op welke wijze de toegangscontrole dient plaats te vinden.

Voor zover [appellant] vreest dat niet handhavend wordt opgetreden indien het vrachtautoparkeerterrein wordt gebruikt in strijd met de voormelde voorwaarde van artikel 5.3, overweegt de Afdeling dat deze vrees geen betrekking heeft op het plan of de totstandkoming daarvan. Handhavingsaspecten kunnen in deze procedure, die het bestemmingsplan als onderwerp heeft, niet aan de orde komen. In zoverre moet deze beroepsgrond derhalve buiten beschouwing blijven.

Het betoog faalt.

8. [appellant] betoogt dat tevens een controlevoorziening dient te worden gerealiseerd bij de ontsluiting op de Laarstraat voor ongemotoriseerd verkeer van het personeel van het wegrestaurant en het tankstation en, in geval van calamiteiten, de brandweer.

8.1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de raad het belang van een veilige leefomgeving heeft betrokken bij zijn belangenafweging. Daarbij heeft de raad onder meer betrokken dat verschillende inpassingsmaatregelen kunnen worden getroffen. Uitsluitend voor wat betreft het vrachtautoparkeerterrein heeft de raad beoogd de toegang daartoe eerst na controle toegankelijk te maken. Voor zover [appellant] thans betoogt dat ook een voorziening waarmee de toegang kan worden gecontroleerd dient te worden gerealiseerd bij de ontsluiting op de Laarstraat voor ongemotoriseerd verkeer van het personeel van het wegrestaurant en het tankstation en, in geval van calamiteiten, de brandweer, heeft zij haar beroepsgronden uitgebreid met een nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgrond. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat hetgeen [appellant] in dit opzicht aanvoert, buiten inhoudelijke bespreking blijft.

9. Het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 21 mei 2014 is ongegrond.

Proceskosten

10. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Druten van 4 juli 2013, waarbij het bestemmingsplan "Wegrestaurant Maas en Waalweg Afferden" is vastgesteld, gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Druten van 4 juli 2013, waarbij het bestemmingsplan "Wegrestaurant Maas en Waalweg Afferden" is vastgesteld;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Druten van 21 mei 2014 ongegrond;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Druten aan [appellant] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, griffier.

w.g. Koeman w.g. Broekman

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2014

12-743.