Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2993

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
201404990/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Morgenzon" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201404990/2/R2.

Datum uitspraak: 30 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], wonend te Winterswijk,

en

de raad van de gemeente Winterswijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Morgenzon" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] beroep ingesteld.

[verzoekster] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[verzoekster] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 juli 2014, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. D. van Hijkoop, advocaat te Doetinchem, en de raad, vertegenwoordigd door I. Timmers, J.A.M. Eijpe en G.J. Verzijden, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan voorziet in een herontwikkeling van het gebied Morgenzon. In het gebied worden de bouw van maximaal 90 woningen en de aanleg van een Park & Ride ten behoeve van het treinstation Winterswijk West mogelijk gemaakt.

3. [verzoekster] beoogt met haar verzoek onomkeerbare gevolgen als gevolg van de inwerkingtreding van het plan te voorkomen. Zij stelt dat zich bij haar woning een onaanvaardbare toename van de hoeveelheid verkeersbewegingen zal voordoen. [verzoekster] betoogt in dit verband dat het aan het plan ten grondslag gelegde verkeersonderzoek niet representatief is voor de bestaande verkeerssituatie. Volgens [verzoekster] had beter kunnen worden gekozen voor een ontsluitingsweg in het noord- of zuidoosten van het plangebied, en niet voor een ontsluitingsweg in de directe nabijheid van haar woning.

3.1. Aan het plan zijn de onderzoeken "Verkeersvisie locatie Morgenzon" en de "Aanpassing verkeersprognose plangebied Morgenzon" ten grondslag gelegd. In die onderzoeken wordt tot de conclusie gekomen dat bij de bestaande aansluiting van de Morgenzonweg op de Rondweg West, nabij de woning van [verzoekster], sprake zal zijn van een toename van de hoeveelheid verkeersbewegingen, maar dat het wegennet deze toename kan verwerken. In hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad die onderzoeken niet representatief voor de verkeerssituatie heeft kunnen achten en niet in redelijkheid van die onderzoeken heeft kunnen uitgaan. Voorts heeft de raad zich naar het oordeel van de voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich in de nabijheid van het perceel van [verzoekster] geen onaanvaardbare toename van de hoeveelheid verkeersbewegingen zal voordoen.

De raad heeft ter zitting uiteengezet dat voor de hoofdontsluiting van het plangebied is gekozen voor een ontsluitingsweg op een locatie nabij de woning van [verzoekster]. Dit maakt volgens de raad aansluiting op een nog te realiseren tunnel mogelijk. Verder heeft de raad toegelicht dat niet is gekozen voor een hoofdontsluitingsweg in het noordoosten van het plangebied, omdat het verkeer in de richting van de nabijgelegen Rondweg West dan door het smalle deel van de Morgenzonweg zou moeten rijden. Volgens de raad is dat gedeelte van de Morgenzonweg zo smal dat de verkeerssituatie in dat geval niet aanvaardbaar zou zijn. Ten aanzien van een hoofdontsluitingsweg op het zuidoosten van het plangebied heeft de raad opgemerkt dat de verkeersafwikkeling op die locatie door een woonwijk met smalle straten zou moeten plaatsvinden, en dat die verkeerssituatie evenmin aanvaardbaar zou zijn.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter in hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd in zoverre geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.

4. [verzoekster] stelt dat geen behoefte bestaat aan de in het plangebied voorziene nieuwe parkeervoorziening in de vorm van een Park & Ride.

4.1. Volgens de raad is op het bestaande parkeerterrein voor het station Winterswijk West een tekort aan parkeerruimte en bestaat dus behoefte aan de voorziene Park & Ride. Verder wijst de raad erop dat de locatie van de nieuwe Park & Ride als voordeel heeft dat treinreizigers die daar hun auto parkeren, het spoor niet hoeven over te steken. In hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat behoefte bestaat aan het voorziene parkeerterrein.

5. Voorts stelt [verzoekster] dat zij niet alleen geconfronteerd zal worden met verkeer van treinreizigers die hun auto parkeren, maar ook met verkeer van bezoekers van een nabijgelegen fastfoodrestaurant en ziekenhuis die hun auto eveneens op de Park & Ride zullen parkeren. Zij stelt dat zij hiervan overlast zal ondervinden.

5.1. Ten aanzien van het mogelijke gebruik van de Park & Ride door bezoekers van het ziekenhuis en van het fastfoodrestaurant, heeft de raad ter zitting toegelicht dat beide voorzieningen van eigen parkeergelegenheid zijn voorzien. Bovendien is het ziekenhuis volgens de raad op zodanige afstand van de Park & Ride gelegen dat niet waarschijnlijk is dat bezoekers daarvan van de Park & Ride gebruik zullen maken. Voor zover bezoekers van het fastfoodrestaurant gebruik zullen maken van de voorziene Park & Ride, zal dit volgens de raad slechts in zeer beperkte mate zijn, mede omdat de meest voor de hand liggende aanrijroute van het fastfoodrestaurant niet langs de voorziene Park & Ride voert. Volgens de raad zal zich geen grote toename van de hoeveelheid verkeer voordoen ten gevolge van ander verkeer dan treinreizigers en zal [verzoekster] daarvan niet of nauwelijks overlast ondervinden.

Gelet op het voorgaande en op hetgeen is aangevoerd heeft de raad zich naar het oordeel van de voorzitter in redelijkheid op dat standpunt kunnen stellen.

6. Voorts betoogt [verzoekster] dat het plan, voor zover dat voorziet in de mogelijkheid maximaal 90 woningen te realiseren, niet uitvoerbaar is, omdat onvoldoende behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen. In dit verband wijst zij erop dat alleen voor enkele woningen in het oostelijk deel van het plangebied belangstelling bestaat, en dat niet tot realisering van de voorziene woningen zal worden overgegaan zolang niet meer belangstelling voor die woningen bestaat. Verder voert zij aan dat niet duidelijk is in hoeverre de in het plan voorziene woningbouw passend is binnen het regionaal woningbouwprogramma, dat een reductie van het aantal nieuw te bouwen woningen noodzakelijk maakt.

6.1. In reactie op deze betogen van [verzoekster] heeft de raad toegelicht dat naar aanleiding van het regionaal woningbouwprogramma de hoeveelheid voorziene woningbouw in Winterswijk sterk is teruggebracht, maar dat de in het plangebied voorziene woningen passend zijn binnen de hoeveelheid woningen die nog mag worden gerealiseerd in de gemeente Winterswijk. Verder heeft de raad te kennen gegeven dat zich bij hem al verschillende serieuze belangstellenden hebben gemeld, die nadat het bestemmingsplan in rechte onaantastbaar is geworden tot de aankoop van gronden in het plangebied willen overgaan. Overigens heeft de raad erop gewezen dat het plangebied niet wordt ontwikkeld door een projectontwikkelaar, maar wordt ingevuld op basis van particulier opdrachtgeverschap. Er hoeft volgens de raad dus niet reeds een groot deel van de in het plangebied begrepen gronden verkocht te zijn voordat een begin kan worden gemaakt met de bouw van de voorziene woningen, in tegenstelling tot hetgeen [verzoekster] heeft betoogd.

Gelet op het voorgaande heeft [verzoekster] naar het oordeel van de voorzitter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het plan niet uitvoerbaar is.

7. Ten aanzien van de stelling van [verzoekster] dat een in de nabijheid van haar woning gelegen verblijfplaats van vleermuizen zal worden verstoord, wordt het volgende overwogen. In de aan het plan ten grondslag gelegde "Quickscan natuurtoets Driemarklocaties en WVC-terrein in Winterswijk" van de Stichting Staring Advies uit mei 2012, wordt tot de conclusie gekomen dat geen nader onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen in de nabijheid van de woning van [verzoekster] noodzakelijk is. In hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid van voornoemd onderzoek heeft kunnen uitgaan. Evenmin wordt aanleiding gezien voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen stellen dat geen verstoring van vleermuizen in de nabijheid van de woning van [verzoekster] zal plaatsvinden.

8. Voor zover [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij overlast zal ondervinden van bouwwerkzaamheden, wordt overwogen dat dit geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze grond voor het verzoek om voorlopige voorziening moet derhalve buiten beschouwing blijven.

9. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Vogel-Carprieaux

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014

458-726.