Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2989

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
201403489/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit, gedateerd 13 maart 2014, heeft het college van gedeputeerde staten aan de raad van de gemeente Zoeterwoude een aanwijzing gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 30 januari 2014 vastgestelde bestemmingsplan "Meerburg Polder Zuid".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201403489/2/R6.

Datum uitspraak: 30 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) in het geding tussen onder meer:

de commanditaire vennootschap Ontwikkelingsmaatschappij Meerburg C.V., gevestigd te Den Haag (hierna: Meerburg),

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit, gedateerd 13 maart 2014, heeft het college van gedeputeerde staten aan de raad van de gemeente Zoeterwoude een aanwijzing gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 30 januari 2014 vastgestelde bestemmingsplan "Meerburg Polder Zuid".

Tegen dit besluit heeft onder meer Meerburg beroep ingesteld.

Meerburg heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Meerburg en het college van gedeputeerde staten hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 juli 2014, waar Meerburg, vertegenwoordigd door P.J.M. Bocxe en bijgestaan door mr. P.V. Kleijn, advocaat te Utrecht, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. I.R.A.H.C. Delsing Nicolaas, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord de raad van de gemeente Zoeterwoude, vertegenwoordigd door P.M. Ceelen en R.R. Riethoven, beiden werkzaam bij de gemeente, en de raad van de gemeente Leiden, vertegenwoordigd door mr. R. Lever, advocaat te Leiden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het bestreden besluit ziet op de in het plan bij recht opgenomen mogelijkheid om detailhandel te realiseren met een maximale oppervlakte van 2.000 m² en een wijzigingsbevoegdheid voor eenzelfde maximale oppervlakte aan detailhandel.

3. Meerburg voert aan dat het besluit buiten de in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro genoemde termijn is gegeven.

3.1. Volgens het college van gedeputeerde staten is de termijn voor het nemen van het bestreden besluit aangevangen op de dag na het besluit tot vaststelling van het plan, zodat deze is geëindigd op 13 maart 2014. Bovendien is het besluit reeds op 11 maart 2014, en dus sowieso tijdig, genomen, alleen is het pas op 13 maart 2014 verzonden, aldus het college van gedeputeerde staten.

3.2. Ingevolge artikel 3.8, vierde lid, van de Wro, voor zover hier van belang, wordt het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan zes weken na de vaststelling bekendgemaakt, indien door het college een zienswijze is ingediend en deze niet volledig is overgenomen of indien de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, anders dan op grond van zienswijzen van het college. In zodanig geval zendt het college van burgemeester en wethouders na de vaststelling onverwijld langs elektronische weg het raadsbesluit aan het college.

Ingevolge het zesde lid, eerste volzin, kan het college, indien aan de in het vierde lid bedoelde voorwaarden is voldaan, onverminderd andere aan hem toekomende bevoegdheden, binnen de in dat lid genoemde termijn met betrekking tot het desbetreffende onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan aan de raad een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, geven, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. Ingevolge de vierde volzin vermeldt het college in de redengeving de aan het besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die de provincie beletten het betrokken provinciaal belang met inzet van andere aan hem toekomende bevoegdheden te beschermen.

3.3. Het plan is vastgesteld op donderdag 30 januari 2014. De in dit geval uit artikel 3.8, zesde lid, van de Wro voortvloeiende termijn voor het geven van een reactieve aanwijzing liep naar het oordeel van de voorzitter dan ook tot en met woensdag 12 maart 2014 (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2013, nr. 201202085/1/R1, overweging 4.2).

De vraag of artikel 3.8, zesde lid, van de Wro zo moet worden begrepen dat voor het einde van de daarin genoemde termijn het besluit moet zijn genomen, dan wel dat voor het einde van die termijn het besluit aan de raad moet zijn toegezonden of zijn ontvangen door de raad, is nog niet door de Afdeling beantwoord. Deze vraag leent zich niet voor beantwoording in deze procedure. Nu het besluit, afhankelijk van het antwoord op de vraag hoe artikel 3.8, zesde lid, van de Wro moet worden begrepen, mogelijk tijdig is genomen, bestaat geen aanleiding om reeds vanwege een mogelijke termijnoverschrijding over te gaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter evenmin aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4. Meerburg betoogt dat privaatrechtelijke verplichtingen die de provincie is aangegaan ten behoeve van ontwikkeling van het gebied waarvoor de bestreden reactieve aanwijzing is gegeven, in de weg staan aan het geven van die aanwijzing.

4.1. De voorzitter gaat er voorshands van uit dat de door de provincie aangegane privaatrechtelijke overeenkomsten waar Meerburg op wijst het college van gedeputeerde staten bij strijdigheid van het bestemmingsplan met de Verordening Ruimte er niet van hadden moeten weerhouden over te gaan tot het geven van een reactieve aanwijzing.

5. Meerburg voert aan dat, anders dan het college van gedeputeerde staten stelt, ten behoeve van de voorgenomen detailhandelontwikkeling een advies van het Regionaal Economisch Overleg (hierna: REO) is verkregen.

5.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Verordening Ruimte wijst een bestemmingsplan voor gronden die zijn gelegen buiten de bestaande winkelconcentraties in de centra van steden, dorpen en wijken of nieuwe wijkgebonden winkelcentra, geen bestemmingen aan die nieuwe detailhandel mogelijk maken.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder e, is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing op een bestemmingsplan dat voorziet in kleinschalige detailhandel tot een bruto vloeroppervlak van 200 m2, zoals buurt- en gemakswinkels.

Ingevolge het vierde lid gaat een bestemmingsplan dat detailhandel mogelijk maakt op gronden die zijn gelegen binnen de in lid 1 bedoelde bestaande en nieuwe winkelconcentraties bij detailhandelsontwikkelingen die groter zijn dan 2.000 m² (bruto vloeroppervlak) vergezeld van een distributieplanologisch onderzoek. Uit het onderzoek moet blijken dat er geen sprake is van ontwrichting van de detailhandelsstructuur. Tevens is advies nodig van het REO.

5.2. Het college van gedeputeerde staten stelt dat naar aanleiding van een adviesaanvraag aan het REO weliswaar het zogenoemde portefeuillehoudersoverleg van het samenwerkingsorgaan Holland Rijnland heeft gesproken over de beoogde detailhandelsontwikkeling, maar dat alleen het dagelijks bestuur van dat orgaan bevoegd is het REO-advies te geven. In dit geval heeft het dagelijks bestuur nog geen advies gegeven, aldus het college van gedeputeerde staten.

5.3. De voorzitter stelt vast dat de in deze zaak aan de orde zijnde vraag of het bestemmingsplan voorziet in een nieuw wijkgebonden winkelcentrum, zich niet leent voor beantwoording in deze procedure. Het antwoord op deze vraag is van belang voor de beantwoording van de vraag of het bestemmingsplan moet worden getoetst aan artikel 9, tweede lid, aanhef en onder e, dan wel aan artikel 9, vierde lid, van de Verordening Ruimte.

Indien aan de laatstgenoemde bepaling moet worden getoetst, speelt daarnaast de vraag of eerst sprake is van een advies van het REO in de zin van die bepaling als het afkomstig is van het dagelijks bestuur van Holland Rijnland, welke vraag zich evenmin leent voor beantwoording in deze procedure.

6. Hoewel de rechtmatigheid van het bestreden besluit naar het voorlopig oordeel van de voorzitter niet boven alle twijfel is verheven, kan de voorzitter niet uitsluiten dat het bestreden besluit in de hoofdzaak in stand blijft. Het desondanks treffen van een voorlopige voorziening die het mogelijk maakt dat de planonderdelen die door het bestreden besluit worden geraakt, kunnen worden bekendgemaakt en vervolgens in werking kunnen treden, zou onomkeerbare gevolgen met zich kunnen brengen voordat uitspraak is gedaan in de hoofdzaak.

De voorzitter ziet dan ook aanleiding om, bij afweging van alle betrokken belangen, het verzoek af te wijzen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Steenbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014

528-745.