Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2988

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
201403162/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:1824, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 november 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201403162/1/V2.

Datum uitspraak: 29 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 4 maart 2014 in zaak nr. 12/36014 en haar uitspraak van 8 april 2014 met hetzelfde zaaknummer in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 25 februari 2013 heeft de staatssecretaris dit besluit gewijzigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij tussenuitspraak van 4 maart 2014 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een aan het besluit van 25 februari 2013 klevend gebrek te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 13 maart 2014 heeft de staatssecretaris laten weten geen gebruik te maken van de gelegenheid het door de rechtbank vastgestelde gebrek te herstellen. Deze brief is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 april 2014 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 14 november 2012 onderscheidenlijk 25 februari 2013 vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Hetgeen de staatssecretaris in de eerste grief aanvoert kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), met dat oordeel volstaan.

2. In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte artikel 83 van de Vw 2000 heeft toegepast en is voorbij gegaan aan het besluit van 25 februari 2013 waarin hij heeft gemotiveerd waarom hij de gestelde bekering niet geloofwaardig heeft geacht. Daarnaast is de rechtbank voorbij gegaan aan hetgeen hij heeft gesteld in zijn brief van 13 maart 2014 in reactie op de verklaringen van de vreemdeling ter zitting van de rechtbank op 28 januari 2014, aldus de staatssecretaris.

2.1. In de aanvullende gronden van beroep van 25 november 2012 heeft de vreemdeling gesteld dat hij is bekeerd, waarna de staatssecretaris bij besluit van 25 februari 2013 zijn besluit van 14 november 2012 heeft gewijzigd en die bekering ongeloofwaardig heeft bevonden.

2.2. Door in de bekering, zoals in de aanvullende beroepsgronden naar voren gebracht, aanleiding te zien voor toepassing van artikel 83 van de Vw 2000, heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris zijn standpunt over de bekering heeft neergelegd in het besluit van 25 februari 2013. Ingevolge artikel 6:19 van de Awb is het tegen het besluit van 14 november 2012 ingestelde beroep van rechtswege mede tegen het besluit van 25 februari 2013 gericht. Voor toepassing van artikel 83 van de Vw 2000 was derhalve in zoverre geen noodzaak meer.

Nu een toetsing van het besluit van 25 februari 2013 in zowel de tussenuitspraak als de uitspraak ontbreekt en de rechtbank voorts er geen blijk van geeft de brief van de staatssecretaris van 13 maart 2014 waarin hij ingaat op de door de vreemdeling ter zitting over zijn bekering afgelegde verklaringen, in haar beoordeling te hebben betrokken, heeft de rechtbank ten onrechte het besluit van 14 november 2012 en het besluit tot wijziging daarvan van 25 februari 2013 vernietigd wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraken moeten worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 14 november 2012, zoals gewijzigd bij besluit van 25 februari 2013, toetsen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

3.1. In zijn brief van 13 maart 2014 heeft de staatssecretaris naar voren gebracht dat hij, in overeenstemming met de jurisprudentie van de Afdeling, zoals onder meer volgend uit de uitspraak van 24 mei 2013 in zaak nr. 201109839/1/V2, bijzondere waarde hecht aan de beantwoording door een vreemdeling van vragen over de motieven voor en het proces van bekering, nu aan een bekering een welbewuste en weloverwogen keuze vooraf gaat. De door de vreemdeling blijkens de zittingsaantekeningen van de zitting van de rechtbank op 28 januari 2014 (hierna: de zittingsaantekeningen) gestelde voortzetting van zijn geloofsactiviteiten en voortdurende interesse in het christendom, hebben geen betrekking op de aspecten waaraan hij bijzondere waarde hecht en zijn daarom niet relevant voor de vraag of de vreemdeling de bekering aannemelijk heeft gemaakt, aldus de staatssecretaris. Het tijdsverloop en de door de vreemdeling ter zitting naar voren gebrachte feiten, waaronder de brief van de voorganger van de Rafael Netwerkkerk in Roermond van 8 januari 2014, nopen naar de mening van de staatssecretaris, mede gegeven de motivering van het besluit van 25 februari 2013, niet tot nader onderzoek en een ander standpunt over het gestelde proces van bekering.

4. In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat de staatssecretaris niet duidelijk heeft gemaakt aan de hand waarvan hij beoordeelt of de bekering geloofwaardig is en voorts dat niet duidelijk is welke invulling hij geeft aan de in het besluit van 25 februari 2013 vermelde begrippen.

4.1. Zoals volgt uit de vorengenoemde uitspraak van 24 mei 2013 past de staatssecretaris een vaste gedragslijn toe bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging. Deze vaste gedragslijn houdt in dat de staatssecretaris een vreemdeling vragen stelt die - voor zover toepasselijk in het concrete geval - grofweg worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Voorts betreft het vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk. Ten slotte verwacht de staatssecretaris dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden, bijvoorbeeld waar de kerk zich bevindt die hij bezoekt, op welk tijdstip de dienst of de mis plaatsvindt, en hoe deze verloopt. Soortgelijke vragen stelt de staatssecretaris ook over andere door een vreemdeling genoemde uitingen van zijn gestelde geloofsovertuiging, zoals evangeliseringsactiviteiten. Zoals eveneens volgt uit voormelde uitspraak van 24 mei 2013 neemt de staatssecretaris tot uitgangspunt dat aan een bekering van een vreemdeling die afkomstig is uit een land waar de bekering tot een andere dan de in dat land lang algemeen gangbare geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel is, een weloverwogen en welbewuste keuze ten grondslag ligt.

4.2. Blijkens de zittingsaantekeningen heeft de staatssecretaris bevestigd dat hij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de bekering heeft verricht aan de hand van zijn in 4.1. beschreven vaste gedragslijn. Gelet hierop heeft de staatssecretaris, anders dan de vreemdeling betoogt, voldoende duidelijk gemaakt op welke wijze hij de antwoorden van de vreemdeling op de in het kader van de vaste gedragslijn gestelde vragen in zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van de bekering heeft betrokken, en welke invulling hij aan de in het besluit van 25 februari 2013 gehanteerde begrippen heeft gegeven. De beroepsgrond faalt.

5. De vreemdeling heeft voorts aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte is uitgegaan van een door hem gesteld verband tussen de problemen in Iran en zijn ontvankelijkheid voor het christendom.

5.1. Bij besluit van 14 november 2012 heeft de staatssecretaris het asielrelaas van de vreemdeling dat betrekking heeft op de bestraffing wegens recidive van alcoholgebruik in Iran, ongeloofwaardig geacht. Het in de tussenuitspraak van de rechtbank neergelegde oordeel dat de staatssecretaris het asielrelaas in zoverre in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten, heeft de vreemdeling niet bestreden.

5.2. Blijkens het aanvullend nader gehoor van 14 januari 2013 heeft de vreemdeling verklaard dat hij zich in verband met spanning als gevolg van de in Iran ondergane martelingen en ondervonden problemen alsmede zijn angst die samenhangt met zijn vlucht voor de autoriteiten uit Iran, in Nederland tot een christelijke landgenoot heeft gewend en dat God hem heeft geholpen deze problemen te overwinnen.

5.3. In het besluit van 25 februari 2013 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling nadrukkelijk een verband heeft gelegd tussen deze problemen in Iran en zijn ontvankelijkheid voor het christendom. Nu het asielrelaas met betrekking tot de problemen in Iran ongeloofwaardig is, is eveneens ongeloofwaardig dat deze problemen de aanleiding vormden voor een kennismaking met het christelijk geloof en vervolgens voor bekering, aldus de staatssecretaris.

5.4. Anders dan de vreemdeling betoogt, heeft hij in het aanvullend nader gehoor zelf meerdere keren een verband gelegd tussen zijn problemen in Iran en zijn ontvankelijkheid voor en bekering tot het christendom. Gelet voorts op het onder 5.1. weergegeven oordeel van de rechtbank over het besluit van 14 november 2012 en gegeven de in 4.1. vermelde vaste gedragslijn, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris niet in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat de ongeloofwaardigheid van de gestelde problemen in Iran, welke naar eigen zeggen van de vreemdeling de aanleiding vormden zich tot het christendom te bekeren, ertoe leidt dat de bekering eveneens ongeloofwaardig is. De beroepsgrond faalt.

6. De vreemdeling heeft voorts weliswaar ter staving van zijn bekering een verklaring van de voorganger van de Rafael Netwerkkerk in Roermond van 8 januari 2014 overgelegd, doch deze doet aan deze slotsom niet af. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2014 in zaak nr. 201311217/1/V2, stelt de staatssecretaris terecht dat een verklaring van een kerkelijke instantie of persoon weliswaar kan dienen ter staving van een bekering, maar dat dat de verantwoordelijkheid van de betrokken vreemdeling onverlet laat zelf overtuigende verklaringen af te leggen met betrekking tot zijn bekering en het proces dat tot de bekering heeft geleid. De beroepsgrond faalt.

7. Tot slot heeft de vreemdeling blijkens de zittingsaantekeningen over de in beroep overgelegde bladzijden uit Facebook verklaard dat hij daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Iran bekeringsactiviteiten zal verrichten.

7.1. De vreemdeling heeft zonder toelichting in beroep een aantal afdrukken van bladzijden uit Facebook overgelegd. Met het enkele plaatsen van christelijke afbeeldingen op Facebook zonder dat de bladzijden op Facebook tot de persoon van de vreemdeling zijn te herleiden, heeft hij zijn gestelde bekeringsactiviteiten niet aannemelijk gemaakt, nog daargelaten dat, zoals hiervoor is overwogen, de bekering zelf niet geloofwaardig is bevonden. De beroepsgrond faalt.

8. Voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, wordt aan deze beroepsgronden niet toegekomen. Over die beroepsgronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die beroepsgronden, dan wel onderdelen van de bij de rechtbank bestreden besluiten waarop deze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 4 maart 2014 en 8 april 2014, beide in zaak nr. 12/36014;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Wolff

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2014

238.