Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2982

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
201402581/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2012 heeft het algemeen bestuur onder meer een locatie aangewezen voor de plaatsing van 5 ondergrondse afvalcontainers, gelegen voor het wooncomplex MySide II aan de Oostelijke Handelskade te Amsterdam.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/830

Uitspraak

201402581/1/A4.

Datum uitspraak: 6 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Amsterdam,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel, thans het algemeen bestuur van de bestuurscommissie, Oost (hierna: het algemeen bestuur),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2012 heeft het algemeen bestuur onder meer een locatie aangewezen voor de plaatsing van 5 ondergrondse afvalcontainers, gelegen voor het wooncomplex MySide II aan de Oostelijke Handelskade te Amsterdam.

Bij besluit van 10 september 2013 heeft het algemeen bestuur, voor zover thans van belang, het door [appellant A] hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

Het algemeen bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2014, waar [appellant A] en het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door mr. S. Heijsen en I. Smit, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang bij een besluit is betrokken.

1.1. Het beroep van [appellanten] richt zich blijkens de tekst van het beroepschrift slechts tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift van [appellant A] van 18 januari 2013. Aangezien dat bezwaarschrift niet mede namens [appellant B] is ingediend, is zij geen belanghebbende bij de niet-ontvankelijkverklaring van dat bezwaarschrift. Het beroep, voor zover dat is ingesteld door haar, is niet-ontvankelijk.

2. Bij het bezwaarschrift van 18 januari 2013 heeft [appellant A] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 juli 2012. Het algemeen bestuur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Volgens het algemeen bestuur is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar.

3. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8 vangt die termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:45, eerste lid, wordt, indien tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt, daarvan bij de bekendmaking en bij de mededeling van het besluit melding gemaakt.

Ingevolge het tweede lid wordt hierbij vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan bezwaar kan worden gemaakt.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4. Het besluit van 10 juli 2012 is op 25 juli 2012 bekendgemaakt, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 5 september 2012. Het bezwaarschrift van [appellant A] van 18 januari 2013 is derhalve na afloop van de daarvoor geldende termijn ingediend.

5. [appellant A] voert aan dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de overschrijding van de termijn het gevolg is van de gebrekkige informatievoorziening van het algemeen bestuur. Daartoe wijst hij erop dat het algemeen bestuur de omwonenden nooit heeft gewezen op het feit dat zij schriftelijk bezwaar moesten maken. De Afdeling vat dit betoog op als een beroep op het, in strijd met artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht, ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing bij de bekendmaking van het besluit van 10 juli 2012.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 september 2011 in zaak nr. 201010355/1/H2), leidt het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing bij een besluit in beginsel tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, mits de belanghebbende daarop een beroep doet, stellende dat de termijnoverschrijding daarvan het gevolg is. Dit beginsel lijdt uitzondering indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende tijdig wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken. Van bekendheid met de termijn kan in ieder geval worden uitgegaan indien de belanghebbende voor afloop van de termijn reeds werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener.

Vaststaat dat bij de bekendmaking van het besluit van 10 juli 2012 geen rechtsmiddelverwijzing stond vermeld. Voorts is niet gebleken dat [appellant A] werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener. Evenmin is gebleken van andere omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat hij tijdig wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken. Gelet hierop moet de termijnoverschrijding verschoonbaar worden geacht. Het algemeen bestuur heeft het bezwaar van [appellant A] ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

De beroepsgrond slaagt.

6. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond. Het besluit van 10 september 2013 dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het bij brief van 18 januari 2013 door [appellant A] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Het algemeen bestuur dient, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw op zijn bezwaar te besluiten.

7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover dat is ingesteld door [appellant B];

II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost van 10 september 2013, kenmerk 2013/426582, voor zover daarbij het bij brief van 18 januari 2013 door [appellant A] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard;

IV. gelast dat het algemeen bestuur van de bestuurscommissie Oost aan [appellant A] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2014

262-687.