Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2980

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
201402567/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2013 heeft het college zijn beslissing om op 24 september 2013, wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen spoedeisende bestuursdwang toe te passen, bestaande uit het verwijderen van een verkeerd aangeboden huisvuilzak, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201402567/1/A4.

Datum uitspraak: 6 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2013 heeft het college zijn beslissing om op 24 september 2013, wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen spoedeisende bestuursdwang toe te passen, bestaande uit het verwijderen van een verkeerd aangeboden huisvuilzak, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 27 februari 2014 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2014, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door W.R. Liefden, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

2. De op dinsdag 24 september 2013 ter hoogte van de Kritzingerstraat 80 aangetroffen huisvuilzak is in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 aangeboden, omdat deze naast in plaats van in de daar aanwezige bovengrondse restafvalcontainer was geplaatst. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] deze overtreding heeft begaan, omdat in de huisvuilzak een tot haar adres herleidbaar poststuk is aangetroffen.

3. [appellante] betwist dat zij de overtreding heeft begaan. Zij voert aan dat zij haar huisvuilzak in de restafvalcontainer heeft gedaan. Omdat de container bijna vol was, paste de huisvuilzak er niet meer geheel in, maar stak hij nog gedeeltelijk uit aan de bovenkant en kon de klep van de container niet helemaal dicht, aldus [appellante]. Volgens [appellante] is de huisvuilzak daardoor mogelijk uit de container gevallen of door een derde eruit gehaald en ernaast op de grond gezet.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 1 juni 2005 in zaak nr. 200501068/1, zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden.

3.2. De enkele stelling van [appellante] dat zij de huisvuilzak in de container heeft geplaatst en het opperen van de mogelijkheid dat de huisvuilzak uit de container is gevallen of door een derde uit de container is gehaald en er naast is gezet, is onvoldoende om aannemelijk te maken dat het college niet van het hiervoor weergegeven bewijsvermoeden mocht uitgaan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014 in zaak nr. 201305803/1/A4). Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college haar niet als overtreder mocht aanmerken.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2014

262-687.