Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2977

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
201402114/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 februari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Julianalaan 72a van de Kaag en Braassem" vastgesteld. Bij besluit van 18 februari 2014 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen verleend ten behoeve van het bouwen van een steiger met golfbreker op het perceel [locatie] te Kaag. Bij besluit van 18 februari 2014 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en afwijken van het bestemmingsplan verleend ten behoeve van het vervangen van een loods op het perceel [locatie] te Kaag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201402114/2/R4.

Datum uitspraak: 30 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats], en anderen (hierna: [verzoeker] en anderen),

en

1. de raad van de gemeente Kaag en Braassem,

2. het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Julianalaan 72a van de Kaag en Braassem" vastgesteld. Bij besluit van 18 februari 2014 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen verleend ten behoeve van het bouwen van een steiger met golfbreker op het perceel [locatie] te Kaag. Bij besluit van 18 februari 2014 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en afwijken van het bestemmingsplan verleend ten behoeve van het vervangen van een loods op het perceel [locatie] te Kaag.

Tegen deze besluiten hebben [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.

[verzoeker] en anderen hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 juli 2014, waar [verzoeker] en anderen, bij monde van [gemachtigde]], bijgestaan door mr. G.J.A.M. Bogaers, advocaat te Laren Nh, en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door mr. V. Platteeuw en ir. J. Beelen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende] als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

De bestreden besluiten

2. Het plan biedt een juridisch-planologische basis voor het gebruik van het perceel Julianalaan 72 te Kaag als, onder meer, jachthaven met botenverhuur. De omgevingsvergunningen zijn verleend voor de bouw van een bedrijfsloods en de aanleg van steigers ten behoeve van de jachthaven.

Coördinatieregeling

3. De bestreden besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro). De besluiten zijn gelijktijdig bekend gemaakt.

Het bestemmingsplan

Procedurele beroepsgronden

4. [verzoeker] en anderen betogen dat de raad diverse benamingen voor het plan hanteert, hetgeen rechtsonzekerheid tot gevolg heeft.

4.1. Hoewel uit het bestemmingsplan, het vaststellingsbesluit en de publicatie van het besluit blijkt dat de raad diverse benamingen voor hetzelfde plan hanteert, blijkt uit het bestreden besluit en de publicatie ervan voldoende welk plan de raad heeft vastgesteld en op welke gronden dit plan betrekking heeft. In zoverre bestaat geen aanleiding voor het voorlopig oordeel dat rechtsonzeker is welk plan de raad heeft vastgesteld. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat bij het raadplegen van www.ruimtelijkeplannen.nl één vastgesteld bestemmingsplan voor de desbetreffende gronden wordt weergegeven. Het betoog faalt.

5. [verzoeker] en anderen betogen dat het ontwerpplan niet ter inzage heeft gelegen.

5.1. De raad heeft ter zitting weersproken dat het ontwerpplan niet ter inzage heeft gelegen. Wel is gedurende de periode dat het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen een papieren versie van de verbeelding ontvreemd, maar zodra dat werd ontdekt, is deze vervangen, aldus de raad. Gelet hierop geeft het aangevoerde over de terinzagelegging geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit in de hoofdzaak geen stand zal kunnen houden.

6. [verzoeker] en anderen betogen dat het bestreden besluit ten onrechte niet aan hen is toegezonden. Daarnaast betogen zij dat het vastgestelde bestemmingsplan niet op www.ruimtelijkeplannen.nl is gepubliceerd en dat het vastgestelde plan niet ter inzage heeft gelegen op het gemeentehuis.

6.1. Eventuele gebreken in de wijze van kennisgeving van terinzagelegging en de terinzagelegging van het vastgestelde plan betreffen onregelmatigheden van na de vaststelling van het bestreden besluit. Reeds hierom kunnen deze gebreken de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten en geen grond vormen voor de vernietiging van het besluit. Overigens is het vastgestelde plan met ingang van 20 maart 2014 ter inzage gelegd en blijkt uit de index van www.ruimtelijkeplannen.nl dat het vastgestelde plan op 19 maart 2014 op www.ruimtelijkeplannen.nl is geplaatst.

7. [verzoeker] en anderen betogen dat hun zienswijze niet volledig is behandeld en dat niet op alle door hen aangedragen argumenten is ingegaan.

7.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 16 juni 2010, zaak nr. 200901080/1/R1, behoeft het bestuursorgaan de ingekomen zienswijzen niet integraal weer te geven of op ieder argument afzonderlijk in te gaan. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijze samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd.

Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Dat [verzoeker] en anderen het met de inhoud van de beantwoording van de zienswijze niet eens zijn en vooringenomenheid van het gemeentebestuur vermoeden, maakt niet dat de zienswijze onvoldoende is behandeld. Het betoog faalt.

8. [verzoeker] en anderen betogen dat het gemeentebestuur vooringenomen heeft gehandeld. Zij voeren hiertoe aan dat het college van burgemeester en wethouders zich tegenstrijdig heeft uitgelaten over de door [verzoeker] en anderen aangevoerde onmogelijkheid van botenverhuur op grond van het vorige plan.

8.1. Ingevolge artikel 2:4, eerste lid van de Awb vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid.

8.2. Hetgeen [verzoeker] en anderen hebben gesteld, vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat de raad of het college van burgemeester en wethouders hebben gehandeld in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb. Niet is aannemelijk gemaakt dat het gemeentebestuur bepaalde bezwaren of argumenten van [verzoeker] en anderen niet dan wel op een vooringenomen wijze in zijn overwegingen heeft betrokken. Evenmin hebben [verzoeker] en anderen aannemelijk gemaakt dat de wijze waarop de informatie tijdens de bestemmingsplanprocedure is verstrekt zodanig is geweest dat hierdoor het plan onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Inhoudelijke beroepsgronden

Milieueffectrapport

9. [verzoeker] en anderen betogen dat ten onrechte geen milieueffectrapport is opgesteld, nu de plannen voor de kern Kaag voorzien in jachthavens met in totaal 100 ligplaatsen of meer en deze activiteit betrekking heeft op 250.000 bezoekers of meer per jaar.

9.1. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het vierde lid worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: het Besluit), voor zover van belang, worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

Ingevolge het vierde lid, voor zover van belang, worden als besluiten als bedoeld in artikel 7.2, vierde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen de categorieën die in kolom 4 van onderdeel D van de bijlage zijn omschreven.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover van belang, geldt, voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de Wet milieubeheer:

a. in zodanige gevallen en

b. in overige gevallen waarin op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (hierna: de Richtlijn) niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

In categorie D10.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit is als activiteit aangewezen de aanleg, wijziging of uitbreiding van jachthavens, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 250.000 bezoekers of meer per jaar, een oppervlakte van 25 hectare of meer, 100 ligplaatsen of meer of een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied.

Het bestemmingsplan is in categorie D10.2 zowel aangewezen als plan in kolom 3 als als besluit in kolom 4. Nu het onderhavige bestemmingsplan de voorgenomen uitbreiding van de jachthaven bij recht mogelijk maakt en derhalve niet het kader vormt voor een wijzigings- of uitwerkingsplan zoals opgenomen in kolom 4, is in dit geval de milieueffectrapportage voor besluiten aan de orde.

9.2. Vast staat dat het plan betrekking heeft op een jachthaven als bedoeld in categorie D10.2. [verzoeker] en anderen hebben naar het voorlopig oordeel van de voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat het plan voorziet in een uitbreiding van de jachthaven met meer dan 100 ligplaatsen, zodat niet aannemelijk is gemaakt dat de grenswaarden die voor deze categorie zijn opgenomen worden overschreden. Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat sprake is van een activiteit die betrekking heeft op meer dan 250.000 bezoekers per jaar. Dit betekent dat het aangevoerde niet leidt tot het voorlopig oordeel dat reeds op grond van artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Besluit een verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de Wet milieubeheer bestond. Ter beoordeling staat dan ook slechts of de raad terecht heeft geconcludeerd dat op grond van de selectiecriteria van bijlage III bij de Richtlijn kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben en dat toepassing van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de Wet milieubeheer daarom achterwege kon blijven.

9.3. De criteria van bijlage III bij de Richtlijn hebben onder meer betrekking op de kenmerken van het project - waaronder cumulatie met andere projecten -, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling, die in paragraaf 4.2 van de plantoelichting, bezien in samenhang met paragraaf 5.1 van de toelichting op het bestemmingsplan "Kaag", is opgenomen, heeft de raad over de voorgenomen activiteiten geconcludeerd dat een m.e.r.-beoordeling gelet op de omvang van het project niet nodig is. [verzoeker] en anderen hebben deze beoordeling inhoudelijk niet bestreden. Gelet hierop geeft het aangevoerde geen grond voor het voorlopig oordeel dat de raad op grond van de vormvrije m.e.r.-beoordeling niet had mogen concluderen dat op grond van artikel 7.2 van de Wet milieubeheer geen milieueffectrapport hoefde te worden gemaakt.

Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro

10. [verzoeker] en anderen betogen dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is vastgesteld, aangezien niet is gebleken van een regionale behoefte aan een jachthaven met botenverhuur.

10.1. Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder i, wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaande stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

10.2. Het plan maakt ten opzichte van het vorige plan de aanleg van een buitenhaven ten behoeve van de jachthaven en een beperkte uitbreiding van een reeds aanwezige bedrijfsloods mogelijk. Op grond van het vorige plan waren ter plaatse van de voorziene buitenhaven reeds aanlegsteigers toegestaan. Gelet op de beperkte omvang van de voorziene uitbreidingsmogelijkheden, is de voorzitter voorshands van oordeel dat de raad er in dit geval terecht vanuit is gegaan dat het plan niet voorziet in een stedelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is.

De MRSV

11. [verzoeker] en anderen betogen dat het plan in strijd met de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie 2005 (hierna: de MRSV) is vastgesteld. Hiertoe voeren zij aan dat als doelstelling in de MRSV is geformuleerd dat het landschap wordt beschermd en ruimte wordt geboden voor bestaande watersport-, horeca-, en recreatiebedrijven en dat het plan met deze doelstelling in strijd is.

11.1. Op pagina 28 van de MRSV staat dat het gebied genoeg mogelijkheden heeft om te kunnen dienen als economische motor en dat het de uitdaging is om deze mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de aantrekkelijkheid en het unieke van het landschap te behouden. Daarom kiest de gemeente er bewust voor om niet overal recreatie mogelijk te maken, maar om op bepaalde locaties te intensiveren en op andere plekken recreatie extensief te houden. De intensivering kan langs de oevers in en bij de dorpen, bij het Vennemeer en de Koppoel. Hier kunnen verblijfs- en dagrecreatieve voorzieningen, horeca parkeergelegenheid en jachthavens verder ontwikkeld worden. De gemeente geeft bestaande watersport- en horeca,- en recreatiebedrijven zo veel mogelijk de ruimte om te groeien en nieuwe horeca- en recreatiebedrijven de gelegenheid zich te vestigen.

11.2. Nu langs de oever van het dorp Kaag reeds jachthavens en aanlegsteigers aanwezig zijn en het plan voorziet in de uitbreiding van een reeds bestaande jachthaven, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het voorlopig oordeel dat het plan in strijd met de MRSV is vastgesteld.

De Provinciale Structuurvisie

12. [verzoeker] en anderen betogen dat het plan in strijd met de Provinciale Structuurvisie (hierna: de Structuurvisie) is vastgesteld. Hiertoe voeren zij aan dat de raad er geen rekening mee heeft gehouden dat het gebied in de Structuurvisie is aangewezen als Kroonjuweel.

12.1. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. In de plantoelichting is in paragraaf 3.2.1 expliciet aandacht aan de Structuurvisie besteed en is ingegaan op de verhouding van dit beleid tot het bestreden plan. Gelet hierop is aannemelijk dat de raad dit beleid in de belangenafweging heeft betrokken.

Plangrens

13. [verzoeker] en anderen betogen dat de raad voor het perceel Julianalaan 72 ten onrechte een apart plan heeft vastgesteld. Hiertoe voeren zij aan dat het vaststellen van een apart plan voor dit perceel tot verwarring leidt.

13.1. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

De raad heeft toegelicht dat het plan voor het perceel Julianalaan 72 een plan op aanvraag betreft en dat deze aanvraag in behandeling is genomen voordat is besloten om tevens het bestemmingsplan "Kaag" te herzien. Beide plannen zijn door de raad bij de vaststelling in samenhang bezien.

13.2. Gelet op deze toelichting van de raad bestaat geen aanleiding voor het voorlopig oordeel dat de plangrens in strijd met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld.

De bestemming "Bedrijf"

14. [verzoeker] en anderen betogen dat het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld, nu recreatieve activiteiten binnen de bestemming "Bedrijf" mogelijk worden gemaakt. Hierdoor ontstaat een ongewenste vermenging van activiteiten, aldus [verzoeker] en anderen.

14.1. De gronden met de bestemming "Bedrijf" zijn onder meer bestemd voor een scheepswerf tot maximaal categorie 3.1. van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. De voorzitter stelt voorts vast dat in het vorige plan ook de combinatie van de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "jachthaven" aan een deel van de gronden was toegekend. Gelet hierop en nu in artikel 3, lid 3.1, van de planregels het toegelaten gebruik binnen de bestemming "Bedrijf" duidelijk is omschreven, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het voorlopig oordeel dat het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening of de rechtszekerheid is vastgesteld.

Het vorige plan

15. [verzoeker] en anderen betogen dat het plan in strijd is met het voorheen geldende plan. Zij voeren aan dat de Afdeling in haar uitspraak van 14 maart 2012, zaak nr. 201106749/1/A1, heeft geoordeeld dat de bouwplannen van [belanghebbende] en het gebruik van de gronden met de bestemming "Water" voor commerciële doeleinden in strijd zijn met het bestemmingsplan. Deze bouwplannen en dit gebruik worden in dit bestemmingsplan in weerwil van het vorige plan en deze uitspraak toch mogelijk gemaakt, aldus [verzoeker] en anderen.

15.1. Nu het vorige plan geen toetsingskader vormt voor het bestreden plan faalt het betoog dat de raad het plan in strijd met het vorige plan heeft vastgesteld.

Voor zover [verzoeker] en anderen betogen dat de raad ten onrechte voornoemde uitspraak van de Afdeling naast zich neer heeft gelegd, overweegt de voorzitter dat deze uitspraak betrekking heeft op een in strijd met het vorige bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning. De uitspraak bevat geen oordeel over de aanvaardbaarheid van het bestreden plan.

Verkeershinder

16. [verzoeker] en anderen betogen dat het plan zal leiden tot verkeersoverlast op het eiland Kaag en de toegang daartoe. Hiertoe voeren zij aan dat het plan voorziet in een uitbreiding van het aantal ligplaatsen en dat deze uitbreiding niet is betrokken in het uitgevoerde verkeersonderzoek.

16.1. De raad heeft Goudappel Coffeng onderzoek laten doen naar de verkeersafwikkeling op het eiland Kaag. In het rapport "Onderzoek Kaag" van 18 december 2013 heeft Goudappel Coffeng hier verslag van gedaan. Op pagina’s 6 en 7 van het rapport staat dat de Julianalaan de verbinding vormt tussen de veerpont en de andere wegen op het eiland en dat als verkeersveilige maximumintensiteit 1.000 voertuigbewegingen per etmaal op deze weg geldt. Op pagina 12 staat dat de Julianalaan momenteel en buiten het zomerseizoen een verkeersdruk van 766 voertuigbewegingen per etmaal heeft en dat de verwachte verkeersdruk ongeveer 836 voertuigbewegingen per etmaal zal gaan bedragen als gevolg van de op het eiland Kaag voorziene ontwikkelingen. Tabel 2.6 van dit rapport bevat een overzicht van de mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen op het eiland Kaag. Het met het voorliggende plan mogelijk gemaakte gebruik van het perceel Julianalaan 72 te Kaag als, onder meer, jachthaven met botenverhuur is daarbij niet vermeld.

16.2. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de uitbreiding van het aantal ligplaatsen niet tot gevolg zal hebben dat het aantal verkeersbewegingen toeneemt, aangezien de nieuwe ligplaatsen zullen worden bezet door boten die thans reeds worden gebruikt, maar die momenteel op de kade liggen. Gelet op deze toelichting hebben [verzoeker] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat Goudappel Coffeng het gebruik van het perceel Julianalaan 72 als jachthaven ten onrechte niet in zijn onderzoek heeft betrokken. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat voor de verwachting dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare verkeershinder op het eiland Kaag.

Parkeerhinder

17. [verzoeker] en anderen betogen dat het plan, vanwege de uitbreiding van de recreatiemogelijkheden, zal leiden tot parkeeroverlast op het eiland Kaag.

17.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.3, onder b, van de planregels geschiedt parkeren op eigen terrein. Hierbij worden minimaal de volgende normen, conform de 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' oktober 2012 uitgegeven door het CROW, aangehouden:

- Boten of overige vaartuigen: 0,5 parkeerplaatsen per ligplaats.

[…]

17.2. In paragraaf 4.11 van de plantoelichting is uitgewerkt dat op basis van voormelde norm 78 ligplaatsen x 0,5 = 39 parkeerplaatsen nodig zijn. Voorts zijn voor de twee woningen nog 2 x 1,5 = 3 parkeerplaatsen nodig. Het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen komt daarmee op 42. Het totaal aantal aanwezige parkeerplaatsen op eigen terrein is 57.

17.3. [verzoeker] en anderen hebben de plantoelichting op dit punt niet bestreden. Nu in het plan is gewaarborgd dat parkeren op eigen terrein plaatsvindt en uit de toelichting van de raad volgt dat feitelijk voldoende ruimte voor parkeerplaatsen aanwezig is op het eigen terrein, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat het plan zal leiden tot een onevenredige toename van de parkeerdruk ter plaatse van de het bedrijf van [verzoeker] en anderen. Het betoog faalt.

Uitbreiding bouwmogelijkheden

18. [verzoeker] en anderen betogen dat het plan een aanzienlijke vergroting van de aanwezige bedrijfsloods mogelijk maakt.

18.1. Het plan voorziet ten opzichte van het vorige plan in een relatief geringe uitbreiding van het bouwvlak ter plaatse van de bedrijfsloods. [verzoeker] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze beperkte uitbreiding in ruimtelijk opzicht onevenredige gevolgen heeft. Het betoog faalt.

Maximale planologische mogelijkheden

19. [verzoeker] en anderen betogen dat de raad ten onrechte niet de maximale planologische mogelijkheden heeft onderzocht.

19.1. [verzoeker] en anderen hebben in dit verband volstaan met de algemene stelling dat de raad ten onrechte niet de effecten van de maximale planologische mogelijkheden heeft onderzocht. Het betoog bevat dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het plan wezenlijk meer ruimte biedt voor ontwikkelingen dan waarvan de raad bij de voorbereiding van het plan is uitgegaan. Het betoog faalt.

Horeca

20. [verzoeker] en anderen betogen dat de raad ten onrechte horeca mogelijk maakt op het perceel, waardoor een groot recreatieterrein ter plaatse kan worden gerealiseerd.

20.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor Bedrijf aangewezen gronden bestemd voor gebouwen en terreinen ten behoeve van bedrijven in de categorieën 1 t/m 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in de bijlage behorende bij de regels.

In de bijlage behorende bij de regels, onder SBI-code 55, zijn diverse vormen van logies-, maaltijden- en drankenverstrekking in categorie 1 en 2 opgenomen, waaronder restaurants en cafés.

In artikel 1, lid 1.7, is het begrip ‘bedrijf’ omschreven als een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.

20.2. Anders dan de raad betoogt, voorziet het plan met deze planregeling in een gebruik voor horecadoeleinden die de aan een jachthaven ondergeschikte verkoop van goederen te buiten gaan. De in het plan opgenomen omschrijving van het begrip ‘bedrijf’ staat daar naar het voorlopig oordeel van de voorzitter, anders dan de raad veronderstelt, niet aan in de weg. Nu de raad ter zitting heeft toegelicht dat hij dergelijk gebruik niet heeft beoogd, verwacht de voorzitter dat de Afdeling zal komen tot het oordeel dat het plan in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld.

De buitenhaven

21. [verzoeker] en anderen betogen dat het plan ten onrechte voorziet in de mogelijkheid van een buitenhaven. Hiertoe voeren zij aan dat door deze buitenhaven 1.640 m2 aan het openbaar toegankelijke water wordt onttrokken. Daarnaast voeren zij aan dat de veiligheid van zeilers door de aanleg van golfbrekers en aanlegsteigers in gevaar komt. Verder ontstaat door de buitenhaven een mastenlandschap, hetgeen een aantasting van het aanzicht van het dorp betekent, aldus [verzoeker] en anderen.

21.1. De voorzitter stelt vast dat op grond van het vorige plan ook aanlegsteigers ter plaatse konden worden gerealiseerd en dat ook feitelijk een aantal steigers aanwezig is. De afstand tussen de aanduiding "jachthaven" en de overzijde van het water bedraagt ten minste 70 m. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat door de aanleg van een buitenhaven het gebruik van het water rondom Kaag, waaronder de doorgang tussen de Dieperpoel en Eijmerspoel, niet zodanig wordt beperkt dat zeilers of andere recreanten hiervan geen gebruik meer kunnen maken of dat de veiligheid van zeilers in gevaar komt. Nu de oever van het dorp Kaag voorts reeds wordt gebruikt voor de aanleg van boten, bestaat evenmin aanleiding voor het voorlopig oordeel dat raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanleg van een buitenhaven niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van het aanzicht van het dorp Kaag.

Botenverhuur en uitbreiding aantal ligplaatsen

22. [verzoeker] en anderen betogen dat de raad de negatieve gevolgen van de uitbreiding van het aantal ligplaatsen en de mogelijkheid van botenverhuur ten onrechte niet heeft onderzocht. Hiertoe voeren [verzoeker] en anderen aan dat het plan zal leiden tot een overaanbod van ligplaatsen en botenverhuur, hetgeen negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid en het toerisme heeft en zal leiden tot leegstand.

22.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 september 2013 in zaak nr. 201208105/1/R2) komt voor de vraag of een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal ontstaan geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of voor een overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande voorzieningen moet worden gevreesd, maar is het doorslaggevende criterium of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften.

Uit de hiervoor aangehaalde uitspraak vloeit voort dat de Wet ruimtelijke ordening niet ertoe strekt bedrijven tegen de vestiging van concurrerende bedrijven in hun verzorgingsgebied te beschermen. De voorzitter is van oordeel dat een jachthaven met botenverhuur in dit geval niet als voorziening ten behoeve van de eerste levensbehoeften kan worden aangemerkt. Gelet daarop kan zich in dit geval geen duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau voordoen. Voorts acht de voorzitter voorshands niet aannemelijk gemaakt dat het plan leidt tot onaanvaardbare leegstand.

Financiële uitvoerbaarheid

23. [verzoeker] en anderen betogen dat het plan leidt tot planschade en dat de hoogte hiervan aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

23.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de gronden van [verzoeker] en anderen betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. [verzoeker] en anderen hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat de hoogte van de gestelde planschade zo hoog zal zijn dat het plan als gevolg hiervan in financieel opzicht niet uitvoerbaar is.

De omgevingsvergunningen

24. [verzoeker] en anderen hebben zich in het beroepschrift wat betreft het beroep tegen de omgevingsvergunningen beperkt tot een herhaling van hetgeen zij in hun zienswijze hebben aangevoerd. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [verzoeker] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

25. Gelet op al het voorgaande ziet de voorzitter in hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor de verwachting dat het besluit tot vaststelling van het plan in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, behoudens voor zover het betreft artikel 3, lid 3.1, onder a, van de planregels. Derhalve ziet de voorzitter bij afweging van de betrokken belangen en ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen en het verzoek voor het overige af te wijzen.

26. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Kaag en Braassem van 10 februari 2014, waarbij het bestemmingsplan "Julianalaan 72a van de Kaag en Braassem" is vastgesteld, voor zover het artikel 3, lid 3.1, onder a, van de planregels betreft;

II. wijst het verzoek voor het overige af;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Kaag en Braassem tot vergoeding van bij [verzoekster] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.005,54 (zegge: duizend vijf euro en vierenvijftig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Kaag en Braassem aan [verzoekster] en anderen het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Steenbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014

528-745.