Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2976

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
201401524/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] afgewezen om de in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de gba) bij zijn persoonsgegevens opgenomen geboortedatum te wijzigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401524/1/A3.

Datum uitspraak: 6 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te 's-Hertogenbosch,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 januari 2014 in zaak nr. 13/4319 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] afgewezen om de in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de gba) bij zijn persoonsgegevens opgenomen geboortedatum te wijzigen.

Bij besluit van 17 juli 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 januari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. T. Deckwitz, advocaat te 's-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door J.L.M. van den Broek, werkzaam bij de gemeente 's-Hertogenbosch, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet gba), welke wet op 6 januari 2014 is vervangen door de Wet basisregistratie personen, doch op dit geding nog van toepassing is, worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Ingevolge artikel 37, tweede lid, worden aan een geschrift, als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

2. Op 2 december 1976 is als geboortedatum van [appellant] [datum 1] opgenomen in de gba. Deze geboortedatum is ontleend aan de bijschrijving van [appellant] in het Marokkaanse paspoort van zijn moeder. Aan zijn verzoek om de in de gba bij zijn persoonsgegevens opgenomen geboortedatum te wijzigen van [datum 1] in [datum 2] heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat hij in september 2012 een Marokkaans geboorteboekje wilde laten opmaken en dat toen is gebleken dat de in de gba opgenomen geboortedatum niet strookt met de in de Marokkaanse registers van de burgerlijke stand opgenomen geboortedatum [datum 2]. Ter staving van zijn verzoek heeft hij een Copie Integrale (een kopie van een Marokkaanse geboorteakte) en een Extrait D'Acte de Naissance (een uittreksel uit het Marokkaanse geboorteregister), zijn Marokkaans paspoort en identiteitsbewijs, zijn Marokkaanse huwelijksakte en het Marokkaanse geboorteboekje van zijn vader overgelegd.

3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 26 februari 2014 in zaak nr. 201304668/1/A3) moeten de gegevens in de gba betrouwbaar en duidelijk zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor de gegevens omtrent de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, bestaat een rangorde in de geschriften waaraan deze gegevens mogen worden ontleend. Aan een ‘lager’ document mogen gegevens worden ontleend wanneer op het moment van inschrijving in redelijkheid geen ‘hoger’ document kan worden overgelegd. Dit doet evenwel niet af aan de plicht van de burger om ook na de inschrijving alsnog zo sterk mogelijke documenten te leveren (Kamerstukken II 1988/89, 21 123, nr. 3, blz. 13, 44 en 45). Het bewijs dat eenmaal in de gba opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, kan alleen worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Voor het wijzigen van eenmaal in de gba opgenomen gegevens zal gelet op het systeem van de Wet gba onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn.

4. De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat de door [appellant] ter staving van zijn verzoek overgelegde documenten authentiek zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellant] met zijn Marokkaanse paspoort en identiteitsbewijs, gelet op alle andere informatie, niet onomstotelijk aangetoond dat de in de gba bij zijn persoonsgegevens opgenomen geboortedatum feitelijk onjuist is. Voorts geven de Copie Integrale en het Extrait D'Acte de Naissance geen antwoord op de vraag, of de daarin genoemde persoon met de persoon van [appellant] overeenkomt. Hoewel het geboorteboekje van zijn vader als geboortedatum [datum 2] en als aangiftedatum [datum 1] vermeldt, hoefde het college hieraan geen doorslaggevend gewicht toe te kennen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in een op 18 januari 2000 opgemaakte Marokkaanse notariële akte door de [vader] van de echtgenote van [appellant], is verklaard dat de in de Marokkaanse huwelijksakte vermelde geboortedatum, [datum 2], niet juist is en de geboortedatum van [appellant] [datum 1] is. Voorts heeft [appellant] gedurende een aantal jaren in meerdere verklaringen en documenten [datum 1] als geboortedatum genoemd. Gelet op deze tegenstrijdigheden staat niet onomstotelijk vast dat de in de gba opgenomen geboortedatum feitelijk onjuist is, aldus de rechtbank.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat met de door hem ter staving van zijn verzoek overgelegde documenten niet onomstotelijk vaststaat dat de in de gba bij zijn persoonsgegevens opgenomen geboortedatum feitelijk onjuist is. Daarbij heeft hij een verklaring van het Consulaat Generaal van het Koninkrijk van Marokko van 30 januari 2014 overgelegd, ertoe strekkende dat in het oude paspoort van [appellant] per abuis een verkeerde geboortedatum was opgenomen en in het door hem overgelegde nieuwe Marokkaanse paspoort zijn geboortedatum is gecorrigeerd in [datum 2].

5.1. De Afdeling overweegt dat het Marokkaanse paspoort van de moeder van [appellant] waaraan de in de gba opgenomen geboortedatum is ontleend, een document is als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder d, van de Wet gba. De Copie Integrale en het Extrait D'Acte de Naissance zijn akten als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, van die wet, die ten doel hebben tot bewijs te dienen van de geboortedatum van [appellant]. In hoger beroep is onbestreden dat deze akten authentiek zijn. Voor het oordeel dat deze akten niet zien op de persoon van [appellant] bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen grond, nu behoudens de geboortedatum niet aan de identiteit van [appellant] wordt getwijfeld.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 12 juli 2006 in zaak nr. 200510354/1 overweegt de Afdeling dat het college, gelet op de dwingende formulering van de in artikel 36, tweede lid, van de Wet gba opgenomen rangorde van bronnen, gehouden is de geboortedatum van [appellant] te ontlenen aan de Copie Integrale. Hier kan ingevolge artikel 37, tweede lid, van de Wet gba van worden afgeweken als de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in de Copie Integrale opgenomen geboortedatum. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet gba blijkt dat het opnemen van een geboortedatum in de gba in strijd is met de Nederlandse openbare orde, indien regels van Nederlands internationaal privaatrecht de rechtsgeldigheid in Nederland aan de geboortedatum ontzeggen (Kamerstukken II 1988/89, 21 123, nr. 3, blz. 45). Dat doet zich hier niet voor. De verklaring van de schoonvader van [appellant], wat van de totstandkoming daarvan ook zij, doet niet af aan de bewijskracht van de Copie Integrale. Dat die verklaring is neergelegd in een notariële akte, bewijst alleen dat die verklaring ten overstaan van een notaris is afgelegd, niet dat hetgeen door de schoonvader is verklaard juist is. Dat [appellant] zelf bij aangiftes van vestiging en verhuizing als geboortedatum [datum 1] heeft genoemd, doet evenmin af aan de bewijskracht van de Copie Integrale. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] zelf ook in de veronderstelling verkeerde dat hij op die datum is geboren.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het Marokkaanse paspoort van de moeder van [appellant], de verklaring van zijn schoonvader en het noemen van de geboortedatum [datum 1] door [appellant] zelf onvoldoende grond biedt voor het standpunt van het college dat het verzoek tot wijziging van de in de gba opgenomen geboortedatum moet worden afgewezen.

Het betoog slaagt.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat hij in bewijsnood verkeert, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren en het besluit van 17 juli 2013 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

7. Het college moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 januari 2014 in zaak nr. 13/4319;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch van 17 juli 2013, kenmerk BZ/BZ/JvdB;

V. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.948,00 (zegge: negentienhonderdachtenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 406,00 (zegge: vierhonderdenzes euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Beerse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2014

382-816.