Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2973

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
201401498/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:282, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Herziening: ECLI:NL:RVS:2016:1837, Overig
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 mei 2012 heeft het college de door [appellante sub 2] gevraagde omgevingsvergunning voor het oprichten van een kas of warenhuis op het perceel dat is gelegen aan de [locatie] te Rijsbergen geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401498/1/A1.

Datum uitspraak: 6 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Zundert,

2. [ appellante sub 2], gevestigd te [plaats], [appellanten sub 2a en b], beiden wonend te [woonplaats], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 2]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 januari 2014 in zaken nrs. 13/235, 13/664 en 13/934 in het geding tussen:

[appellante sub 2]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2012 heeft het college de door [appellante sub 2] gevraagde omgevingsvergunning voor het oprichten van een kas of warenhuis op het perceel dat is gelegen aan de [locatie] te Rijsbergen geweigerd.

Bij besluit van 25 juni 2012 heeft het college de door [appellante sub 2] gevraagde omgevingsvergunning voor het oprichten van een paardenstal op het perceel dat is gelegen aan de [locatie] te Rijsbergen geweigerd.

Bij besluit van 25 juni 2012 heeft het college de door [appellant sub 2a] gevraagde omgevingsvergunning voor het oprichten van een loods op het perceel dat is gelegen aan de [locatie] te Rijsbergen geweigerd.

Bij besluit van 25 juni 2012 heeft het college de door [appellant sub 2b] gevraagde omgevingsvergunning voor het oprichten van een paardenstal op het perceel dat is gelegen aan de [locatie] te Rijsbergen geweigerd.

Bij besluit van 20 december 2012 heeft het college het door [appellante sub 2] tegen de besluiten van 22 mei 2012 en de afzonderlijke besluiten van 25 juni 2012 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij besluit van 15 januari 2013 heeft het college het besluit van 20 december 2012, onder aanpassing van de motivering, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 14 januari 2014 heeft de rechtbank het door [appellante sub 2] tegen het besluit van 20 december 2012, zoals dat is gewijzigd bij besluit van 15 januari 2013, ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen nieuwe besluiten te nemen op de gemaakte bezwaren met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellante sub 2] hoger beroep ingesteld.

[appellante sub 2] en het college hebben een verweerschrift ingediend.

Het college en [appellante sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting, gevoegd met zaken nrs. 201401491/1/A1 en 201401493/1/A1, behandeld op 3 juni 2014, waar het college, vertegenwoordigd door A.J.A. Nicia, werkzaam bij de gemeente, en [appellante sub 2],vertegenwoordigd door E. Boon en A. Braspenning, bijgestaan door H.J.M. Marcus, zijn verschenen.

Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1.1. Bij besluit van 26 mei 2011 heeft de raad de beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" vastgesteld. Deze is vervolgens in de Staatscourant en op de gemeentelijke website bekendgemaakt en op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl beschikbaar gesteld.

1.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beschikbaar stellen van de beheersverordening via de website www.ruimtelijkeplannen.nl, waar deze site fungeert als landelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) en voorts ingevolge artikel 1.2.3 van het Bro dient ter bindende vaststelling van de inhoud van de beheersverordening, in beginsel met bekendmaking via een elektronisch gemeenteblad als bedoeld in artikel 139, derde lid, van de Gemeentewet kan worden gelijkgesteld.

1.3. [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het beschikbaar stellen van de beheersverordening via de website www.ruimtelijkeplannen.nl niet op één lijn is te stellen met een bekendmaking als bedoeld in artikel 139 van de Gemeentewet.

1.4. Ingevolge artikel 139, eerste lid, van de Gemeentewet verbinden besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden niet dan wanneer zij zijn bekendgemaakt.

Ingevolge het tweede lid, geschiedt de bekendmaking:

a. door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te geven gemeenteblad;

b. bij gebreke van een gemeenteblad, door terinzagelegging voor de tijd van twaalf weken op het gemeentehuis of op een andere door het college te bepalen plaats en door het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag-, nieuws-, of huis-aan- huisblad.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, kan het gemeenteblad elektronisch worden uitgegeven. Na uitgifte blijft het gemeenteblad elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar.

1.5. Vast staat dat de gemeente Zundert geen gemeenteblad uitgeeft als bedoeld in artikel 139, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet en algemeen verbindende voorschriften onder meer bekendmaakt op haar website. Voorts staat vast dat het besluit tot vaststelling van de beheersverordening is bekendgemaakt in de Staatscourant en op de gemeentelijke website alwaar is voorzien in een link naar de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl, waar de beheersverordening aan een ieder elektronisch beschikbaar is gesteld en deze verordening met toelichting raadpleegbaar is.

Nu de bekendmaking van een besluit van een gemeentebestuur, dat algemeen verbindende voorschriften inhoudt, kan plaatsvinden door plaatsing in een elektronisch uitgegeven gemeenteblad dat langs elektronische weg voor een ieder raadpleegbaar moet blijven, is de Afdeling van oordeel dat met de bekendmaking in de Staatscourant en op de gemeentelijke website en de beschikbaarstelling van de volledige beheersverordening op www.ruimtelijkeplannen.nl is voldaan aan hetgeen met artikel 139 van de Gemeentewet is beoogd.

2. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat de integrale tekst van de beheersverordening op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar is, zoals is voorgeschreven in artikel 139, derde lid, van de Gemeentewet. De rechtbank heeft in dat kader voorop gesteld dat algemeen uitgangspunt bij het digitaal/elektronisch beschikbaar stellen van overheidsinformatie is, dat de informatie voor een ieder toegankelijk en kenbaar moet zijn op een laagdrempelige wijze, zodat een ieder - ook zonder uitgebreide kennis van informatietechnologie - daadwerkelijk daarvan kennis kan nemen. Volgens de rechtbank zijn in dit geval op de gebruikelijke manier van raadplegen van de website www.ruimtelijkeplannen.nl - zowel via ‘locatie’ als via de ‘naam’ van het ruimtelijke plan - uitsluitend het raadsvoorstel en het raadsbesluit te vinden, maar niet de tekst van de beheersverordening. Pas na een presentatie van het college ter zitting - na het inzoomen op het besluitvlak - kon volgens de rechtbank de integrale tekst van de beheersverordening worden getoond. Daar komt bij dat de naamgeving van het document (‘Beleidsteksten bij NL.IMRO.0879.BVbgrijsbergen-VS01’) volgens de rechtbank onduidelijk is, nu niet duidelijk is dat dit de integrale tekst van de beheersverordening betreft. Volgens de rechtbank is deze wijze van beschikbaar stellen van de beheersverordening dermate omslachtig en onduidelijk, dat zij niet voldoet aan de eis van algemene toegankelijkheid als bedoeld in artikel 139, derde lid, van de Gemeentewet. Op basis van het voorgaande is de beheersverordening naar het oordeel van de rechtbank niet naar behoren bekend gemaakt. Dat betekent dat de beheersverordening op grond van artikel 139, eerste lid, van de Gemeentewet onverbindend is. Het college heeft de beheersverordening daarom niet aan de bestreden besluiten ten grondslag mogen leggen, aldus de rechtbank.

3. Het college betoogt dat de rechtbank aldus de beheersverordening ten onrechte onverbindend heeft geacht. Het college voert daartoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de integrale tekst van de beheersverordening via ruimtelijkeplannen.nl op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar is zoals bedoeld in artikel 139 van de Gemeentewet.

3.1. De beheersverordening is beschikbaar gesteld op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. De omstandigheid dat eerst na het inzoomen op het besluitvlak waarbinnen de beheersverordening geldt, de integrale tekst van de beheersverordening kan worden getoond, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat de beheersverordening niet op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar is gesteld als bedoeld in artikel 139, derde lid, van de Gemeentewet. Dat ter identificatie van de beheersverordening de naam "NL.IMRO.0879.BVbgrijsbergen-VS01" wordt gebuikt, leidt niet tot een ander oordeel, reeds nu eveneens wordt vermeld dat het hier om een ruimtelijk plan gaat met de naam "Buitengebied Rijsbergen". Indien met de muis op deze naam wordt geklikt, wordt vermeld dat dit ruimtelijke plan de beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" is.

De conclusie is derhalve dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de integrale tekst van de beheersverordening niet op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar is als bedoeld in artikel 139, derde lid, van de Gemeentewet.

4. Het hoger beroep van [appellante sub 2] is ongegrond. Het hoger beroep van het college is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gelet hierop komt de Afdeling niet toe aan de beoordeling van de overige hoger beroepsgronden van [appellante sub 2]. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling alsnog de overige bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen.

5. [ appellante sub 2] heeft betoogd dat het college niet heeft onderkend dat de beheersverordening verbindende kracht mist wegens strijd met artikel 3.38, eerste lid, van de Wro. Volgens haar had het college de aanvragen om omgevingsvergunning daarom moeten toetsen aan het bij besluit van 5 december 1977 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen".

Zij voert daartoe aan dat de beheersverordening betrekking heeft op een gebied waar ruimtelijk ontwikkelingen zijn voorzien.

Verder voert [appellante sub 2], onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2002 in zaak nr. 200005022/1, aan dat in de beheersverordening niet al het feitelijk bestaande gebruik is gerespecteerd.

Voorts voert [appellante sub 2] aan dat in de beheersverordening de uitbreidingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven die het voorheen geldende bij besluit van 5 december 1977 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen" bood, ten onrechte zijn beperkt, hetgeen kan leiden tot planschade.

5.1. Ingevolge artikel 8.2 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) en artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, zoals deze luidden ten tijde van belang, stond tegen een besluit tot vaststelling van een beheersverordening geen beroep bij de bestuursrechter open. Dit betekent echter niet dat de beheersverordening in deze procedure in het geheel niet aan de orde kan komen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 6 november 2013, 201212079/1/A1; www.raadvanstate.nl), kan aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals dat is neergelegd in de beheersverordening, slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien dit in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien dit in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

5.2. Ingevolge artikel 3.38, eerste lid, van de Wro kan de gemeenteraad, onverminderd de gevallen waarin bij of krachtens wettelijk voorschrift een bestemmingsplan is vereist, in afwijking van artikel 3.1 voor die delen van het grondgebied van de gemeente waar geen ruimtelijke ontwikkeling wordt voorzien, in plaats van een bestemmingsplan een beheersverordening vaststellen waarin het beheer van dat gebied overeenkomstig het bestaande gebruik wordt geregeld.

5.3. Ten aanzien van het betoog dat de beheersverordening betrekking heeft op een gebied waar ruimtelijk ontwikkelingen zijn voorzien wordt het volgende overwogen.

Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.38 van de Wro (Kamerstukken II, 2005-2006, 28 916, nr. 26, blz. 4) is het instrument van de beheersverordening bedoeld om voor gebieden met een lage ruimtelijke dynamiek te kunnen voorzien in een passende planologische bescherming. Dit betekent niet dat er geen enkele ontwikkeling in een dergelijk gebied mag plaatsvinden, maar dat ten opzichte van het bestaande gebruik ten tijde van de vaststelling van de beheersverordening in beperkte mate ruimtelijke ontwikkelingen zijn toegestaan die ook reeds op grond van het voorheen geldende regime waren toegestaan. In hetgeen is aangevoerd wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat deze situatie zich hier niet voordoet. Uit de omstandigheid dat veel aanvragen om omgevingsvergunningen zijn ingediend die betrekking hebben op het gebied waarvoor de beheersverordening geldt, vloeit niet voort dat de beheersverordening ook in mogelijkheden voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voorziet.

Het betoog faalt.

5.4. Verder betoogt [appellante sub 2] dat in de beheersverordening niet al het feitelijk bestaande gebruik is gerespecteerd. De Afdeling begrijpt dat [appellante sub 2] hiermee bedoelt te betogen dat het gebruik in ruime zin ten onrechte niet is gerespecteerd, dat wil zeggen dat de romneyloods op het perceel, waarvoor [appellante sub 2] ter legalisering een aanvraag om omgevingsvergunning heeft ingediend, een bestaand bouwwerk is dat ten onrechte niet valt binnen een verbaal agrarisch bouwperceel.

Dit betoog kan niet slagen. Voor de romneyloods is geen bouw- of omgevingsvergunning verleend, die wel is vereist.

Reeds hierom bestaat geen grond voor het oordeel dat in de beheersverordening ten onrechte geen rekening is gehouden met de romneyloods.

De verwijzing van [appellante sub 2] naar de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2002 in zaak nr. 200005022/1 kan haar niet baten.

Ingevolge de in die zaak geldende planvoorschriften diende een agrarisch bouwblok in ieder geval de bestaande gebouwen behorende bij een agrarisch bedrijf te omvatten. De Afdeling heeft geoordeeld dat een loods ten onrechte niet binnen een agrarisch bouwblok viel, omdat onweersproken was gesteld dat die loods daar reeds 40 jaar stond en dat niet aannemelijk was geworden dat het gebruik van die loods binnen de planperiode zou worden beëindigd.

In het onderhavige geval heeft [appellante sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat tegen de zonder vergunning opgerichte romneyloods niet handhavend kan worden opgetreden.

5.5. Voorts wordt ten aanzien van het betoog van [appellante sub 2] dat in de beheersverordening de uitbreidingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven die het voorheen geldende bij besluit van 5 december 1977 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen" bood, ten onrechte zijn beperkt, het volgende overwogen.

Niet in geschil is dat in de beheersverordening de uitbreidingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven die het voorheen geldende bij besluit van 5 december 1977 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen" bood zijn beperkt. Het beperken van onbenutte uitbreidings- en gebruiksmogelijkheden is evenwel niet uitgesloten bij de vaststelling van een beheersverordening zo min als dat het geval is bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Daarbij wijst de Afdeling er, gelet op de geschiedenis van totstandkoming van de Wro (Kamerstukken II 2006-2007, 30 938, nr. 7, blz. 11-12) op dat de raad hiervoor kan kiezen als deze planologische mogelijkheden jarenlang niet zijn benut en deze niet langer in overeenstemming worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Deze situatie doet zich hier voor.

Voor zover dit tot vermindering van de waarde van een onroerende zaak zou kunnen leiden wijst de Afdeling er eveneens op dat de beheersverordening in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro is opgenomen als mogelijke oorzaak voor tegemoetkoming in schade.

5.6. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de beheersverordening onverbindend is. De conclusie is dat het college de aanvragen om omgevingsvergunning terecht heeft getoetst aan de beheersverordening.

6. [ appellante sub 2] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de aanvragen om omgevingsvergunning in strijd zijn met de beheersverordening. Zij voert daartoe aan dat het ingevolge de beheersverordening is toegestaan dat een verbaal agrarisch bouwperceel wordt uitgebreid ten behoeve van een bestaand agrarisch glastuinbouwbedrijf als het hare.

6.1. Ingevolge de beheersverordening rust op de percelen waarop de aanvragen om omgevingsvergunning zien (hierna: de percelen) de bestemming "Agrarisch gebied vrije vestiging".

Ingevolge artikel 2 van de beheersverordening (gelijkluidend aan artikel 1 van het bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen") wordt onder verbaal agrarisch bouwperceel verstaan: het perceel van een agrarisch bedrijf zoals dat wordt begrensd door de virtuele lijn die strak wordt getrokken om de buitenste grenzen van de clustering van bestaande bebouwing (bedrijfswoning, bijgebouwen, stallen, machineberging, mestopslag, voedersilo’s e.d.) en voorzieningen (tuin, erfverhardingen, kuilvoerplaten, erfbeplanting).

Verder wordt onder bestaand agrarisch bedrijf verstaan: een bedrijf dat ten tijde van terinzagelegging van de beheersverordening legaal aanwezig was.

Ingevolge artikel 3 (gelijkluidend aan artikel 5 van het bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen") zijn de als "Agrarisch gebied vrije vestiging" aangewezen gronden bestemd voor agrarische productiedoeleinden en om als bouwplaats te dienen voor agrarische bedrijfsbebouwing.

Nieuwvestiging van grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven is niet toegestaan.

Hervestiging van en omschakeling naar een grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan.

Hervestiging van en omschakeling naar een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf is niet toegestaan.

Hervestiging van en omschakeling naar een intensieve veehouderij en/of glastuinbouwbedrijf is niet toegestaan.

Verder mogen op de tot "Agrarisch gebied vrije vestiging" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven binnen het verbaal agrarisch bouwperceel met inachtneming van het navolgende:

(…)

g. Uitbreiding van het verbaal agrarisch bouwperceel is niet toegestaan.

Een uitzondering hierop zijn de bestaande glastuinbouwbedrijven, waarvoor in beginsel uitbreiding van de bebouwing is toegestaan tot een maximaal netto glasopstand van 3 hectare. Onder netto glas wordt verstaan: het precieze aantal m² kasoppervlakte van een glastuinbouwbedrijf of in een glastuinbouwgebied. Dit betekent een bruto uitbreiding tot 3,5 hectare. Onder bruto wordt verstaan het totale grondoppervlak benodigd voor realisatie van een compleet glastuinbouwbedrijf of glastuinbouwgebied (kasoppervlakte, bedrijfsschuur, erf, waterberging, groenstroken, infrastructuur etc. = verbaal agrarisch bouwperceel).

6.2. Uit artikel 2 van de beheersverordening moet worden afgeleid dat onder bestaande bebouwing wordt verstaan de bebouwing die ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp legaal aanwezig was.

Niet gebleken is dat de twee paardenstallen en de kas waarvoor omgevingsvergunning is gevraagd ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp bestonden.

Verder is voor de romneyloods geen bouw- of omgevingsvergunning verleend, die wel is vereist. Dit bouwwerk was daarom ten tijde van de terinzagelegging niet legaal aanwezig.

Gelet hierop zijn op de percelen geen verbale agrarische bouwpercelen als bedoeld in artikel 2 van de beheersverordening geprojecteerd. Er is aldus geen agrarisch bouwperceel dat kan worden uitgebreid teneinde de bouwplannen van [appellante sub 2] mogelijk te maken.

Onder vorenstaande omstandigheden heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanvragen om omgevingsvergunning in strijd zijn met artikel 3 van de beheersverordening.

Nu de conclusie is dat de gevraagde omgevingsvergunningen in strijd zijn met de beheersverordening, behoeft het betoog van [appellante sub 2] dat het college niet heeft onderkend dat de gevraagde omgevingsvergunningen dienen ten behoeve van een bestaand agrarisch bedrijf, niet meer te worden beoordeeld.

7. Verder betoogt [appellante sub 2] dat het college in redelijkheid niet de gevraagde omgevingsvergunningen in afwijking van de beheersverordening heeft kunnen weigeren.

Zij voert daartoe aan dat het college zich op geen enkele wijze heeft uitgelaten over de activiteit planologisch afwijkend gebruik.

7.1. Volgens het besluit op bezwaar en de besluiten van 28 november 2011 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de aanvragen om omgevingsvergunning geweigerd moeten worden, omdat deze in strijd zijn met het beleid dat ten grondslag is gelegd aan de beheersverordening en met de Verordening ruimte 2012, van de provincie Noord-Brabant. Naar het oordeel van de Afdeling is dit standpunt van het college niet onredelijk. Het door [appellante sub 2] aangevoerde geeft geen grond voor een ander oordeel.

8. [ appellante sub 2] betoogt voorts dat het college haar had moeten horen alvorens het besluit van 15 januari 2013 te nemen.

8.1. [appellante sub 2] is op 6 november 2012 in de gelegenheid gesteld te worden gehoord door de Bezwaarschriftencommissie. Volgens het verslag dat van deze hoorzitting is gemaakt, heeft zij van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Aldus heeft het college voldaan aan het bepaalde in artikel 7:2 van de Awb. Dat het college voor het nemen van het besluit van 15 januari 2013 [appellante sub 2] niet nogmaals heeft gehoord, leidt niet tot een ander oordeel.

9. [ appellante sub 2] betoogt verder dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 3:49 van de Awb. Zij voert daartoe aan dat wethouder J. de Beer namens het college te kennen heeft gegeven dat het besluit op bezwaar is genomen onder verwijzing naar een door het college ingewonnen contra-expertise. Deze zou vertrouwelijk voor raads- en commissieleden bij de griffie ter inzage zijn gelegd en vormt kennelijk het juridische fundament om af te wijken van het voor [appellante sub 2] positieve advies van de bezwaarschriftencommissie, aldus [appellante sub 2].

9.1. In het besluit op bezwaar wordt niet verwezen naar een contra-expertise als bedoeld door [appellante sub 2] . Het college heeft reeds daarom niet gehandeld in strijd met artikel 3:49 van de Awb. Het betoog faalt.

10. [ appellante sub 2] verzoekt in haar beroepschrift nadrukkelijk de gronden van bezwaar, voor zover die niet specifiek door haar worden toegelicht, tevens als gronden voor het beroep aan te merken.

10.1. Dit betoog betreft een niet nader gemotiveerde herhaling van de door [appellante sub 2] in bezwaar aangevoerde gronden. In de overwegingen van het besluit op bezwaar is het college op die gronden ingegaan. [appellante sub 2] heeft in beroep geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die gronden in het besluit op bezwaar onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Gelet hierop kan het aldus aangevoerde niet leiden tot vernietiging van het besluit op bezwaar.

11. [ appellante sub 2] betoogt voorts dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 3.9 van de Awb. Zij voert daartoe aan dat het advies van de Bezwaarschriftencommissie waarop het besluit op bezwaar is gebaseerd diverse gebreken vertoont.

11.1. Het college heeft bij besluit op bezwaar van 20 december 2012, zoals dat is gewijzigd bij besluit van 15 januari 2013, het advies van de Bezwaarschriftencommissie overgenomen, met uitzondering van hetgeen de commissie heeft overwogen met betrekking tot de geldigheid en het in werking treden van de beheersverordening. Gelet op hetgeen in deze uitspraak hiervoor is overwogen kan in hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd geen grond worden gevonden voor het oordeel dat het besluit op bezwaar ondeugdelijk is gemotiveerd. Gelet daarop is niet gebleken dat het advies van de Bezwaarschriftencommissie, voor zover dit advies aan het besluit op bezwaar van 20 december 2012, zoals dat is gewijzigd bij besluit van 15 januari 2013, ten grondslag is gelegd, ondeugdelijk is, dan wel dat het door de Bezwaarschriftencommissie uitgevoerde onderzoek op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

12. Het beroep van [appellante sub 2] tegen het besluit op bezwaar van 20 december 2012, zoals dat is gewijzigd bij besluit van 15 januari 2013, is ongegrond.

13. [ appellante sub 2] heeft verzocht om bij gegrondverklaring van haar beroep het college te veroordelen tot vergoeding van de door [appellante sub 2] geleden schade. Aangezien het beroep van [appellante sub 2] ongegrond is, wordt dit verzoek afgewezen.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellante sub 2], [appellanten sub 2a en b] ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Zundert gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, van 14 januari 2014 in zaken nrs. 13/235, 13/664 en 13/934;

IV. verklaart het door [appellante sub 2], [appellanten sub 2a en b] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

V. wijst het verzoek van [appellante sub 2], [appellanten sub 2a en b] om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2014

543.