Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2968

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
201401031/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 september 2012 heeft de raad een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand ten behoeve van [appellant] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401031/1/A2.

Datum uitspraak: 6 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 januari 2014 in zaak nr. 12/3972 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2012 heeft de raad een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand ten behoeve van [appellant] afgewezen.

Bij besluit van 30 oktober 2012 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 20 januari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2014, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. K. Achefai, werkzaam bij de raad, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend indien het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft.

2. Op 22 augustus 2012 is namens [appellant] een toevoeging aangevraagd voor rechtsbijstand voor het voeren van verweer in een geschil over de huur van een bedrijfspand. De raad heeft de aanvraag afgewezen omdat het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad terecht de aanvraag heeft afgewezen. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij sinds 1 juli 2005 de bedrijfsruimte huurt. Deze aan de rechtbank voorgehouden informatie is onjuist en mogelijk valselijk opgemaakt. In de strafzaak die dient tegen de werkelijke huurders en gebruikers van het pand treedt hij op als getuige in plaats van als gedaagde, aldus [appellant].

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 april 2002 in zaak nr. 200104263/1) is voor de beantwoording van de vraag of artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb toepassing vindt, niet beslissend of een beroep of bedrijf door de rechtzoekende zelfstandig wordt uitgeoefend, doch veeleer of sprake is van activiteiten als ondernemer.

Bij de toevoegingsaanvraag is een brief van 11 mei 2012 gevoegd, waarin de verhuurders hebben gesteld dat [appellant] vanaf 1 juli 2005 van hen een bedrijfsruimte huurt. Op 15 juni 2011 is een nieuwe huurovereenkomst ondertekend. De bedrijfsruimte is bedoeld om te worden gebruikt als showroom, kantoor, werkplaats en opslag van ijsmachines. Uit die brief blijkt voorts dat de verhuurders [appellant] hebben gesommeerd om het gehuurde te ontruimen omdat politieagenten op 5 april 2012 hebben geconstateerd dat zich in het gehuurde een hennepplantage bevond. Daarbij hebben de verhuurders aanspraak gemaakt op de resterende huurtermijnen tot aan het einde van de huurovereenkomst en op betaling van de glasschade aan het pand. [appellant] heeft zijn stelling dat de in de brief vervatte informatie over de huur van de bedrijfsruimte en het op grond daarvan door de raad ingenomen standpunt onjuist is niet met stukken aannemelijk gemaakt. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de raad terecht heeft geconcludeerd dat [appellant] activiteiten heeft verricht als ondernemer. Daarbij is niet van belang of hij uit die activiteiten enig financieel voordeel heeft behaald. De raad heeft derhalve terecht de aanvraag afgewezen omdat het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft.

Dat, zoals [appellant] heeft aangevoerd, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] zonder bericht van verhindering niet is verschenen ter zitting van 20 januari 2014 maakt niet dat het oordeel van de rechtbank over de geweigerde toevoeging niet kan worden gevolgd.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2014

18-680.