Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2960

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
201400235/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2013:8831, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201400235/1/V3.

Datum uitspraak: 31 juli 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

2. [de vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 december 2013 in zaak nr. 13/17521 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 december 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk verklaard, het beroep voor het overige gegrond verklaard en het inreisverbod vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de staatssecretaris en de vreemdeling hoger beroep ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.

De vreemdeling en de staatssecretaris hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

In de hoger beroepen

1. De vreemdeling klaagt in de enige grief en de staatssecretaris klaagt in grief 1 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit, nu zij op 10 juli 2013 naar Brazilië is teruggekeerd en geen nader belang heeft gesteld.

1.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van 8 augustus 2011 in zaak nr. 201105786/1/V3 overweegt de Afdeling dat de vreemdeling door haar terugkeer naar Brazilië heeft voldaan aan de bij het terugkeerbesluit vastgestelde terugkeerverplichting. Het terugkeerbesluit is dan ook uitgewerkt.

De vreemdeling heeft evenwel in het beroepschrift van 5 juli 2013 verzocht om vergoeding op grond van artikel 8:73 (lees: 8:88, eerste lid) van de Awb van door haar als gevolg van het terugkeerbesluit geleden schade. Voorts heeft zij die schade in dat beroepschrift tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt. Al hierom had de vreemdeling belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2009 in zaak nr. 200902638/1/H3). De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De grieven slagen.

2. Ook grief 2 van de staatssecretaris slaagt. De rechtbank heeft enerzijds het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk verklaard en anderzijds in het beroep voor zover gericht tegen het inreisverbod geoordeeld dat geen risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. De staatssecretaris betoogt terecht dat voor een beoordeling van het bestaan van dat risico in laatstbedoeld beroep geen plaats is. De rechtbank heeft dit evenmin onderkend.

Grief 2 slaagt al hierom.

3. De hoger beroepen zijn kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Hetgeen de staatssecretaris overigens aanvoert, behoeft geen bespreking. In het beroep tegen het besluit van 4 juli 2013 overweegt de Afdeling als volgt.

In het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit

4. De vreemdeling heeft gemotiveerd betoogd dat de aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegde gronden niet de conclusie rechtvaardigen dat een risico bestaat dat zij zich aan het toezicht zal onttrekken.

4.1. De staatssecretaris heeft aan het terugkeerbesluit ter staving van voormelde conclusie ten grondslag gelegd dat de vreemdeling:

a. zich niet aan één of meer voor haar geldende verplichtingen heeft gehouden als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000;

b. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

c. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van 16 mei 2014 in zaak nr. 201311310/1/V3 overweegt de Afdeling dat de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit moet worden beoordeeld naar de feiten die ten tijde van het nemen daarvan bekend waren of redelijkerwijs bekend behoorden te zijn.

Niet in geschil is dat de onder a. bedoelde grond ziet op de omstandigheid dat de vreemdeling zich niet bij de korpschef heeft gemeld. Evenmin is in geschil dat die grond feitelijk juist is.

Voorts heeft de staatssecretaris terecht aan het terugkeerbesluit ten grondslag gelegd dat de vreemdeling niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Daartoe is al redengevend dat de vreemdeling op 4 juli 2013 niet zelfstandig over een inkomen beschikte (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2013 in zaak nr. 201302799/1/V3).

De twee hiervoor genoemde gronden geven in hun onderlinge samenhang bezien in beginsel voldoende aanleiding om aan te nemen dat op 4 juli 2013 een risico bestond dat de vreemdeling zich aan het toezicht zou onttrekken. Nu zich gelet op die gronden een andere situatie voordoet dan in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2012 in zaak nr. 201202470/1/V3, kan het beroep van de vreemdeling op die uitspraak al hierom niet slagen.

4.3. De stelling van de vreemdeling dat zij en haar partner niet op de hoogte waren gesteld van de opgelegde meldplicht bij de korpschef, noopt niet tot afwijking van het onder 4.2. weergegeven uitgangspunt. Uit het op 4 juli 2013 op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van verhoor blijkt namelijk dat de vreemdeling wel degelijk van die meldplicht op de hoogte was, nu zij bij die gelegenheid heeft verklaard dat de Koninklijke Marechaussee haar bij de inreis op 13 juni 2013 heeft uitgelegd dat zij zich binnen drie dagen bij de korpschef moet melden, maar dat zij dat is vergeten.

Ook de stelling van de vreemdeling dat zij als toeriste naar Nederland is gekomen, leidt in het licht van het voorgaande niet tot het ermee beoogde doel. De Afdeling betrekt daarbij dat de vreemdeling in het aanvullend beroepschrift van 9 augustus 2013 zelf heeft erkend dat haar vrije termijn is vervallen en zij onrechtmatig in Nederland verbleef, omdat zij zich niet aan haar meldplicht heeft gehouden. Al hierom kan de vreemdeling geen geslaagd beroep doen op de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2012 in zaak nr. 201207828/1/V3.

De onder 4.2. vermelde gronden kunnen het terugkeerbesluit dragen. De beroepsgrond faalt dan ook.

In het beroep voor zover gericht tegen het inreisverbod

5. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.

5.1. De vreemdeling is op 10 juli 2013 naar Brazilië teruggekeerd. Onder verwijzing naar de uitspraak van 6 februari 2013 in zaken nrs. 201111974/1/V3 en 201206851/1/V3 overweegt de Afdeling dat de duur van het inreisverbod - één jaar - op de dag van die terugkeer is aangevangen en op 10 juli 2014 is verstreken.

Gelet op het voorgaande heeft de vreemdeling geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep voor zover gericht tegen het inreisverbod.

Slotoverwegingen

6. Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit is ongegrond. Nu hieruit volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken, zal het verzoek van de vreemdeling daartoe reeds hierom worden afgewezen.

Het beroep is voor zover gericht tegen het inreisverbod niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang bij een inhoudelijke beoordeling daarvan.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 december 2013 in zaak nr. 13/17521;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

V. verklaart het beroep voor het overige niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Waasdorp

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2014

714.