Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:296

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
201301253/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2012:1639, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2011 heeft de burgemeester een aanvraag van [appellant] om verlening van vergunning voor de exploitatie van [bedrijf] aan de [locatie] te Dordrecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201301253/1/A3.

Datum uitspraak: 5 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Dordrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 18 december 2012 in zaak nr. 12/486 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Dordrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2011 heeft de burgemeester een aanvraag van [appellant] om verlening van vergunning voor de exploitatie van [bedrijf] aan de [locatie] te Dordrecht afgewezen.

Bij besluit van 12 april 2012 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 december 2012 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de door de burgemeester verzochte beperkte kennisneming van het advies van 6 september 2011 dat het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur op verzoek van de burgemeester heeft uitgebracht gerechtvaardigd geoordeeld.

[appellant] heeft aan de Afdeling toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2014, waar [appellant] in persoon en de burgemeester, vertegenwoordigd door mrs. R.W. Veldhuis en M.F.H. Hirsch Ballin, beiden advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van deel C volgt dat, nu de aangevallen uitspraak vóór 1 januari 2013 bekend is gemaakt, deze moet worden beoordeeld aan de hand van het recht, zoals dit vóór inwerkingtreding van deze wet gold.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij het beroepschrift niet heeft ondertekend. Hij heeft alle stukken wel zelf ondertekend, maar is in verwarring gebracht door de tolk, aldus [appellant].

2.1. De ondertekening van het beroepschrift dient ten bewijze dat het door of namens de indiener is ingediend. Wanneer degene die het heeft ondertekend voor een ander in beroep komt, kan de rechtbank van de gemachtigde, niet zijnde een advocaat of procureur, ingevolge artikel 8:24, tweede lid, van de Awb een schriftelijke machtiging verlangen.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de ondertekening van het beroepschrift verschilt van de handtekening op het zich in het dossier bevindende afschrift van de identiteitskaart van [appellant]. Ook de ondertekeningen van verscheidene processtukken verschillen onderling. [appellant] heeft daarover ter zitting bij de rechtbank verklaard dat hij correspondentie in de Nederlandse taal aan iemand die de taal machtig is pleegt voor te leggen. Vervolgens instrueert hij zijn boekhouder, of [persoon], hoe de schriftelijke reactie daarop dient te luiden en ondertekent hij het stuk vervolgens zelf. Geconfronteerd met de bevindingen van de rechtbank over de ondertekening van de stukken, heeft [appellant] zijn verklaring steeds verder bijgesteld met uiteindelijk de verklaring dat hij het beroepschrift niet zelf heeft ondertekend en niet weet, wie dit voor hem heeft gedaan. Het aangevoerde biedt geen aanknopingspunten om aan te nemen dat [appellant] het hem gevraagde, zoals hij stelt, niet heeft begrepen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door de tolk in verwarring is gebracht.

2.2. In beginsel dient de indiener van een beroepschrift de mogelijkheid te worden geboden een verzuim in de ondertekening van het beroepschrift te herstellen. De rechtbank heeft dit echter terecht niet mogelijk geacht, nu [appellant] heeft verklaard dat hij niet weet, wie het beroepschrift heeft ondertekend. Daarbij komt dat hij heeft verklaard dat hij zelf de Nederlandse taal niet beheerst en hij het beroepschrift derhalve niet kan hebben opgesteld. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat hij niet heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat hij iemand heeft gemachtigd voor hem beroep in te stellen. Nu het beroepschrift niet kan worden aangemerkt als door of namens [appellant] ingediend, heeft de rechtbank het daarbij ingestelde beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog faalt.

3. De overige gronden van het hoger beroep zien op de inhoudelijke beoordeling van de zaak. Nu de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, wordt in hoger beroep, evenmin als in beroep, aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil toegekomen en behoeven die gronden geen bespreking.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2014

97-773.