Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2954

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
201400030/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/448

Uitspraak

201400030/1/A2.

Datum uitspraak: 6 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 december 2013 in zaak nr. 13/17533 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 26 juni 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.P. de Witte, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Jonkman, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 120 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, kan hoger beroep als bedoeld in artikel 84 slechts worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank over een besluit dat is bekendgemaakt na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, met uitzondering van een beslissing op bezwaar gericht tegen een besluit bekendgemaakt voor inwerkingtreding van de wet.

2. Onder de staatssecretaris worden tevens diens rechtsvoorgangers verstaan.

3. [appellant] heeft op 27 oktober 1998 een aanvraag ingediend voor een vergunning tot verblijf (thans: verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd). Op 2 oktober 2006 heeft hij bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op die aanvraag. Op 7 maart 2007 heeft de staatssecretaris dat bezwaar gegrond verklaard en [appellant] met toepassing van het zogenoemde driejarenbeleid een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend voor de periode van 27 oktober 2001 tot 27 oktober 2011.

[appellant] heeft de staatssecretaris op 23 januari 2012 verzocht om vergoeding van immateriële schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de lange duur tussen de aanvraag van 27 oktober 1998 om een verblijfsvergunning en de verlening daarvan. De staatssecretaris heeft aan de afwijzing van dat verzoek ten grondslag gelegd dat [appellant] die schade niet heeft aangetoond.

4. Het besluit van 7 maart 2007 is bekendgemaakt na inwerkingtreding van de Vw 2000 op 1 april 2001. Gelet op artikel 120 van die wet zou de Afdeling bevoegd zijn geweest om kennis te nemen van een hoger beroep in de procedure over de verblijfsvergunning. De Afdeling volgt de staatssecretaris dan ook niet in zijn in verweer ingenomen standpunt dat zij niet bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep in deze schadevergoedingsprocedure.

Dat, zoals de staatssecretaris aanvoert, de termijn om op de aanvraag van 27 oktober 1998 te beslissen ruim vóór 1 april 2001 was verstreken, leidt niet tot een ander oordeel, nu op dat moment immers geen besluit was bekendgemaakt. Daarmee is deze zaak te onderscheiden van de door de staatssecretaris genoemde uitspraken van de Afdeling van 17 mei 2011 in zaak nr. 201100352/1/V3 en 2 november 2011 in zaak nr. 201109975/1/H2 en 201109975/3/H2.

5. De Afdeling volgt de staatssecretaris evenmin in zijn in verweer ingenomen standpunt dat het verzoek van 23 januari 2012 buiten de termijn van vijf jaren, als bedoeld in artikel 3:310 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW), is gedaan, zodat de vordering is verjaard.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 6 maart 2013 in zaak nr. 201203652/1/A2), kan bij de beoordeling van de verjaring van een vordering tot vergoeding van schade, gebaseerd op een onrechtmatige daad van een bestuursorgaan, aansluiting worden gezocht bij het civiele recht. Uit een oogpunt van rechtszekerheid dient er daarbij van te worden uitgegaan dat de in artikel 3:310, eerste lid, van het BW gestelde verjaringstermijn van vijf jaren een aanvang neemt op het tijdstip, waarop de onrechtmatigheid van het besluit, waarop het verzoek is gegrond, onherroepelijk vaststaat.

De onrechtmatigheid van het niet tijdig nemen van een inwilligend besluit op de aanvraag van 27 oktober 1998 is eerst met het besluit van 7 maart 2007 komen vast te staan. [appellant] heeft zijn verzoek om schadevergoeding binnen vijf jaar na dat besluit ingediend.

6. De staatssecretaris heeft ter zitting bij de Afdeling zijn in verweer ingenomen standpunt dat reeds geen aanleiding bestaat voor schadevergoeding, omdat hij al eerder afwijzend heeft beslist op een daartoe strekkend verzoek van [appellant], ingetrokken.

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit het door hem overgelegde rapport van psychiater R. Soylu van 28 februari 2005 geen direct verband blijkt tussen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag van 27 oktober 1998 en de door hem gestelde immateriële schade, bestaande uit spanning en frustratie.

7.1. Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 5 oktober 2000, Maaouia tegen Frankrijk, nr. 39652/98, AB 2001, 80) vallen procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen niet binnen het bereik van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

Aldus kan het verzoek tot vergoeding van immateriële schade niet op deze verdragsbepaling worden gebaseerd. De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, geldt echter evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling en noopt ertoe dat een dergelijk verzoek en het daaruit voortvloeiende geschil binnen een redelijke termijn, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, tot finale vaststelling leidt. Aangezien dit vereiste, neergelegd in artikel 6 van het EVRM, op dat rechtsbeginsel berust, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 29 maart 2006, Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, JB 2006/134) over de uitleg van deze verdragsbepaling. Uit de jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld.

De rechtbank heeft, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 11 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX8360; www.rechtspraak.nl), evenwel terecht overwogen dat de aan artikel 6 van het EVRM ontleende veronderstelling van immateriële schade wegens spanning en frustratie niet geldt in de aanvraagfase. Dit brengt mee dat de belanghebbende zal moeten stellen en zo nodig bewijzen dat hij door de onaanvaardbaar lange duur van de behandeling door het bestuursorgaan van zijn aanvraag daadwerkelijk zodanige schade heeft geleden.

7.2. In het psychiatrisch rapport uit 2005 heeft de psychiater vermeld dat [appellant] sinds 1988 psychische klachten heeft en daarvoor medicijnen gebruikt. Volgens de psychiater heeft [appellant] een depressieve stoornis met psychotische kenmerken, angstklachten en een gebrekkig steunsysteem. "De lijdensdruk is groot, de onzekerheden over zijn toekomst beïnvloedt de prognose negatief", aldus de psychiater.

[appellant] heeft voorts een rapport van psychiater R.W. Jessurun van 4 december 1998 overgelegd. In dit rapport heeft de psychiater vermeld dat [appellant] een wisselend verlopend depressief toestandsbeeld heeft. "Wegens verblijfsproblematiek is er nu sprake van verergering van zijn psychische toestand", aldus de psychiater. In dat rapport staat verder: "Patiënt verblijft zoals u weet sinds 1983 in Nederland en dreigt nu uitgewezen te worden. Hij ervaart uitwijzing als een existentiële bedreiging en verslechtert psychisch zienderogen".

7.3. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] met deze rapporten niet heeft aangetoond dat hij immateriële schade bestaande uit spanning en frustratie heeft geleden als gevolg van het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 27 oktober 1998. De rechtbank heeft voor dat oordeel terecht van belang geacht dat [appellant] in de periode tussen 1998 en 2006 verschillende andere aanvragen om een verblijfsvergunning heeft gedaan waarop niet tijdig werd beslist, en uit de rapporten niet volgt dat de gestelde spanning en frustratie is veroorzaakt door het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 27 oktober 1998. Daarbij komt dat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, [appellant] de staatssecretaris eerst in 2006, toen hij een andere gemachtigde kreeg, op die aanvraag heeft gewezen. Ter zitting bij de Afdeling heeft zijn gemachtigde desgevraagd bevestigd dat [appellant] daarvoor zelf hoogstwaarschijnlijk niet wist dat nog niet op die aanvraag was beslist. Dat hij spanning en frustratie als gevolg daarvan heeft geleden, ligt ook daarom niet in de rede.

De rechtbank is [appellant] verder terecht niet gevolgd in zijn standpunt dat de staatssecretaris de door hem geleden immateriële schade als gevolg van zijn onzekere verblijfssituatie tussen 27 oktober 2001 en 7 maart 2007 dient te vergoeden, omdat de staatssecretaris hem ten onrechte niet met toepassing van het driejarenbeleid reeds op 27 oktober 2001 een verblijfsvergunning heeft verleend. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris niet is gehouden uit eigener beweging het driejarenbeleid toe te passen en dat hij binnen een redelijke termijn heeft gereageerd op het beroep dat [appellant] in 2006 heeft gedaan op dat beleid.

Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. De Vries-Biharie

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2014

611.