Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2952

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
201311664/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Made Prinsenhof" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311664/1/R3.

Datum uitspraak: 6 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Made, gemeente Drimmelen,

en

de raad van de gemeente Drimmelen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Made Prinsenhof" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2014, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door C.P.A. Segeren, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Met het plan wordt een herontwikkeling beoogd van woningbouw aan de westzijde van de Prinsenhof. Het vorige plan voorzag in de bouw van twee vrijstaande woningen en acht 2-onder-1-kap-woningen. Dit plan maakt de bouw mogelijk van woningen in huizenblokken van maximaal zeven aaneengesloten woningen.

3. [appellant] woont naast het plangebied op het perceel [locatie] en kan zich niet verenigen met het plan. Hiertoe voert hij aan dat de ruimtelijke kwaliteit van de wijk wordt aangetast nu het plan voorziet in goedkopere woningen met meer parkeervoorzieningen in een wijk waar zich voornamelijk 2-onder-1-kap-woningen en vrijstaande woningen bevinden. [appellant] voert voorts aan dat de raad niet heeft onderbouwd dat herontwikkeling met rijwoningen nodig is en wijst op de geslaagde verkoop van vrijstaande woningen en 2-onder-1-kap-woningen aan de noordzijde van de Prinsenhof. Ook had de raad volgens hem kunnen voorzien in goedkopere 2-onder-1-kapwoningen in plaats van rijwoningen. [appellant] vreest dat de raad slechts tegemoet wil komen aan het verzoek van de ontwikkelaar tot herkaveling en heeft hiertoe ter zitting gewezen op een principeovereenkomst tussen de raad en de nieuwe ontwikkelaar en een advertentie in het plaatselijke weekblad ‘t Carillon waarin zeventien nog te ontwikkelen rijwoningen reeds worden aangeboden. Voorts voert hij aan dat zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast. Zo vreest hij in zijn privacy te worden beperkt omdat vanaf de voorziene woningen in zijn tuin kan worden gekeken en de eventueel te realiseren brandgangen bij zijn tuin uitkomen. Met betrekking tot de brandgangen voert [appellant] nog aan dat deze niet zijn toegestaan binnen de bestemming "Wonen" in het plan. [appellant] stelt dat de raad ten onrechte niet inhoudelijk is ingegaan op zijn standpunt over het risico van inbraak bij de realisering van een brandgang. Voorts vreest [appellant] verminderde lichtinval en voert hij aan dat de bezonningsstudie ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de effecten van bijgebouwen en dat van een onjuiste goot- en nokhoogte is uitgegaan alsook van een onjuiste dieptemaat voor de voortuinen. Verder voert hij aan dat zijn woning daalt in waarde als gevolg van het plan.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan volledig aansluit bij de reeds gerealiseerde beeldkwaliteit van de Prinsenhof, zodat de kwaliteit en waarde van de wijk gerespecteerd blijft. Voorts stelt hij dat herkaveling van het plangebied nodig is gelet op de stagnerende verkoop van 2-onder-1-kapwoningen en gelet op de woningmarkt die vraagt om rijwoningen in een lagere prijscategorie. Met deze herkaveling kan het nieuwbouwgebied bij de Prinsenhof zo snel mogelijk worden afgerond, zodat ook de openbare ruimte definitief kan worden ingericht. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat niet zondermeer tegemoet is gekomen aan het verzoek van de ontwikkelaar, maar dat is getoetst aan ruimtelijke aanvaardbaarheid. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat de privacy niet onaanvaardbaar zal worden aangetast en wijst op de afstand van 14 m tussen de achtergevel van de voorziene woningen tot de achterste perceelgrens van [appellant]. Verder stelt de raad dat een brandgang is toegestaan binnen de bestemming "Wonen" nu een brandgang valt onder "overige verhardingen" zoals bedoeld in artikel 4, lid 4.1, van de planregels. Inbraakgevoeligheid is volgens de raad geen ruimtelijk relevant aspect dat bij de beoordeling van een bestemmingsplan kan worden afgewogen. De raad stelt voorts dat een nieuwe bezonningsstudie is uitgevoerd, omdat de eerdere bezonningsstudie was gebaseerd op verkeerde uitgangspunten. Volgens de raad is er voor de woning van [appellant] geen beperking van zonlichttoetreding ten opzichte van de mogelijkheden waarin het vorige plan voorzag. De bezonningsstudie zou zelfs een lichte verbetering van lichtinval laten zien.

3.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. het wonen in grondgebonden woningen;

[…];

c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en overige verhardingen.

Ingevolge lid 4.2, onder 4.2.1, gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken de volgende regels:

[…];

e. de diepte van hoofdgebouwen, gemeten vanaf de voorgevellijn, mag niet meer bedragen dan:

- bij vrijstaande woningen: 12 m;

- bij twee-aaneen gebouwde woningen en aaneengebouwde woningen: 10 m;

[…];

h. de maximale goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer dan 7 m respectievelijk 11 m bedragen;

[…].

3.3. Wat betreft het betoog van [appellant] over de noodzaak van herontwikkeling met rijwoningen, overweegt de Afdeling als volgt. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft blijk gegeven van een gewijzigd planologisch inzicht in die zin dat hij een gewijzigde ontwikkeling van het plangebied voorstaat, nu de vraag op de woningmarkt meer naar diverse woningen in een lagere prijscategorie uitgaat. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad blijkens de Woonvisie 2011-2016 wil voorzien in de woningbehoefte voor starters en huishoudens met een laag middeninkomen. Naar het oordeel van de Afdeling is dit niet onredelijk. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de noodzaak tot een gewijzigde ontwikkeling onvoldoende heeft gemotiveerd, nu de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat de verkoop van de 2-onder-1-kap-woningen en vrijstaande woningen sedert geruime tijd stagneert. Het betoog faalt.

3.4. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat de brandgangen als overige verhardingen kunnen worden aangemerkt als bedoeld in artikel 4, lid 4.1, onder c, van de planregels. Anders dan de raad betoogt is het belang van een veilige woon- en leefomgeving een belang dat moet worden meegewogen in de belangenafweging. Wat betreft de inbraakgevoeligheid acht de Afdeling niet aannemelijk dat de kans op inbraak zo groot wordt indien brandgangen worden gerealiseerd, dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten deze mogelijk te maken. Dat [appellant] ter zitting heeft aangevoerd dat reeds eerder bij hem is ingebroken waarbij via zijn tuin de toegang tot zijn woning is geforceerd, maakt dit niet anders. Het betoog faalt.

3.5. Wat de ruimtelijke kwaliteit van de wijk betreft, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft de bedoeling gehad aan te sluiten bij de beeldkwaliteit van het bestemmingsplan "Made Prinsenpolder". Deze beeldkwaliteit is evenwel niet verankerd in het plan. Zo heeft de raad beoogd doodlopende brandgangen mogelijk te maken en geen doorlopende brandgang langs de achterzijde van de voorziene woningen. Een doorlopende brandgang is evenwel mogelijk gemaakt in het plan. Voorts heeft de raad het aantal rijwoningen en het aantal woningblokken dat maximaal is toegestaan niet neergelegd in het plan, noch de verspringende gevels zoals de raad deze voor ogen heeft gehad. Ter zitting heeft de raad erkend dat hij de kwaliteit die hij voor ogen heeft gehad bij het vaststellen van het plan niet bindend in het plan heeft vastgelegd. Gelet op het voorgaande heeft de raad niet gedaan wat hij heeft beoogd, zodat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid. Het betoog slaagt.

3.6. De raad heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de bezonningsstudie van 2 september 2013, die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, op verkeerde uitgangspunten was gebaseerd. Het bestreden besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering. De raad heeft vervolgens een aanvullende bezonningsstudie laten uitvoeren. Zoals [appellant] terecht heeft aangevoerd, houdt deze aanvullende bezonningsstudie van 16 mei 2014, evenals de bezonningsstudie van 2 september 2013, geen rekening met de mogelijkheid van bijbehorende bouwwerken in de achtertuin, terwijl dergelijke bijgebouwen gevolgen kunnen hebben voor lichtinval op nabijgelegen woningen zoals die van [appellant]. Het plan maakt net als het vorige plan, bijgebouwen met een goot- en nokhoogte van 3,3 m onderscheidenlijk 6 m mogelijk. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een plan de ruimtelijke aanvaardbaarheid van bestemmingen en regels moet beoordelen. Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling niet kunnen volstaan met het standpunt dat, gelet op de mogelijkheden van het vorige plan, de zon- en lichttoetreding voor [appellant] niet verslechteren indien rijwoningen worden gerealiseerd. Het betoog slaagt.

3.7. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

3.8. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

3.9. De overige beroepsgronden, die verband houden met een bepaalde ruimtelijke kwaliteit die in het plan niet is geborgd, behoeven in het licht van het hiervoor overwogene geen nadere bespreking.

4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het bestreden besluit van de raad van de gemeente Drimmelen van 3 oktober 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Made Prinsenhof";

III. draagt de raad van de gemeente Drimmelen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Drimmelen aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Kegge

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2014

288-813.